maandag, 21 september 2015

Djakata

Geschreven door  Theo Ruyter

Een slecht product wordt niet plotseling goed wanneer de maker zegt dat hij er ontzettend goede bedoelingen mee heeft gehad. Of wanneer hij een bevriende dan wel onnozele journalist laat opschrijven dat het om een ‘red carpet event’ gaat. Dat geldt voor de film Djakata, die op 25 juni in première ging in TBL Cinemas te Paramaribo. De film hield het daar drie weken vol, maar toen Parbode op een goeie dag – het was geen strandweer – vol verwachting plaatsnam in zaal 2, waren de overige toeschouwers op één hand te tellen.

Het begin was veelbelovend: prachtige panoramische beelden van onze hoofdstad, die de vraag opriepen: ‘Wat zou zich daar beneden allemaal afspelen?’ Dat wordt genieten! Maar toen we de twee hoofdfiguren Rishi en Dayo, een soort schoolmati’s, eenmaal hadden leren kennen en daarmee ook het hoofdthema van de film -het wederzijds racisme tussen ‘dyuka’s’ en ‘kuli’s’- ontvouwde zich een graatmager verhaal met veel toeters en bellen, die kennelijk de indruk van een boeiende én spannende film moesten wekken. Dat Rishi, een niet meer zo jonge Hindostaan met een hip staartje, door de vader van Dayo als ‘ding’ werd bejegend, zoals andersom Dayo door de moeder van Rishi, konden we nog wel volgen. Maar dat ook Rishi in de stad cd’s en dvd’s moest zien te verkopen, omdat hij (net als Dayo) in de schuld stond bij een halve rasta, was al minder geloofwaardig.

Toen de twee sukkels zich een half uur later opeens, zonder dat ons iets werd uitgelegd, ontpopten als ervaren inbrekers die geweld niet uit de weg gingen, dachten we: ‘Huh?’. En toen ze vervolgens, enkele sprongen in het verhaal verder, schatrijke én staatsgevaarlijke bandieten bleken te zijn voor wie Suriname te klein werd, waren we allang vergeten dat Dayo ooit een djakata (speciale armband) van zijn oom de bonuman had gehad, waarmee hij zich onschendbaar kon wanen. Inmiddels verbaasden we ons nergens meer over, dus ook niet over het feit dat de twee vrienden uiteindelijk hun criminele avonturen met de dood moesten bekopen. Een heel prettige bijkomstigheid van de film is, afgezien van de gebruikelijke spelfouten, dat alles wat – in welke taal dan ook – wordt gezegd of desnoods gedacht, zeer leesbaar in het Nederlands wordt ondertiteld. Temeer omdat de film zich voor een deel in het buitenland afspeelt en er vooral nogal wat Frans in voorkomt (met het oog op de buitenlandse markt?). Daar kunnen heel wat mensen in de filmwereld een voorbeeld aan nemen.

De film zelf echter is een belediging voor de filmliefhebber. Die zal zich voortaan nog langer achter de oren krabben voordat hij weer een kaartje koopt om een product van eigen bodem te zien. Het scenario rammelt aan alle kanten, de acteursprestaties zijn op een enkele rol of scène na beneden de maat, het camerawerk is zeker in de tweede helft van de film slordig, de soundtrack storend en de ‘titelsong’ van drie woorden – I love Sranan – slaat nergens op.

Tot overmaat van ramp wordt op het eind nog een poging gedaan dat alles goed te maken met een zoetsappig slotwoord over normen en waarden, terwijl op het scherm een gezellig samenzijn wordt getoond van de moeder van Rishi met de ouders van Dayo, die elkaar vinden in de vreugde over de zwangerschap van Dayo’s zusje, op wie Rishi door alle wederwaardigheden heen een oogje had gehouden!

Met een strakke montage had een professional er misschien nog iets van kunnen maken, maar dat zou dan waarschijnlijk geen volwaardige bioscoopfilm meer hebben opgeleverd. Laat regisseur en hoofdrolspeler El Durando Misiedjan nu maar eens een échte komedie proberen. En dan eerst een jaartje kijken naar films van collega’s die wél de kneepjes van het vak kennen. Dan kan hij zich in de toekomst de geldverspilling voor het maken van een schaamteloze nepfilm besparen.

Djakata, El Durando Misiedjan (regie), 2015, Para’s Media en Baja Films