donderdag, 28 januari 2016

Jules Chin A Foeng

Geschreven door  Bert Steinmetz

Dat het levensverhaal van Jules Chin A Foeng in een boek is vastgelegd, werd hoog tijd. In zijn korte leven heeft deze bevlogen man een belangrijk stempel gedrukt op de roerige jaren zestig en zeventig in Suriname. Chin was een internationaal gereputeerd kunstenaar, maar tevens een gepassioneerd leraar en een strijdlustig activist. Dat zijn woede weleens kon doorslaan in verongelijktheid, moeten we daarbij voor lief nemen. Hij omschreef zichzelf als ‘een fanatiekeling in de kunst’. Het is niet eens verbazend dat zo’n hartstochtelijk persoon niet oud is geworden: op zijn 39ste stierf hij aan een hartaanval.

Chin liet een grote verzameling kunstwerken na: schilderijen, gravures, tekeningen, affiches, boekomslagen en keramisch werk. Daarvan is helaas nogal wat gestolen of anderszins verdwenen. Het boek van Paul Faber, kunsthistoricus bij onder meer het Tropenmuseum, biedt behalve een beknopte biografie ook een boeiend overzicht van zijn kunstwerken en van de ontwikkeling daarin.

Jules Chin A Foeng werd in 1944 geboren in Albina; zijn vader was van Chinese afkomst, zijn moeder had Portugees-Creoolse wortels. Op zijn vijfde kreeg hij van een tante een tekendoos, en dat cadeau bracht zijn talent aan het licht. Maar ja, beeldend kunstenaars waren er nauwelijks in het Suriname van die tijd. Met de komst van Nola Hatterman in 1953 begonnen schilder- en tekenlessen in Paramaribo. Op zijn vijftiende kwam ook Jules haar leslokaal binnen. Zijn talent én ambitie vielen zozeer op, dat hij zich al een jaar later verder mocht bekwamen op de Tilburgse Kunstacademie – al was dat allereerst een opleiding tot tekenleraar.

Hij slaagde erin door te gaan naar de Amsterdamse Rijksakademie van beeldende kunsten, waar hij zich in 1965 zelfs mocht inschrijven voor de Prix de Rome. Toen hij niet doordrong tot de laatste vier kandidaten, voelde hij zich gediscrimineerd; het maakte hem razend, en vol wrok keerde hij terug naar Suriname. Zo kwam de activist wel vaker in aanvaring met de kunstenaar.

Hij zette zich steeds meer af tegen Nola Hatterman en richtte een eigen tekenopleiding op. Maar ook daar vertrok hij een jaar later weer met ruzie; zijn volgende kunstinstelling moest zich richten op een nationalistische Surinaamse ideologie. De revolutionaire jaren zestig hadden ook Paramaribo bereikt. Geen wonder dat Chin, tevens voorzitter van de Bond voor Leraren, een actieve rol speelde rond de onafhankelijkheid in 1975. Maar die rol op het politieke toneel werd plots afgebroken door de kans een Master of Arts-bul te halen in New York. Daar kon hij zich onderdompelen in de nieuwste kunststromingen.

De Sergeantencoup van 1980 werd door de revolutionairgezinde Chin positief begroet. Hij werd hoofd Culturele Educatie bij het ministerie, en kon aldus weer een nieuwe kunstacademie stichten. Maar de Decembermoorden van 1982 brachten hem terug in de bittere realiteit: ‘De revolutie is dood’. Aangeslagen werkte hij nog door, tot hij een half jaar later onverwachts stierf.

Jules Chin A Foeng – kunstenaar, leraar, activist, Paul Faber, 2015, LM Publishers, ISBN 978 94 6022 400 3