woensdag, 29 februari 2012

Antiquariaat, maart 2012

Geschreven door  Carl Haarnack

antiq1.jpgSchetsen en typen uit Suriname

Jacques Salomon Samuels (1859-1939) was onderwijzer van beroep en schoolhoofd op Berlijn in het district Para. Maar hij werkte later ook als boekhouder en goudhandelaar in Paramaribo. Dit boekje bestaat uit een bundeling van artikelen die hij in 1904 schreef voor het dagblad De Surinamer, aangevuld met stukken die hij rond 1924 schreef voor het blad De Periskoop. De bundel verscheen vijf jaar na zijn dood. Samuels vertelt op een onderhoudende wijze over het alledaagse leven in Suriname in het laatste kwart van de negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw. 

Zo vertelt hij in ‘Mijn eerste ‘begrafenis’’ over het heengaan van de moeder van zijn ’nêné’ (Creoolse huishoudster): ‘In het huisje lag op twee schragen de kist, waarin nêné’s moeder, en daarom heen stonden de zoons en andere bloedverwanten van de overledene, met op de borst gekruiste armen, gebogen hoofd en neergeslagen oogen, als in diep gepeins verloren’. Dragers tillen vervolgens de kist het huis uit. Voor de kist loopt de lijkbezorger in gala. Achter de kist lopen de bloedverwanten van het mannelijke geslacht, de oudste voor op, twee aan twee. Allen dragen een bradihatti (brede hoed) waardoor de gezichten bijna niet te zien zijn. Dan volgen vrienden, buren en de vrouwen die allemaal in het wit gekleed gaan. De vrouwelijke bloedverwanten dragen als teken van rouw op hun hoofddoek een klein in vieren gevouwen servetje gespeld en houden hun handen in een witte omslagdoek verborgen. Dan beschrijft Samuels de ‘markeer den pas’: ‘bij elke brug of bij elken omzwaai, is eene gelijkmatige verwisseling der voeten als bij het loopen, zonder dat de voorwaartsche beweging volgt, of zooals Boer Teunis het zou uitleggen: ‘met kleine stappen loopen zonder dat je loopt’. Na acht dagen wordt er een dede oso gehouden. Er zijn veel gezichten te zien die niet op de begrafenis waren; dédéhosotata’s, piraten die elk sterfhuis bezoeken. Samuels noemt als voorbeeld ene Sjoeber, Pa Bréatora, Ba Sjaki en Ba Priorie. De gasten worden rijkelijk voorzien van ‘gebakken koorn met pinda’, koek, chocola, koffie, brandewijn, jenever en likeur. Tussendoor worden anansitories verteld. Pas om vijf uur in de morgen wordt door de gasten afscheid genomen.
Jacq Samuels stamt uit een joodse familie en behoort tot de lichtgekleurde bovenlaag. Hij noemt zichzelf graag bakra. Een zeker elitarisme kan hem niet ontzegd worden, zeker als hij zaken beschrijft die niet behoren tot zijn ‘klasse’. Toch is hij voor ons een belangrijke chroniqueur van het gewone leven rond 1900.
Carl Haarnack

Schetsen en typen uit Suriname,
Jacques Samuels, St. Rafael Boek-handel, Paramaribo (rond 1944)