zondag, 21 juni 2015

Pastelparadijs

Geschreven door  Cobi Pengel

We leven in de kleurige wereld rond de regenboog. Het rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet is overal. Het doordringt niet alleen alles om ons heen, maar ook wijzelf dragen de kleuren met ons mee, zowel van binnen als van buiten. Het bijzondere is dat de kleuren heel zacht zijn, niet felrood, fel oranje, felgeel, felgroen, felblauw, fel indigo of fel violet. Onze kleuren zijn pastelkleuren. Ze bezitten het vermogen bestendige liefde en harmonie te scheppen en alle negativiteit te weren. Daarom noemen we de wereld waarin we leven ‘het pastelparadijs’. We kennen geen enkele vorm van geweld: geen ruzie, geen oorlog, geen verdriet, geen honger. We voeden ons met het licht van de zon en drinken van de regen en de nevelpareltjes van de regenboog. Daaruit putten we onze energie om te leven. Niemand is de baas. We zijn allen gelijk. Geen smet bezoedelt ons pastelparadijs.

We kennen geen verschil in geslacht. Wanneer de liefde tussen twee of meer van ons zo overweldigend is geworden dat er behoefte ontstaat aan voortplanting, dan veranderen we in wervelende kleurkolommen die een veelkleurige dans uitvoeren, beginnend met een liefdevolle solo. Geleidelijk vloeien we in elkaar over met opwindende bewegingen, dicht bij elkaar, door elkaar heen. Wanneer het tempo zo razendsnel is geworden dat de kleuren een duizelingwekkende eenheid hebben bereikt en een eindeloze vrije val van pure extase beleven, maakt zich een klein wolkje los dat vanaf dat moment een op zichzelf levend individu is. Kleuren zijn aanvankelijk nog moeilijk te onderscheiden: het bijna-wit neemt langzaam de pastelkleuren aan van het spectrum… Zo planten we ons voort in ons pastelparadijs.

Na een lang en gelukkig leven beginnen onze kleuren geleidelijk te verbleken, totdat ze weer het bijna-wit van de geboorte hebben bereikt. Ze lossen daarna volledig op, om ooit opnieuw uit enkele intens met elkaar verbonden kleurkolommen geboren te worden. Zo wordt de kringloop volbracht… Zo sterven we in ons pastelparadijs.

Na talloze geslachten beseffen we nog steeds de waarde van het voorrecht dat we erfden van onze verre, verre voorouders die de jakobsladder mochten beklimmen om in het pastelparadijs verder te leven. Niet alleen het land in alle vier windrichtingen beneden erfden we van onze verre, verre voorouders, maar ook dat daarboven. De ladder werd daarna nog enkele malen neergelaten om de nieuwsgierigen en de zachtmoedigen de kans te geven hem te beklimmen. Velen maakten daarvan gebruik en wie het beviel, besloot te blijven.

We hebben er de regenboog ontmoet, die ons niet alleen kleuren schonk, maar ook het vermogen om het contact met de wereld beneden niet te verliezen. Daardoor kennen we maar al te goed het leven in die wereld. En de mensen die er wonen, slapen en slechte dromen hebben. De kleuren van het spectrum zijn er niet zacht zoals bij ons, maar fel en hard. Ze veroorzaken disharmonie, oorlogen, wreedheid, pijn, machtswellust, verdriet en jaloezie. Iedereen wil de baas zijn. Het is er allesbehalve een paradijs. Natuurlijk zijn er ook kleurschakeringen tussen de felle, harde kleuren en de zachte van ons pastelparadijs. Maar die zijn niet krachtig genoeg om de negativiteit te laten verdwijnen.

In de wereld beneden zijn er twee verschillende geslachten nodig om een nieuw leven te laten beginnen. Dit gaat niet zoals bij ons gepaard met een harmonieuze, wervelende dans die tot een hoogtepunt leidt. Met genot, maar ook met pijn, beide felrood: het opwindende van de wellust en het duistere, vuilrood van pijn en bloed.

Bij het sterven is er geen vanzelfsprekend langzaam proces van verbleking van de kleuren, geen zekerheid van terugkeer in de eeuwige kringloop. Wat overblijft, wordt begraven in koude, kleurloze aarde om er langzaam tot stof over te gaan. Of het wordt verbrand door felrode tongen die de gestorvene overal gretig likken tot er slechts smeulende, langzaam koud wordende as overblijft.

We bedachten een plan om de jakobsladder voor de laatste maal neer te laten om enkelen van ons te laten afdalen naar die harde wereld in een poging de felle kleuren te laten verbleken tot pastelkleuren, om de dromende slapers te wekken en ze een laatste kans te geven. Om samen met ons de jakobsladder te beklimmen en het geweld beneden voorgoed de rug toe te keren.

Voor we vertrokken - ik behoorde tot de groep uitverkorenen - zag ik nog net hoe rood-boven en violet-beneden van de regenboog elkaar een knipoog gaven. Want de regenboog was natuurlijk een deel van ons plan. Die had immers steeds voor ons contact met de dromende slapers gezorgd. Terwijl we trede na trede afdaalden, veranderden onze zachte kleuren in de harde kleuren van de wereld waarheen we op weg waren, zodat we niet zouden opvallen. Maar al werd onze zichtbare buitenkant fel van kleur, het bleek onmogelijk onze onzichtbare binnenkant aan te passen. We bleven de zachtmoedigen in een wrede wereld waarvan we de waarheid maar al te gauw ondervonden. We maakten kennis met alle negatieve uitingen die er maar bestonden en ook kregen we honger en dorst.

Het licht van de zon, de regen en de nevel waren niet in staat door het pantser van hardheid te dringen om ons pastelkleurige innerlijk te voeden. Met geweld werden we gedwongen onze lichamen te laten overmeesteren. Geen liefdesdans, gevolgd door de innige omstrengeling van twee of meer zoals we dat kenden. Grijs en grauw was de kleur van deze ‘liefde’, vuilrood en pijnlijk vloeide het bloed na een eerste keer. Er ontstond geen nieuw leven uit deze gedwongen eenwording. We hebben er ook niet op gewacht. We beseften dat het ons niet zou lukken de dromende slapers te wekken, ze zo ver te krijgen om als wakkeren en zachtmoedigen de jakobsladder te bestijgen. We wilden terug naar ons pastelparadijs, maar konden in onze verwarring de jakobsladder niet meer vinden. We waren te ver afgedwaald en te veel verzwakt…

Maar zie: daar was de ons zo vertrouwde regenboog, met treden die breder en gemakkelijker te bestijgen waren dan die van de jakobsladder. We klommen haastig, ons intussen gretig voedend met het ons verwelkomende licht en de tranen van de regenboog. Nog voor we halverwege waren, was onze tijdelijke vermomming van felle kleuren verbleekt. De pastelkleuren hadden ons innerlijk geen moment verlaten. Ze hadden de weg naar buiten gevonden, zodat we weer geheel onszelf waren toen we de top van de regenboog bereikten. De zeven kleuren waaierden teleurgesteld uiteen. Misschien kwam er ooit nog een andere kans… in een andere tijd… om de slapenden te laten ontwaken in het pastelparadijs van de jakobsladder, de regenboog en de zachtmoedigen.