maandag, 30 april 2012

Antiquariaat, mei 2012

Geschreven door  Carl Haarnack

antiquariaat1.jpgDe voeding van den Neger in Suriname

Vaak ligt er een schat aan informatie verborgen in kleine onooglijke werkjes uit de Surinaamse Bibliotheek. Dit boekje van Gerardus Johannis Mulder (1802-1880) is daar een uitstekend voorbeeld van. Het telt slechts 36 bladzijden en bevat geen illustraties.

 

Mulder was arts in Rotterdam en werd later benoemd tot hoogleraar Farmacie en chemie in Utrecht. Dit boekje schreef hij naar aanleiding van een vraag van de minister van Koloniën: ‘Heeft de Neger in Suriname voedsel genoeg aan de bananen en den visch, die hem wekelijks wordt toegediend?’ Mulder bestrijdt de gedachte dat het niet uitmaakt wat men eet, als het maar aan de smaak voldoet en de maag vult. De meeste mensen in de wereld hebben geen enkele keuze in wat zij eten. Er is voedsel dat de maag vult, maar dat door gebrek aan eiwitten te arm is om als krachtvoedsel te dienen: ‘Het hoofdvoedsel, aan den Neger toegediend, zijn bananen’.
Er volgt een chemische analyse van het voedende bestanddeel van de bananen; het bananenmeel. Dit bananenmeel bevat zoveel amylum (zetmeel) dat het te vergelijken is met rijst en aardappelen. Maar Mulder kent geen enkele voedingsstof die zo weinig eiwitten bevat als bananenmeel. Aan een Nederlandse soldaat wordt door de Staat per etmaal minstens honderd ‘wigtjes’ (gram) eiwit voorgeschreven. Zou men iemand dezelfde hoeveelheid eiwit in bananenmeel willen voorschotelen, dan zou deze tien kilo per etmaal moeten eten. Die hoeveelheid kan de maag niet verdragen. Zou men ‘de arme Neger’ slechts één kilogram geven (in de praktijk was dat veel minder) dan zou deze een tiende binnenkrijgen van wat nodig geacht werd voor een man van middelbare leeftijd. Zelfs als dit wordt aangevuld met gedroogde vis, dan krijgt hij nog steeds slechts twee vijfde van wat een soldaat in vestingsdienst voorgeschoteld krijgt. Nog erger is de situatie voor de kinderen die uitsluitend van bananenmeel leven. Er is in Suriname een hoog sterftecijfer onder kinderen. Vele ‘Negerkinderen’, schrijft Mulder, komen om van gebrek, terwijl er ‘geen enkele van de honger schreeuwt’.
Het woord slavernij komt in het hele boek niet voor. Mulder mengt zich niet in het debat over afschaffing van de slavernij dat in Europa plaatsvindt. Hij moet dan ook zeker niet als abolitionist worden gezien. Maar met zijn pleidooi voor beter voedsel voor de arme bevolking (lees: slaven) liet hij toch een afwijkend geluid horen. Mulder concludeert dat men in Suriname niet krijgt wat nodig is om met ‘lust en ijver’ te werken, voor kinderen om te groeien en voor vrouwen om gezonde en krachtige kinderen ter wereld te brengen. Het dieet moet gevarieerder en bananen dienen deels te worden vervangen door vlees, vis, tarwe, rogge en peulvruchten. Daaraan voegt hij toe: ‘Of de kleur der huid bruin of wit zij, doet hier evenmin iets af’.


De voeding van den Neger in Suriname, G.J. Mulder, Rotterdam 1847, H.A. Kramers, 1847.