dinsdag, 22 september 2015

George Struikelblok en het gemis van zijn vader, tweede aflevering

Geschreven door  Jaap Hoogendam

De jongste tentoonstelling van George Struikelblok in Amsterdam is bij het verschijnen van deze Parbode net afgesloten, dus waarom zouden we er nog aandacht aan schenken? Een beetje omdat we toevallig ook in die stad waren, om de hoek haast van Galerie 23. Gespecialiseerd in Afrikaanse kunst, maar ‘we doen Suriname erbij’, aldus galeriehouder Fons Geerlings. Medewerkster Priscilla Tosari, kunsthistorica en dochter van de bekende Surinaamse kunstenaar René Tosari, zal daar zeker de hand in hebben gehad.

Voor Struikelblok is het al de vierde tentoonstelling in deze galerie; in 2010, 2011 en 2012 hing hij er ook. Niet opmerkelijk, want er is geen Surinaamse kunstenaar met zo veel tentoonstellingen. Toch hoorden we weinig van hem de afgelopen drie jaar. Wat was er gebeurd? Hij ligt de sluier zelf op, want mailt: ‘Tijdens mijn verblijf in Vermont (VS) in 2011 heb ik een aantal werken gemaakt die gebaseerd zijn op de dood. Al die jaren zijn de werken opgeborgen geworden en nu is de tijd rijp om ze tentoon te stellen.’

We werden nieuwsgierig, ook omdat we al eens schreven over zijn worsteling met de vroege dood van zijn vader. Hij mailde terug dat hij hoopte dat we zouden komen, en: ‘het werk dat ik ga laten zien is trouwens gebaseerd op het gemis van de vaderfiguur (...) en ook enkele nieuwe ontdekkingen.’ Zou onze zoektocht naar zijn roots een vervolg hebben gekregen? Dat was de tweede reden om op een druilerige zondagmiddag de fiets te pakken; om van zijn kunst te genieten en om hem zelf te spreken en te vragen wélke nieuwe ontdekkingen.

We zijn fan van zijn werk, en zo zijn er meer, want het was druk op de opening van de nieuwe expositie. Prachtige kunstwerken, op de website van de galerie mooi beschreven door Rob Perrée, die tegenwoordig een aardige serie over kunst schrijft voor de Ware Tijd. Zo treffend, dat we er zelf maar niet aan beginnen: ‘Het oeuvre van Struikelblok wordt al vele jaren gekenmerkt door een grote levendigheid, in het oog springende, contrasterende kleuren, zwarte lijnen die suggereren omtreklijnen te zijn, geabstraheerde menselijke figuren, terugkerende symbolen, rijtjes letters zonder een vaste betekenis en Pollockiaanse druppels als een bindende factor. Het zijn werken die vooral opgeruimdheid en vrolijkheid uitstralen’. Daarna waarschuwt Perrée toch voor de voorspelbaarheid van zijn werk, dat ‘ondanks de kwaliteit de verrassing uit kan blijven’, om dan te vervolgen met ‘Struikelblok moet dat zelf ook gevoeld hebben. Opnieuw is het een gebeurtenis in zijn privéleven die hem tot ander werk heeft gebracht.’

Die gebeurtenis kennen we, want het onderwerp komt steeds terug. Op de website van de galerie treffen we in het stuk van Perrée ook de zoektocht van Parbode aan, want die tocht ‘levert tevens het bewijs dat de vader van Struikelblok pas na de geboorte van zijn zoon is overleden. Er duikt en passant ook een foto van de man op. Een jarenlang trauma krijgt een gezicht.’ De foto van de biologische vader Oedraisingh Kewalsingh, beter bekend als Bhaja, die we veertig jaar na zijn dood bij zijn broer opduikelden. We zien op de onscherpe foto een hulpeloze jonge man in een looprek op de veranda van het ziekenhuis. Beide heupen gebroken bij de val uit een boom. We drukten de foto groot af en we zien hem plotseling op de tentoonstelling terug.

Nou zeggen ze wel eens dat in een land journalisten de vijfde macht vormen, maar in Suriname is dat zeker niet het geval. De eerste vier machten zijn al nauwelijks te onderscheiden, zo samengebald ze al jaren zijn in een corruptieve elite die elkaar ontziet en de bal toespeelt. Dat kritische journalisten ongemoeid worden gelaten, is het teken hoe weinig macht ze hebben. Niks vijfde macht dus, want het gaat niet veel verder dan de door ons gevonden foto die we terug zien in een kunstwerk van Struikelblok. Wat een verrassing en wat een emotie, zeker toen we de ondertitel lazen bij het hier afgedrukte kunstwerk: ‘Pa Pa Pa’.

Wat die ontdekking dan was, vroegen we Struikelblok. Het zou niet om een Kewalsingh gaan, maar om een Keolsingh, antwoordde hij. Nou worden bij Burgerzaken wel vaker namen verkeerd gespeld, dus dit hoeft weinig te betekenen. Verder spraken we hem nauwelijks, maar het werd gezellig, lekker Surinaams, veel tories. Of we hem komende week nog even konden spreken? Moeilijk, want hij moest nog op en neer naar Venetië.

Reizen en overal exposities dus. Dat succes versterkt misschien ook het gemis, want wil niet elke zoon zijn vader bewijzen hoe goed het met hem gaat? Maar aan wie zou hij het moeten vertellen dan? Als je biologische vader al doodging rond je geboorte, als de adoptievader Struikelblok na een paar jaar ook overlijdt, en als je vervolgens opgevoed wordt door ‘een oudere heer die me nooit het gevoel gaf dat hij een vader voor me wilde zijn, wat hij wel was voor zijn eigen kinderen’ (Parbode, augustus 2014), aan wie kun je dan laten zien dat je het gemaakt hebt? Aan de familie Struikelblok in ieder geval wel, verre familieleden van de al veertig jaar geleden overleden adoptievader. Zij waren wel aanwezig op de expositie, dat is toch bijzonder. De eigenlijke familie van de Surinaamse kunstenaar George Struikelblok, zo zal hij het voelen en zo blijft hij heten.