donderdag, 28 januari 2016

Royaal gebaar

Geschreven door  Theo Ruyter

China is een machtige bevriende mogendheid van ons land. Het lijkt vooral op eenrichtingsverkeer vanuit Beijing met schenkingen en zachte financieringen voor projecten. Maar in ruil krijgt men natuurlijk wel wat terug in de vorm van royale concessies en lucratieve opdrachten voor Chinese bedrijven. Maar over wat ze nou echt met ons land voor hebben, doen de Chinezen hier ter plaatse maar al te geheimzinnig.

De oude supermogendheid werd even opgehouden bij de achterdeur, maar liet zich door niets of niemand weerhouden om op zijn lauweren te gaan rusten. De nieuwe houdt zich niet langer in en springt op het toneel om definitief zijn slag te slaan. Wij staan erbij en kijken ernaar, in het besef dat we ons opnieuw de kaas van het brood laten eten en ons, na verloop van tijd, achter de oren zullen krabben en elkaar machteloos toeroepen: ‘Houdt de dief!’ Toen de dekoloniseringsgolven van de jaren vijftig en zestig geluwd waren en de voormalige kolonisatoren probeerden hun belangen in de pas onafhankelijke staten te herwinnen of veilig te stellen, heeft de jonge Volksrepubliek China heel goed opgelet en zich uiteindelijk ontpopt als een tovenaarsleerling hors concours. Ze nam feitelijk het basispatroon van de zich ‘ontwikkeld’ noemende landen in hun relatie met de ‘ontwikkelingslanden’ over, maar hield stelselmatig vol dat ze gerekend diende te worden tot het kamp van de laatste.

Smeermiddel
Dat patroon werd gekenmerkt door twee hoofddoelen: in de eerste plaats het zich verzekeren van de aanvoer van (zo goedkoop mogelijke) grondstoffen in combinatie met de afzet van eigen halffabrikaten en eindproducten; in de tweede plaats de inzet van (ongeveer gratis) ontwikkelingshulp als smeermiddel, om de weg te plaveien voor het eigen bedrijfsleven (dat, bij voorkeur, zijn eigen broek moet ophouden). Dat patroon, op z’n Chinees, was al vroeg in Afrika te zien. Zo verschenen, na de revolutie, plotseling fabrieken en flatgebouwen op het eiland Zanzibar. En een jaar of wat later reed ik op een Chinese fiets

China is een machtige bevriende mogendheid van ons land. Het lijkt vooral op eenrichtingsverkeer vanuit Beijing met schenkingen en zachte financieringen voor projecten. Maar in ruil krijgt men natuurlijk wel wat terug in de vorm van royale concessies en lucratieve opdrachten voor Chinese bedrijven. Maar over wat ze nou echt met ons land voor hebben, doen de Chinezen hier ter plaatse maar al te geheimzinnig.

door Dar es Salaam, kocht ik Chinese tandpasta en mocht ik getuige zijn van de aanleg van een Chinese spoorweg van de kust van Tanzania naar Zambia in het hart van Afrika (waarvoor alles, inclusief arbeidskrachten, werd geïmporteerd). Destijds was er over en weer nog wel de nodige kieskeurigheid – de Muur was nog lang niet gevallen – maar tegenwoordig is het Chinese all over the place.

Terug naar Suriname, dat in mei 1976 de Volksrepubliek erkende. In het Britse blad Guardian Weekly, gelieerd aan Le Monde diplomatique, schreef Nicolas Bourcier eind juni van het afgelopen jaar dat in tien jaar honderden bedrijven, winkels, casino’s en restaurants in Suriname uit de grond waren gestampt of in Chinese handen overgegaan. Hij gewaagde dan ook van ons land als ‘proeftuin voor de Chinese ambities in Zuid-Amerika’.

Historische fase
Gelukkig nam de Chinese ambassadeur in Suriname Yang Zigang op 30 september, tijden een receptie naar aanleiding van de 66ste verjaardag van de Volksrepubliek, de moeite de stand van zaken eens uit de doeken te doen, omdat zijns inziens de relaties met Suriname zich bevonden in ‘een historische fase van veelomvattende en snelle ontwikkeling’. Allereerst wees hij op de ‘bilaterale pragmatische samenwerking’, met als hoofdbestanddelen het programma van schenkingen en de zachte leningen (tegen gunstige voorwaarden zoals geen of lage rente, TR).

In de categorie schenkingen vallen op het ogenblik (2011-2015) 24 containers met allerhande hulpmiddelen voor gebruik in de landbouw, 360 tractoren, tweeduizend computers, materieel (onder andere een groot aantal voertuigen) en kleding voor het leger; en (nog niet afgerond) benodigdheden voor het ziekenhuis in Wanica, het gemeenschapscentrum in Sophia’s Lust, duizend woningen, een verkeers- en beveiligingssysteem voor Paramaribo, onderhoud van het gebouw van het ministerie van buitenlandse zaken en uitrusting voor de opruiming van afval. Met deze laatste zes projecten is in total een bedrag gemoeid van 140 miljoen USdollar (VS), waarvan zestig miljoen voor de duizend huizen alleen. Waar die huizen worden geproduceerd, liet de ambassadeur op dat moment in het midden. Maar iedereen had natuurlijk nog de feestelijke opening van de fabriek van de Chinese multinational Broad Homes in Smalkalden in maart op zijn netvlies staan.

Zachte leningen hebben vooral betrekking op de wegen- en woningbouw. In totaal gaat het om 350 miljoen USdollar. In dit verband noemde de ambassadeur met name Dalian International Cooperation Company als betrokken aannemer. Ook herinnerde hij aan de deviezenovereenkomst tussen de Chinese centrale bank, die het Suriname mogelijk maakt zijn import van goederen en diensten in de Chinese munteenheid (RMB) te betalen in plaats van daarvoor internationaal meer gewilde valuta zoals de dollar te gebruiken.

Wat de handel tussen zijn land en Suriname betreft, benadrukte de ambassadeur dat de export naar China slechts twee procent beloopt van de totale export van ons land. Hij zou een stijging van dat percentage zeer toejuichen, maar dat beschouwde hij als een kwestie van vraag en aanbod. ‘Wij respecteren de wetten van de markt’, aldus Yang Zigang.

Niet mededeelzaam
Over de concrete financieeleconomische activiteiten van landgenoten binnen de grenzen van ons land was de ambassadeur in Suriname overigens niet zo mededeelzaam. Zo werd Parbode getroffen door zijn mededeling: “Er zijn geen grote Chinese ondernemingen actief in de sector natuurlijke hulpbronnen.” Vandaar dat we hem later, schriftelijk, de vraag hebben voorgelegd wat we dan moeten denken van een onderneming als China Mega Suriname Mining Investment Co. en hoe het staat met ondernemingen in de bosbouw en houtsector in het algemeen. Te meer omdat hij zich onlangs zeer lovend uitliet over de grootste export van rondhout die ons land ooit in één keer had meegemaakt. Export door een Chinees bedrijf (Tacoba logs exporting) en wel degelijk naar een haven in eigen land.

Het antwoord luidde: “Geen grote Chinese ondernemingen is een relatief concept in verhouding tot de westerse bedrijven en hun investeringen en productie. De Chinese regering moedigt meer en meer ondernemingen aan te investeren in Latijns-Amerika, waarbij ze hen vraagt zich in sociaal en ecologisch opzicht verantwoordelijker op te stellen en vriendschappelijk met de gemeenschap ter plaatse om te gaan.”

Toen we dat eenmaal tot ons hadden laten doordringen, begrepen we wel dat ambassadeur Yang Zigang onze laatste vraag had genegeerd: “Hoeveel landgenoten van u zijn momenteel in Suriname werkzaam met een verblijfsvergunning; in welke sectoren, binnen of buiten de Chinese business community; en beschikt u wellicht over cijfers inzake de verhouding tussen immigranten en werknemers op contractbasis?”

Het zou de ambassadeur sieren, als hij zich ook eens zorgen maakte over de behoefte van doodgewone Surinamers aan informatie over de dagelijkse activiteiten, plannen, zorgen en ideeën van zijn landgenoten. Cadeautjes uitdelen aan een president, die sowieso niets liever doet dan zelf Sinterklaas spelen, is een ding. Maar voor waarachtige vriendschap tussen de twee volken komt wel wat meer kijken.