Back U bevindt zich hier: Home Actueel Ronnie Brunswijk, de oudste voetballer van Suriname - Parbode Sneak Peek
donderdag, 04 januari 2018 11:00

Ronnie Brunswijk, de oudste voetballer van Suriname - Parbode Sneak Peek

Geschreven door Robert Alting
Beoordeel dit item
(0 stemmen)

Parbode pakte de auto en reisde eind oktober af naar Moengo waar de derby tussen SV Notch en Inter Moengotapoe op het programma stond. Op de tribune spraken we met Ronnie Brunswijk. Over Inter Moengotapoe, over Ruud Gullit, Ronald Koeman en zijn toekomst in het Surinaamse voetbal.

Ronnie Brunswijk leunt tegen zijn terreinwagen die hij pal naast het wedstrijdveld van het Ronnie Brunswijkstadion in Moengo heeft geparkeerd. Hij schudt handen, vrouwen lachen naar hem, kinderen rennen naar hem toe. Zijn teamgenoten zitten op een paar meter afstand in trainingspak te wachten totdat Brunswijk het sein geeft dat de warming-up dient te beginnen. Hoewel over anderhalf uur de dorpsderby SV Notch tegen zijn Inter Moengo Tapoe begint - hier de wedstrijd van het jaar - is van spanning geen sprake. Brunswijk scharrelt een beetje op slippers rond, draagt een vrolijk gekleurde zwembroek met om zijn nek een gouden ketting die meer doet denken aan een lasso dan aan iets wat je ooit als halssieraad zou definiëren.

Wanneer zijn medespelers zich richting de provisorisch ingerichte fitnessruimte begeven om de spieren los te maken, maakt hij nog een praatje met oude vrienden, snauwt hij wat tegen kinderen als ze hem in de weg lopen en geeft de bardame een knuffel en een kus op de wang. Het is vanaf het moment van arriveren in Brunswijktown duidelijk dat Brunswijk de man is die hier de maat slaat en waarschijnlijk alleen op de stand van de zon en de maan hier geen invloed heeft. Het interview vindt dan ook plaats wanneer het hém uitkomt en duurt ook zolang het hém uitkomt. In zijn district, in zijn woonplaats, in zijn stadion gaat niemand vertellen wat Brunswijk moet doen of wanneer hij iets moet doen. Zeker geen blanke journalist uit Nederland. Hier is hij de baas.

Ronnie Brunswijk, alias Romeo Bravo of De Koning van Marowijne. De man met een cv dikker dan een gemiddeld Surinaams kookboek. U kent hem wellicht als voormalig guerrillaleider van het Junglecommando dat in de tweede helft van de jaren tachtig een burgeroorlog uitvocht met het Nationaal Leger van Desi Bouterse, waar hij in de eerste helft van de jaren tachtig juist lijfwacht van was. Ook is hij bekend als de man die in 1996 door de rechtbank in het Nederlandse Haarlem bij verstek tot zes jaar gevangenis werd veroordeeld voor cocaïnehandel. Hierdoor staat hij nog altijd op de opsporingslijst van Interpol. Daarnaast is hij voorzitter van zijn politieke partij ABOP waarvoor hij ook in het Surinaamse parlement zit en waarmee hij tussen 2010 en 2015 regeringspartner van president Bouterse was. Zijn geld verdient hij voornamelijk als directeur van NV Robruns, een groot goudbedrijf met vele goudconcessies in het binnenland van Suriname. Hij bezit een eigen eiland in de Marowijnerivier en over zijn privéleven doen bijna mythische verhalen de ronde. Het aantal kinderen dat hij verwekt zou hebben zou rond de tachtig liggen. Hij is een volle neef van Kenny B en, tot slot: hij is eigenaar van Inter Moengotapoe, de succesvolste voetbalclub van Suriname.

Het interview, dat uiteindelijk een half uur duurt, stopt wanneer Brunswijk aangeeft dat hij aan het afronden is en richting zijn terreinwagen loopt om zich om te kleden. Wij zitten samen op de tribunes van zijn stadion. Zijn voornaamste gespreksonderwerp: het conflict dat hij heeft met de Surinaamse Voetbalbond (SVB). Zijn voornaamste boodschap: als de Surinaamse Voetbalbond niet snel zijn eerder gedane beloftes nakomt, is dit het laatste jaar dat hij nog investeert in het Surinaamse voetbal. Terwijl zijn telefoon onafgebroken overgaat, legt hij uit: “Het kost veel geld maar je krijgt er niks voor terug. Ik heb alleen maar kosten, kosten, uitgaven, uitgaven. Je wordt kampioen en je krijgt drieduizend Surinaamse dollar (SRD) van de SVB, terwijl ze 250.000 Amerikaanse dollar hadden toegezegd als je kampioen zou worden. Dan is drieduizend SRD toch een lachertje? En ik heb de afgelopen jaren een aantal miljoenen besteed aan de competitie. Wij krijgen vanuit de bond nul support. De ondersteuning is er niet. Als je er niks voor terugkrijgt, is het water naar de zee dragen. Ik draag de voetbalsport een warm hart toe, maar je wordt continu geboycot als je niet onder één hoedje wil spelen met het bestuur.”
Hij vervolgt: “Vanuit Moengo reizen we elke week af naar Paramaribo. Dat kost een hoop geld. De SVB zou geld van de FIFA krijgen zodat zij de kosten daarvan konden dekken, er zou een speciaal potje komen, dat was beloofd. Maar ze doen niks. Ook komen ze hun beloftes niet na om de sport te professionaliseren. Als je voetbalsport wil bevorderen moet je beginnen bij de jeugd, als je dat niet doet, komt je niet verder. Dat zie je nu. Wij investeren zoveel geld en moeite in de club en kunnen bijna geen Concacaf-voetbal spelen, omdat de stadions niet aan hun voorwaarden voldoen. Als er niks verandert, is dit mijn laatste jaar.” Hij laat een stilte vallen. “Wij worden kampioen, en kampioen. Ze lusten ons daar niet meer. Zij worden moe van ons.”
Ronnie Brunswijk en voetbal, zijn naam is net zo verbonden aan de Surinaamse voetbalsport als roti met kip of bruine bonen met rijst. Hij is niet alleen voorzitter van de club die de afgelopen vijf jaar met overmacht landskampioen werd, hij is ook hoofdsponsor, boegbeeld en bovenal nog altijd speler van de club die hijzelf in 1992 oprichtte. Zijn club is een Surinaams succesverhaal gesteund door zijn grootkapitaal. Maar hij komt niet alleen in het nieuws door het succes en zijn al dan niet aanwezige voetbalkwaliteiten. In het verleden wilde hij beslissingen van scheidsrechters weleens becommentariëren door met pistolen te zwaaien. Tegenstanders die hem met iets te veel enthousiasme van de bal wilden zetten, konden zo nu en dan op een corrigerende tik rekenen, en onlangs joeg hij een journalist de stuipen op het lijf na een in zijn ogen onwelgevallige opmerking.

Het hele artikel is te lezen in het januarinummer van Parbode.