zaterdag, 21 februari 2015

Het depot van het Surinaams Museum

Geschreven door 

Museumdirecteur Laddy van Putten: “We hebben hier voorheen wel eens een tentoonstelling gehouden, maar na de opening zakte de belangstelling al gauw weg. Het depot ligt toch in een buitenwijk.” En inderdaad, zo is het overal. Museumdepots liggen vaak wat afgelegen, soms zelfs op industrieterreinen en zijn nooit vrij toegankelijk voor publiek. Want hoe bescherm je de kostbare collectie als iedereen zomaar in stellages zou kunnen snuffelen, ladekasten open kan trekken of de katoenen lappen opzij zou schuiven die het stof van de voorwerpen weg moeten houden? Maar het blijft jammer, want een korte wandeling door het depot zou elke Surinamer met trots vervullen.

Van Putten, van huis uit antropoloog, daarna werkzaam in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden, en nu al weer zo’n 25 jaar bij het Surinaams Museum, noemt de uitzondering: “Soms ontvangen we gasten in ons depot, zoals laatst van het Joods Historisch Museum te Amsterdam, waar ze de tentoonstelling ‘Joden in de Nieuwe Wereld’ voorbereiden. Ze krijgen enkele voorwerpen in bruikleen.”

Het gaat redelijk met het museum, vertelt Van Putten. De meeste bezoekers zijn weliswaar toeristen en schoolkinderen, want ‘de doorsnee Surinamer’ laat het wat afweten, maar daar werken ze aan: “In het Surinaamse cultuurbeleid zijn vooral zang, dans en theater belangrijk, waarschijnlijk omdat je daarmee naar buiten kan treden. Voor ‘roerende zaken’ zoals onze collectie is minder aandacht, dat vinden we wel jammer.” Van Putten aarzelt even: “We hadden voor Gebouw 1790 een plan gemaakt voor een groot museum van beeldende kunst annex prentenkabinet annex kenniscentrum. Toen we in 1997 vijftig jaar bestonden, hebben lokale kunstenaars de handen ineen geslagen en allemaal een werk gedoneerd, opgeteld een stuk of dertig. Onze beeldende kunstcollectie, die vanaf het ontstaan van de stichting is opgebouwd, geeft niet echt een overzicht, maar als er in Suriname ooit een museum voor beeldende kunst komt, dan hebben wij de basis, al is het door de jaren heen nog geen evenwichtige collectie geworden. We hebben nooit meer iets gehoord over onze plannen voor Gebouw 1790. Maar goed, laten we niet klagen, we krijgen tenslotte subsidie van het directoraat Cultuur, daarmee redden we ons net en verder zijn we gelukkig een particuliere stichting, waarmee je toch beschermd bent tegen een grillige overheid.”

Het prachtige gebouw in de wijk Zorg en Hoop is rond 1950 neergezet als conservatorium, maar dat heeft er nooit in gezeten. Het werd betrokken door verschillende wetenschappelijkeinstituten en het Surinaams Museum, dat de beschikking kreeg over de grote centrale zaal. In 1968 werd het gebouw overgedragen aan het museum en werd de hoge concertzaal met de helft verlaagd door er een plafond in te zetten, waardoor er een enorme zolder bij kwam. Hetzelfde gebeurde jaren later met de bibliotheek. Zo is het gebouw van binnen weliswaar aangetast, maar de veranderingen bleken het museum goed van pas te komen, want de ruimte was nodig. Beneden staat het vol meubilair, beeldende kunst en textiel. Boven etnografica en archeologie. En dan is er nog de bibliotheek. Te veel om op te noemen.

Zo veel, dat we opmerken dat er de afgelopen eeuwen kennelijk flink verzameld is. “Dat is een misvatting”, corrigeert Van Putten, “we moesten na 1947 opnieuw beginnen. Het Koloniaal Museum was dan wel van kort na 1863 en er werd in de jaren daarna een mooie collectie opgebouwd, toch kwam de klad erin. De belangstelling verzwakte, de collectie verpieterde en het museum, ondergebracht in het Gouvernementslogeergebouw, waar nu het kantongerecht staat, werd in 1908 opgeheven. Tot er protesten kwamen, vooral vanuit het onderwijs. Met het restmateriaal is toen een schoolmuseum opgezet, maar ook dat werkte niet en in 1930 is alles op de veiling gegooid. Doodzonde, want er zijn dingen over de wereld verspreid en nooit meer terug gevonden. Ik zag in de advertentie voor de veiling bijvoorbeeld dat een kist met gegraveerd glaswerk van de plantage Nijd en Spijt geveild is. Dat was de koffieplantage van Susanna du Plessis, historisch interessant en het zal mooi glaswerk geweest zijn. Zo jammer! Dus wat je hier in het depot ziet, is de sinds 1947 nieuw opgebouwde collectie. Veel is in het verleden verzameld uit ons aankoopbudget, maar we hebben ook zeer veel schenkingen gehad.”

Beneden in het fotoarchief werken Jenny en Erienne aan de digitalisering van de collectie. Van Putten is er dolgelukkig mee. “Ze zijn de enigen in Suriname met een echte museumopleiding, de Reinwardt Academie te Amsterdam, een vierjarige hogere beroepsopleiding. Ze liepen hier stage, maar zijn teruggekomen en daar ben ik enorm blij mee. Ik had het zo druk dat ik bij nieuwe voorwerpen in de haast korte potloodaantekeningen maakte, die worden nu uitgewerkt. Is digitaliseren van een voorwerp nog wel te doen, de inhoudelijke beschrijving is vooral tijdrovend. Het gaat om de achtergrondinformatie van het voorwerp. Is dat klaar, dan zetten we het op ons computernetwerk, ook verbonden met de bibliotheek.”

We vragen of hij al naar het Marronmuseum in Pikin Slee is geweest. “Nee, tot mijn spijt nog niet, maar ik hoor positieve verhalen. Toch zou ik, om op je vraag te antwoorden, onze spullen niet meteen uitlenen. Het is niet goed beveiligd, zoals evenmin het geval was met het museum Fort Nieuw Amsterdam. Ik kwam op een dag enkele ‘aktes van bruikleen’ aan dat museum tegen, maar de betreffende objecten zijn allemaal weg. Niets hebben ze meer. Het is inmiddels wel vijftig jaar geleden hoor, ik had die voorwerpen zelf ook nooit gezien. Maar het is nog steeds niet elektronisch beveiligd, dus daar heb ik een dubbel gevoel bij: je wilt natuurlijk wel, maar de garanties zijn er niet.”

Wat hij nog zou willen? “Iets meer personeel, een conservator bijvoorbeeld, zodat we onze tentoonstellingen in Fort Zeelandia vaker kunnen wisselen. Dat je meer uit het depot kan putten. Verder werken Jenny en Erienne in deeltijd, dat is veel te weinig. En iemand voor het onderhoud van de gebouwen, een technische dienst dus. Het grootste deel van het budget gaat zitten in het onderhoud van de gebouwen en dan moet het eigenlijke museale werk nog komen. Vooral de historische panden eisen erg veel onderhoud en het geld daarvoor wordt onttrokken aan het eigenlijke museale doel van de stichting. Dat is wel een punt van zorg.”