woensdag, 20 april 2016

Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet

Geschreven door  Carl Haarnack

Wolter Robert baron van Hoëvell werd geboren in Deventer in 1812. Hij overleed in 1879 in Den Haag. Tussen 1837 en 1848 was hij predikant in Batavia, het huidige Jakarta (Indonesië). Van 1849 tot 1862 was hij lid van de Tweede Kamer. Na deze periode bleef hij tot zijn dood lid van de Raad van State, adviesorgaan van de regering en de hoogste bestuursrechter van Nederland.

In 1854 verscheen zijn boek Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. Dit is een van de grote boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Samen met de Max Havelaar (1860) vormt het de belangrijkste 19e-eeuwse aanklacht tegen het Nederlandse beleid in de koloniën. Met zijn publicatie beïnvloedde Hoëvell in belangrijke mate het debat over de afschaffing van de slavernij in Suriname. Hij is zelf nooit in Suriname geweest, maar heeft op basis van koloniale verslagen en informanten een boek samengesteld over de erbarmelijke levensomstandigheden van de slaven in Suriname (bijna 40.000 in aantal) en de marrons die zich in de binnenlanden ophielden. Die informanten worden niet bij naam genoemd omdat, zo geeft Hoëvell aan, de kans bestaat dat zij gevaar lopen door de acties van de tegenstanders van de afschaffing van de slavernij. Het boek biedt volgens de auteur ‘alléén waarheid en niets dan waarheid voor; dat wil zeggen: van den toestand der maatschappij in Suriname, voor zooveel de slavernij betreft, heb ik een waarachtig en getrouw tafereel trachten op te hangen’.

Slavernij hoort volgens hem niet thuis in een land dat zegt christelijk te zijn. Zijn boek is doorspekt met verhalen over hoe slaven soms wreed gestraft werden om kleinigheden en vaak zonder enige reden. Op de vaak ver van Paramaribo afgelegen plantages is er nauwelijks controle en spelen zich afschuwelijke taferelen af. Zo vertelt Hoëvell over een plantage waar een kalfje dood wordt geboren. De directeur is woedend en laat de slaaf Herman straffen. Hij wordt zonder eten en drinken op de zolder van de koffieloods opgesloten. De volgende dag wordt hij gedwongen toe te zien hoe de ‘creolen-mama’, en de kinderen die aan haar toevertrouwd zijn, spijzen nuttigen en water drinken. Als de vrouw en de dochter van Herman de plantagedirecteur om vergiffenis vragen probeert deze zich aan de dochter te vergrijpen. De moeder smeekt hem dat niet te doen omdat zij te jong is. De directeur neemt wraak en laat Herman een zoute haring brengen. Hongerig als hij is, verslindt Herman de haring. Maar het zout brandt in zijn mond en maag. ‘En zijne foltering werd heviger met ieder oogenblik; en al het bloed scheen zich in zijn hoofd te verzamelen; en zijne oogen puilden hem uit het hoofd; en zijn borst hijgde van benaauwdheid en angst…’ Uiteindelijk verkiest Herman uit wanhoop de dood en springt uit het zolderraam.

Het is eigenlijk een wonder dat dit boek bij het grote publiek vrijwel onbekend is. Het boek is uitermate zeldzaam en is slechts twee keer herdrukt. De litho’s in dit boek zijn van een zeldzame schoonheid. Alleen daarom al zou iedere Surinamicaverzamelaar, iedere bibliotheek, het Nationaal Archief in Suriname en ook het Ninsee in Amsterdam, een exemplaar van dit iconische boek moeten bezitten. In alle jaren dat ik boeken over Suriname verzamel, ben ik het slechts twee keer tegengekomen. Zelfs de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag beschikt niet over een eerste druk.

www.buku.nl
Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet, W.R. van Hoëvell, 1854, Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon.