Back U bevindt zich hier: Home Actueel Odo switi no todo: onderzoek naar herkomst odo's - Parbode Sneak Peek
woensdag, 11 januari 2017

Odo switi no todo: onderzoek naar herkomst odo's - Parbode Sneak Peek

Geschreven door 
Beoordeel dit item
(1 Stem)

Merredith Holter (35) heeft in oktober 2016 ter afronding van de studie MO-B Nederlands aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL) een afstudeeronderzoek verricht over de herkomst van Surinaamse spreekwoorden, de odo’s. Ze is nagegaan wat een odo is, waar de odo’s zeer waarschijnlijk zijn ontstaan, en heeft ze in het hedendaagse perspectief geplaatst. “Ik heb het schrijven van deze scriptie ervaren als een ware ontdekkingsreis”, vertelt Holter.

 

In de afgelopen eeuwen is ontzettend veel van de Afro-Surinaamse cultuur verloren gegaan, waaronder de odo’s. De eeuwenlange mensenroof uit Afrika heeft gemaakt dat honderden stammen uiteen zijn gevallen en dat Afrikaanse cultuurelementen nu versplinterd worden aangetroffen in de Caribische diasporalanden. Veel is niet meer te achterhalen, het is werkelijk een hels karwei om de kleine puzzelstukjes verleden aan elkaar te lijmen. “Odo’s komen in het gehele Caribisch gebied voor, waarbij het
opvalt dat in de gehele Afro-Caribische diaspora er vrijwel identieke odo’s zijn. De talen, de uitspraken verschillen, maar de boodschap is hetzelfde”, begint Holter. De onderzoekster is al vijftien jaar werkzaam in het onderwijs en heeft vorig jaar een diepgaande studie gedaan naar onze Afro-Surinaamse spreekwoorden. “Ik ben begonnen als kleuterjuf en heb nu mijn vijfde onderwijsdiploma. Ik ben leerkracht Nederlands, maar mijn droom is om ambulancechauffeur te worden”, schatert ze. Op de vraag wat precies de link is tussen haar studie Nederlands aan het IOL en de Sranan odo’s, verduidelijkt ze: “Een studieonderdeel ging over talen die in Suriname gesproken worden en het onderlinge verband tussen die talen en het Nederlands; de invloed van deze talen op het Nederlands en omgekeerd. Daarnaar is tijdens verschillende modules gekeken. Onder meer kwam naar voren dat het Berbice Dutch (Nederlandse creooltaal in Guyana, red.) is uitgestorven.” De docente is van oordeel dat dit niet met onze odo’s mag gebeuren. “De interesse voor het onderwerp ‘odo’ heb ik zeker langer dan vijftien jaren. Dit komt, omdat ik heel veel odo’s heb gehoord van mijn grootmoeder Ina Brandveen, die nu 94 jaar is. Ik ben bezorgd dat zulke mooie belevenissen, ervaringen en wijsheden verloren gaan door taalverlies. We praten niet meer zo ‘diep’. Als Creoolse vrouw hoopte ik met het schrijven van mijn scriptie een steentje bij te dragen aan de verdere interesse van anderen voor de odo’s. De odo’s zijn van  zeer grote waarde voor de Surinamers, in het bijzonder de Creolen. Zij mogen nooit verloren raken of vergeten worden. De odo’s zijn een grote rijkdom voor onze cultuur. Door je verleden te kennen, snap je het heden beter.” 

Odo switi no todo

Gevoelens van nostalgie borrelen in Holter omhoog als ze terugdenkt aan haar jongere jaren. Ze groeide als enig kind van haar ouders op in Coronie en Para. “In deze typisch Creoolse districten werd veel Sranantongo gebezigd, en werden veel agersi tori’s en moppen in deze taal verteld. Mijn lagere schooltijd was de leukste periode. Ik woonde naast een kreekje en had een onbezorgde jeugd in Coronie. Er was nog een veerboot en je ging niet makkelijk naar de stad. Ook had je toen nog sociale controle.” Holter brengt verder in herinnering dat haar oma veel odo’s en singi’s voordroeg. “Wanneer mijn oma een tori gaf, dan stopte ze plotseling ertussenin en dan zong ze een lied. En daarna gaf ze een odo en ging ze verder met die tori. Een vaste
odo was: Dagu taygi en masra no kari mi dagu. Masra piki en: Yu du sa sori. Dit was een van de odo’s die ze steeds herhaalde. Het gaat erom dat jij je nog zo geweldig kan voordoen met betrekking tot wie je bent, maar dat je ooit door de mand valt. Wanneer oma de odo gaf, dan gaf ze als bedoi (uitleg): Dagu weri en wet’ empi nanga strik èn das, dan en nanga en masra go na wan friyari. Den sdon sey bigi tafra e nyan. Wan sma na lontu meki wan bonyo fadon, dagu dyompo teki a bonyo. Alasma bari:
Yu dagu yu!” Holter stipt aan dat odo’s wijze lessen bevatten, waaruit veel te leren is. “De odo’s hadden een doel, ze hadden een opvoedende taak of ze dienden om iets te zeggen wat niet direct door een ieder gesnapt werd. Daarom wordt tijdens de
(koto)shows waar odo’s worden voorgedragen eerst een uitleg gegeven -ook wel bedoi genoemd - voordat de odo wordt ‘gesneden’ . Odo’s ´snijden´ -kot’odo - geschiedt tegenwoordig vooral op of rond 1 juli, de dag waarop de slavernij in Suriname werd afgeschaft. Ook op feestjes worden er kotomisi’s gevraagd om odo’s of boodschappen door te geven aan de jarige. Odo’s zijn niet weg te denken binnen de Creoolse cultuur, haast alle afstammelingen van tot slaaf gemaakte Afrikanen voelen een verbondenheid met de odo’s”, weet Holter. 

Odo’s in de diaspora
Gezien het feit dat in meerdere creooltalen uit het Caribisch gebied odo’s voorkomen, kan met nog meer zekerheid gesteld worden dat de odo’s uit een centrale plek of centraal gebied komen, meent Holter. Als er gekeken wordt naar woorden die voorkomen in odo’s, is te merken dat ze al ontstonden voordat de tot slaafgemaakten in Suriname aankwamen. Zie de odo Asaw sabi fa en lasi bradi, a swari kokonoto (De olifant weet hoe groot zijn achterwerk is, voordat hij een kokosnoot inslikt). “De asaw is een olifant en komt niet in Suriname voor, dus zo’n odo is waarschijnlijk meegekomen uit Afrika”, beredeneert de onderzoekster. Wat haar ook is opgevallen, is dat bepaalde odo’s veel equivalenten hebben in Afrikaanse landen en de diasporalanden.Een voorbeeld is Kakalaka no abi leti na fowru mofo. De Krio van Sierra Leone zeggen Kakroch noh geht powa na fohl kohntri, op Trinidad Cockroach have no right in fowl party, enzovoorts. Er zijn geen geschreven bronnen die aangeven wanneer de odo’s zijn ontstaan en wie de bedenkers zijn van de odo’s, de meeste opgeschreven odo’s hebben een anonieme bron. Doordat de bedenker anoniem is, weet men ook niet in welk jaar zo’n odo is ontstaan. De belangrijke verzamelaars van de odo’s zijn naar zeggen van Holter wel bekend. De eerste was de Nederlandse landbouwadviseur Marten Douwes Teenstra (1795- 1864) die in 1835 ruim driehonderd odo’s publiceerde in De landbouw in de kolonie Suriname. Na Teenstra maakte de Duitse missionaris Heinrich Rudolf Wullschlägel (1805-1864) meer dan zevenhonderd odo’s wereldkundig in Deutsch-negerenglisches Wörterbuch (1856). Holter zegt ook veel gehaald te hebben uit de bekende odo-boeken Sranan Pangi en Bigisma Taki…

 

Aanleiding ontstaan odo’s

Hoe de odo’s zijn ontstaan weet niemand precies, maar er wordt aangenomen dat een wezenlijk deel ervan is voortgevloeid uit gebeurtenissen. Er doet zich een aangelegenheid voor die een bepaalde lading heeft en tot nadenken zet, waardoor een verhaal ontstaat. Uit zo’n tori kan een odo ontstaan en een levensles voortkomen. Ook een gedachte over een bepaalde zaak kan leiden tot het bedenken een odo. Er kan ook iets grappigs zijn voorgevallen, hetgeen kan leiden tot een odo. Holter geeft als voorbeeld Tangi fu dri pikin moysmoysi, Anansi go na ini korobere (Dankzij drie kleine muisjes heeft Anansi wraak genomen door in de buik van de kool te gaan). Dit is een angisa-odo, een odo die marktvrouwen aan een nieuw geïmporteerde hoofddoek gaven om een bepaalde sociale of politieke issue te reflecteren. Hier gaat het om de Creoolse dokter Johan Frederik Nassy (1866- 1947), die rivaliseerde met de Hollandse dokter Cool, directeur van het gouvernementshospitaal. In het Sint Vincentiusziekenhuis, waaraan dr. Nassy leiding gaf, werd in 1937 een drieling (zusjes A., B. en C. Vrieze) geboren, waarop Cool eiste dat deze naar hem overgebracht werden, daar hij beter geoutilleerd was. Nassy weigerde, vandaar dat deze angisa-odo werd gemaakt. Nassy was een alom bekende en beminde dokter die een grote praktijk had. Van hem wordt verteld dat toen men in Suriname het woord Sociale Zaken nog niet kende, hij reeds de verpersoonlijking daarvan was. Onbemiddelde patiënten ontvingen dikwijls met het recept ook het geld voor de medicijnen, en versterkend voedsel. En o wee, als men zijn dankbaarheid wilde tonen. Een tegenprestatie accepteerde hij niet, maar hij veranderde wel in een stugge brombeer. Het huwelijk tussen hem en Margaretha Jacoba Nassy-Brouwer werd gezegend met negen kinderen. In het grote gastvrije huis was er steeds plaats voor iedereen, een jaar na zijn dood werd de laan waar dit hoekhuis staat naar hem vernoemd. Een andere bijzondere odo die Holter aanhaalt is Mi na afusensi: no wan man kan broko mi (Ik ben een halve cent: niemand kan mij breken). Vroeger kende men de halve cent of afusensi, de munt die de laagste waarde had en dus niet gewisseld kon worden tegen kleingeld. Deze odo kan dus uitgelegd worden als: ik ben te onbetekenend, niemand kan mij deren of in diskrediet brengen. Vermeldenswaard is dat deze odo oorspronkelijk de naam van een angisa was. Het was een vrouw die de prostituées aan de Waterkant hier voor het eerst mee confronteerde. Die kwamen op hun beurt met een ‘piki- angisa’ als passend antwoord en wel Mi na gowtu moni: m’e waka na ala anu, ma mi n’e lasi warti.

 

Verder lezen? Het hele artikel is te lezen in het januarinummer van Parbode.