dinsdag, 01 januari 2008

De Surinaamse droom van Gerrit Barron

Geschreven door 
Een cd met nieuwe gedichten, een cd met vergeten kinderliedjes, herdrukken van vier kinderboeken en een kaart met Surinaamse helden: Gerrit Barron timmert aan de weg. Alles met een enkel doel: de Surinamers inpeperen hoeveel reden er is trots te zijn op hun land.

Zeven jaar was Gerrit Barron toen hij in 1958 langs de kant van de weg in Moengo op koningin Juliana stond te wachten. Hem staat nog altijd helder voor de geest dat de koninklijke stoet zes uur op zich liet wachten, en dat de koningin, toen ze er eenmaal was, zijn moeder begroette. Zijn moeder had vanaf dat moment een streepje vóór bij de mensen in Moengo, alsof ze met die ene handdruk een hoge onderscheiding had gekregen.
De vader van Gerrit Barron werkte in die dagen voor Billiton. Het bedrijf had het luxe gastenverblijf Casa Blanca beschikbaar gesteld aan de koningin en haar gevolg als onderkomen voor de nacht. Barron weet nog goed dat een dag voor de komst van de koningin paniek uitbrak toen bekend werd dat zwart personeel gebruik had gemaakt van het zwembad, reden voor de directie om te besluiten op het allerlaatste moment het water te laten verversen.
barron.jpgVijftig jaar later toont Barron het nieuwste product van zijn uitgeverij Afaka: een kaart van Suriname waarop de Julianatop is omgedoopt tot Eddy Brumatop en het Wilhelminagebergte tot Jopie Pengelgebergte. Dat komt ervan als je een toekomstige kaartenmaker zes uur in de brandende zon laat wachten? Nee, reageert Barron, daar gaat het niet om. “Ik vind het niet kunnen dat de hoogste top van Suriname is vernoemd naar een Nederlandse koningin. Ik heb Oranje letterlijk van de kaart geveegd om onze eigen Surinaamse helden de plaats te geven waar zij recht op hebben.”
Want het zijn niet alleen Bruma en Pengel die door Barron op de kaart zijn gezet. Kaikusi, Mata Gauri, Anton de Kom, Max Nijman, Oscar Harris, Frank Rijkaard, Edgar Davids en enkele tientallen andere Surinaamse grootheden hebben een plek gekregen op de nieuwe kaart van Suriname, waarop Barron veiligheidshalve heeft aangegeven dat deze pas op 1 oktober 2015 van kracht wordt. “Niet iedereen zal dit even leuk vinden”, legt de uitgever uit. “En ik wil geen gedoe. Ik wil een aanzet geven tot discussie over hoe wij omgaan met het eigene.”

Nationalisme
Surinaams nationalisme is de core business van uitgeverij Afaka. Of, zoals Barron het graag noemt, de verwezenlijking van de Surinaamse droom. December was ook voor Afaka de feestmaand: naast de genoemde heldenkaart verschenen een cd met Surinaamse kinderliedjes en een cd waarop Barron in de traditie van zijn voorbeeld R. Dobru in elf nieuwe gedichten zijn liefde voor Suriname (en de Surinaamse vrouw) bezingt. Alle producten zijn bouwstenen in wat het levenswerk van de schrijver-dichter-uitgever mag worden genoemd: Surinamers inpeperen dat er veel redenen zijn om van Suriname te houden: “Er zijn weinig mensen met plannen voor de toekomst van dit land. Suriname heeft nu een armoedecultuur: mensen dromen ervan rijk te worden en nooit meer te hoeven werken. Geld is een doel op zich in plaats van een middel om een hoger doel te bereiken. En de politieke machthebbers zijn dol op de kleur van armoede. Zij beschouwen mensen die zich ontwikkelen als een bedreiging. Als gevolg daarvan blijft Suriname steken in ellende.”
Om dat te veranderen, moet eerst worden gewerkt aan geloof in eigen kunnen. “Kinderen groeien hier op met het idee dat de eigen cultuur ondergeschikt is. Zij worden ’s ochtends wakker in een Europese kinderkamer, met een beer op bed en posters van Walt Disney aan de muur. Dat leidt vanaf jonge leeftijd tot de overtuiging dat al het goede van elders komt. We hebben werkelijk geen idee hoe rijk we zijn als volk. Letterlijk rijk door onze bodemschatten, maar ook rijk door onze cultuur en natuur: uit de hele wereld komen vogelkenners naar Suriname om bijzondere soorten te spotten, maar wij kennen onze vogels niet.”
Om dezelfde reden heeft Barron in december een cd uitgebracht met Surinaamse kinderliedjes, ook zo’n vergeten cultuurgoed. “In de jaren vijftig waren er heel veel kinderliedjes in Suriname”, vertelt de uitgever over het motief om ‘De Bombelman’ uit te brengen. “Maar ik hoor ze nooit meer en ik wil niet dat de liedjes uit het collectieve geheugen verdwijnen. Ze staan nu op cd. Ik hoop dat ze ook op de radio worden gedraaid, zodat de kinderen ze weer leren kennen.”
Barron groeide zelf op in een gezin waar kunst en politiek net zo belangrijk waren als eten, drinken en slapen. Engagement werd hem met de paplepel ingegoten en een baan in het onderwijs leek een geschikt instrument om iets voor Suriname te doen. Na de kweekschool stond hij een aantal jaren in Amsterdam voor de klas, maar in 1981 besloot hij, tegen de stroom in, terug te keren om een bijdrage te leveren aan de opbouw van het vaderland. “Ik had met mijn vrienden afgesproken dat we samen zouden gaan”, zegt hij lachend. “Maar toen ik op 26 augustus 1981 op Schiphol stond, was ik de enige die zijn koffers bleek te hebben gepakt.”
In Suriname combineerde Barron het onderwijs met ondernemerschap door een bedrijf in bewustwording te starten. Hij begon te schrijven aan een reeks van zeventien kinderboeken, stuk voor stuk doorspekt met nationale trots en een enkele keer goed voor hevige controverse. In ‘Oorlog in Bakroeland’ beschrijft Barron hoe de sympathieke Bakroe’s (Surinamers) een inval te verduren krijgen van de Kabouters (Nederlanders) die bij hun poging Bakroeland in te nemen ook nog eens worden geholpen door de Kaboeroe’s (Surinamers die Nederland steunen). Tot ergernis van Barron hebben de beleidsbepalers op het ministerie van Onderwijs, Kaboeroe’s waarschijnlijk, de boeken nooit willen aanvaarden als officieel lesmateriaal.

Schande
Hoe beschouwt Barron nu de relatie tussen Suriname en Nederland? “Suriname heeft zich nog steeds niet kunnen losmaken van Nederland. We zijn misschien onafhankelijk maar niet zelfstandig. Onze regering maakt het land te schande door in het buitenland te bedelen en tegelijkertijd onze bodemschatten voor een habbekrats weg te geven. Onder het mom van hulp aan de voormalige kolonie heeft Nederland een bruggenhoofd in Zuid-Amerika. Ik heb helemaal niets tegen samenwerking met Nederland, maar dat moet dan wel gebeuren op basis van gelijkwaardigheid. Nederland moet ons eerst ademruimte geven om op eigen benen te staan. Daarna kunnen we praten als gelijkwaardige partners.”
Om zover te komen moet er ook in eigen land nog veel werk worden verzet, terwijl de inspanningen van Barron lang niet overal met enthousiasme worden ontvangen. De start van een radiozender in Moengo moest tot drie keer worden uitgesteld omdat onbekenden de apparatuur vernielden, maar nu worden de mensen in het door de binnenlandse oorlog zo zwaar getroffen gebied dan toch bediend met informatie en worden voorbereidingen getroffen voor een televisiezender. Barron heeft een lange adem en schrikt niet van tegenslag of tegenwerking. Integendeel. “Het is de diesel voor mijn motor”, vertelt hij. “Ik ben nooit bang geweest om risico’s te nemen. Ik doe mijn werk heel graag, maar ik weet dat ik ook gelukkig kan zijn als ik in een hutje op een opengekapt stukje bos woon.”