donderdag, 16 september 2010

FayaLobi, oktober

Geschreven door 

Hij had er lang voor gespaard. Maar toen mijn zoon eindelijk op zijn fiets naar de winkel ‘boorde’ om zijn game te kopen, reden dieven hem klem en weg was het geld. De politie vroeg hem – dit alles speelde zich zo’n tien jaar geleden af – of hij voor de rechtbank wilde getuigen, want de dieven waren ook betrokken bij een roofoverval met moord bij Theater De Paarl.
In werkelijkheid betekende getuigen drie ochtenden in een rechtszaaltje zitten, want steeds moesten andere vergrijpen worden behandeld. Als verdachten binnenkwamen, meestal jongens van rond de twintig, keken ze eerst de zaal rond; vaak was er niemand die ze kenden. Dan gingen ze maar zitten, sommigen met gebogen hoofden, anderen stoer het hoofd rechtop, en de rechter begon te spreken. Eerst op de beschermende toon van een vader en als de bekentenis al of niet was losgepeuterd, volgde een meedogenloos oordeel. Een first offender die één kettinkje had gestolen, kreeg twee jaar. Een schooljongen die een paar maanden had gechauffeerd voor een roversbende, hoorde vijf jaar gevangenisstraf eisen.
Er zat ook een ambtenaar tussen, die zo lang wachtte op zijn definitieve benoeming dat hij zijn uniform maar vast was gaan dragen. Hij mocht voor een jaar de bak in. U moet weten, in die tijd kregen dronken hardrijders die mensen letterlijk de benen van het lijf reden, nauwelijks straf; net zomin als ooms die peuters verkrachtten of ministers die in de staatskas graaiden.
Eindelijk kwam de roofoverval met moord van De Paarl voor. De getuigenverklaring werd voorgelezen. Ik hoorde over dreiging met vuurwapens; daar had ik mijn zoon niets over horen vertellen, maar als je in de zaal zit, moet je je mond houden.
Toen pas werd mijn zoon naar binnen gebracht, hij was erg zenuwachtig. Hij hoefde niet bang te zijn, zei de rechter. Mijn zoon zei dat hij zijn aanklacht in wilde trekken en begon te huilen.
De rechter begreep hem niet, ‘die jongens op die bank daar’ konden hem niets meer maken. Er volgde een pijnlijke stilte, maar mijn zoon wilde niets meer zeggen. Toen stond ik op en zei: ‘Hij trekt de verklaring niet in omdat hij bang is. We hebben drie dagen in de rechtszaal gezeten en we zijn onthutst over de straffen die worden uitgedeeld’.
De ogen van de rechter schoten vuur: of ik onmiddellijk mijn mond wilde houden! Om zijn woorden kracht bij te zetten sloeg hij wild met zijn hamertje. De jongens zouden tussen de acht en vijftien jaar krijgen. Hun vaders en moeders gingen vrijuit, dacht ik nog, ze hadden niet eens aanwezig hoeven te zijn. Toen we de volgende dag wilden uitzoeken of we de getuigenverklaring konden inzien, liepen we tegen de bekende blinde muur.