zondag, 01 maart 2015

De rode draak en de korjaal

Geschreven door  Quirine Meester

Je hebt misschien altijd gedacht dat draken alleen voorkwamen in Chinese mythes en westerse verhalen over stoere ridders. Maar niets is minder waar. Ook in Suriname zijn ze gesignaleerd. Tenminste, volgens de overlevering. Eén van die verhalen speelt zich af diep in het bos achter Abenaston. Daar stond een grote, oude boom. Hoe oud die boom precies was, wist niemand. Maar de kinderen in het dorp kenden de verhalen van hun overgrootvaders, die vertelden dat zij er als kind al in klommen, dus die boom moet echt oud zijn geweest.

In die tijd hadden tienerjongens nog respect voor ouderen. De verleidingen van de stad en allerhande bling bling waren onbekend en lonkten nog niet. Vooral moeders werden op handen gedragen. Zo ook door Kekibo, een flinke en gezonde knul. De verjaardag van zijn moeder kwam eraan en hij wilde haar daarom eens extra verwennen met een mooi cadeau. De korjaal waarmee zij de rivier overstak om naar haar kostgrondje te gaan, had zijn langste tijd wel gehad. Bovendien was die wel erg klein; soms moest ze drie keer per dag heen en weer peddelen om de oogst van cassave, bananen en andere lekkere dingen op te halen. Zou ze alles in één keer meenemen, dan zou haar korjaaltje vast en  Dus zou hij een mooie grote korjaal voor zijn moeder maken. Hij wist hoe dat moest; zijn vader en grootvader hadden hem dat geleerd. Maar voor een korjaal heb je de juiste boom nodig, zodat die uit het goede hout kan worden gesneden. Met zijn vriend Jolo trok hij enkele weken voor de verjaardag bosinwaarts om een geschikte boom te zoeken en te kappen. Ze kwamen uiteraard veel bomen tegen, ze liepen immers in de jungle. Maar geen daarvan beviel Kekibo. Totdat ze bij de grote oude boom aankwamen.

Kekibo bestudeerde de woudreus even en zei tegen Jolo: “Ik wil dat van deze boom een korjaal wordt gemaakt voor mijn moeder!” “Maar dat is de grote oude boom!” wierp Jolo direct tegen. “Ach, het is maar een boom, hij staat er toch alleen maar nutteloos te staan. Mijn moeder gaat trots zijn dat ze hier een korjaal van krijgt.”

Tja, daar kon Jolo weinig tegenin brengen. Ze begonnen uiteindelijk te kappen. Maar ze waren nauwelijks bezig, of de boom begon te trillen en onder de wortels begon het plots te rommelen. En opeens kwam daar een rode draak te voorschijn! Die had diep onder de wortels van de boom al een eeuwigheid liggen slapen. Door het heftige gehak in de boomstam werd hij wakker, schoot als een rode vlam uit de grond vandaan, langs de stam omhoog, spreidde zijn vleugels in de boomkroon en vloog als een rode vuurpijl weg naar de horizon. En op hetzelfde moment donderde de boom met luid geraas neer op de aarde.

Kekibo en Jolo waren met stomheid geslagen. Maar ze hadden nog nooit in hun leven een draak gezien – ze wisten zelfs niet van hun bestaan af – dus ze waren alweer snel van de schrik bekomen. Ze waren maar wat blij dat de boom spontaan was gevallen; dat scheelde een hoop inspannend kapwerk! “Zie je wel,” zei Kekibo, “het was een oude, waardeloze boom. Die kunnen we gerust gebruiken.”

Ze begonnen de boom te ontdoen van bladeren en van takken. In de dagen daarna werd de stam met behulp van de sterke mannen uit het dorp naar de rand van de woongemeenschap gesleept. Buiten het zicht van moeder, want het moest een echte verrassing zijn. Wekenlang werkte Kekibo keihard om er een mooie korjaal van te maken. Soms alleen, maar er waren ook dagen dat Jolo en andere vrienden meehielpen.

Precies op tijd waren ze klaar, zodat hij zijn moeder op haar verjaardag de korjaal kon schenken. Ze kon haar ogen niet geloven! Ze huilde zelfs van geluk en omhelsde de trotse Kekiba. Ze wilde er natuurlijk gelijk mee varen. En dus werd de korjaal in het water getrokken zodat moeder kon instappen. Ze peddelde zingend weg. Maar na enkele tientallen meters stopte het zingen en begon de korjaal vervaarlijk te schommelen. Moeder gilde, maar het was al te laat: voordat iemand het besefte, was de korjaal omgeslagen en verdween moeder in de diepte om niet meer boven te komen. Haar lichaam werd nooit gevonden.

Kekiba was natuurlijk ontroostbaar en voelde zich vooral schuldig. Maar ja, het leven gaat verder en de mensen in het dorp pakten de draad van het dagelijks leven weer op. Een week na het drama kwamen de dorpsoudsten naar Kekiba om te vragen wat ze nu met de korjaal moesten doen. “Weg daarmee, uit mijn ogen!” schreeuwde hij. “Ik wil dat ding nooit meer zien!”

Met vereende krachten wisten ze het gevaarte op te tillen en een paar honderd meter buiten het dorp onder donkere bosjes te duwen. Naarmate de tijd verstreek, raakten de korjaal en het vreemde voorval vergeten. Maar als je de korjaal daar zo zag liggen, was het net of die lag te dromen. Te dromen van de tijd dat hij nog een jonge sterke boom was, geworteld in de aarde, met zijn bladerkroon opgericht naar de hemel... Van vogels, nesten bouwend in zijn takken! Hij droomde van alle sibibusi’s die hij had overleefd. Hij droomde van alle jaren van oorlog die hij had gezien onder de mensen, van alle jaren van vrede die hij had meegemaakt... Hij droomde van alle kinderen die ooit hadden gespeeld aan de voet van zijn stam... Zo gingen nog vele jaren voorbij.

Op een zekere dag stond er heel vroeg in de ochtend een man midden in het dorp, dicht bij de krutu oso. Hij was van top tot teen in een vuurrood gewaad gewikkeld. Hij zei: “Ik heb gehoord dat er hier een korjaal moet zijn en dat het niemand lukt om ermee te varen. Ik zou het graag eens proberen.” Dat werd hem door alle dorpelingen ten sterkste afgeraden: “Je lijkt wel gek! Een van onze vrouwen heeft door die vervloekte korjaal zelfs een ongeluk gehad! Maak dat je wegkomt!”
“Toch wil ik het proberen.”
“Man, je gaat letterlijk ten onder, de pirens zullen je opvreten! Geloof het nou!”
Maar wat ze ook zeiden, de man hield vol: “Ik wil het toch graag proberen.”

De dorpsoudsten besloten een krutu te beleggen, terwijl de man geduldig wachtte. Uiteindelijk zeiden ze: “Goed! Op je eigen verantwoording!” En dus werd de korjaal uit zijn vergeethoek gesleept en een beetje opgelapt. Vervolgens liep de man negen maal om het vaartuigje heen. Daarna legde hij zijn ene hand op de korjaal, als een ruiter die zijn paard wil kalmeren.

“Nu kan de korjaal in de rivier worden gelegd”, zei de man. Toen dat was gebeurd, stapte hij vol zelfvertrouwen in. De bewoners van het dorp keken gespannen en ademloos toe, bevreesd voor hoe dit zou aflopen. Maar wat gebeurde, had niemand verwacht: eenmaal in de korjaal veranderde de man in een rode draak en zei: “Zo, nu heb ik terug wat jullie van mij hebben genomen. De boom die jullie hebben gekapt, had een eigen wil en luisterde alleen naar mij. Dus jullie hebben het ongeluk zelf over je afgeroepen.” Toen pakte hij zijn peddel en voer met ongekende snelheid de rivier op, de dorpsbewoners verbijsterd achterlatend.

Niemand heeft hem ooit nog teruggezien. In het dorp werd afgesproken hier nooit meer over te praten. En daarom wordt altijd gedacht dat draken in ons land niet voorkomen.