Stonfutu

Stonfutu (34)

Helene lijk een marktkoopvrouw in hart en nieren. Ze amadtajib (72) is duideneemt geen blad voor de mond en babbelt, nadat we met een glaasje soft en wat vers gebakken bananenchips op de bank hebben plaatsgenomen, honderduit over de gebeurtenissen van haar dag. Haar charmante giechel werkt zo aanstekelijk, dat menig mens direct zal begrijpen waarom deze dame al jarenlang een loyale klantenkring heeft.

Helene is geboren en getogen op leiding 11a. Haar moeder kwam uit nickerie en haar vader woonde in Commewijne. na hun huwelijk vestigden ze zich op leiding. De ouders van Helene hadden het niet breed. “We hadden iedere dag te eten, dus we waren niet arm, maar er was nooit geld voor iets extra’s”, vertelt ze. Helene had nog een jonger broertje en zusje. Ze ging naar de openbare basisschool aan de Commissaris Weytinghweg, waar tegenwoordig een muloschool staat. “Helaas heb ik nooit verder geleerd. Mijn ouders hebben me tijdens mijn examenjaar van school gehaald. er waren destijds vier uloscholen, maar die stonden allemaal in de stad. Mijn ouders konden het zich financieel niet veroorloven om mij naar de stad te sturen”, zegt Helene schouderophalend.

Op haar zestiende trouwde Helene met soeradie amadtajib. een jaar later betrokken ze de woning waar Helene nu nog steeds woont met het gezin van haar jongste dochter. soeradie werkte hard om het snel groeiende gezin te onderhouden. “Hij werkte de hele week bij fernandes, en in zijn vrije tijd was hij druk bezig met planten op het erf. toen ik zwanger was van de vijfde, besloot ik eten aan huis te gaan verkopen om voor een extra inkomen te zorgen.”

Helene bleek een gat in de mark te hebben gevonden. Ze was destijds de eerste in de omgeving van leiding die eten verkocht. Ze had zelfgebakken chips, zoals bananen, cassave en bronbron, maar verkocht ook eten: bami, nasi en saoto. in 1974, toen haar jongste dochter naar school ging, kreeg Helene via via een baantje als eetverkoopster op de l.a. simonsschool. iedere ochtend stond ze voor dag en dauw op om verse chips op hout te bakken, broodbeleg en maaltijden te maken. “Om zeven uur ging ik de deur uit, eerst vers brood halen, daarna om acht uur paraat staan op school, brood beleggen en eten verpakken. Vervolgens wachtte ik tot de eerste pauze om tien over tien, verkocht mijn eten, pakte mijn boeltje in en reed om elf uur weer naar huis. Doorgaans stond ik dezelfde middag alweer bananen en cassave te schillen voor de volgende ochtend. Cassave en bananen kocht ik in de Bomapolder. Het hout haalde ik zelf met mijn pick-up bij de Zaagmolen.”

na elf jaar stopte Helene bij de school. Ze wilde het iets rustiger aan gaan doen. “ik besloot twee dagen in de week op de Kwattamarkt te gaan staan. Daar verkoop ik nu al dertig jaar chips en pindasambal.” Mensen komen volgens Helene graag bij haar terug, omdat de pindasambal van constante kwaliteit is. “Mensen weten wat ze kopen bij mij”, zegt ze resoluut. Haar chips zijn geliefd om het lage zoutgehalte. “Mensen gebruiken te veel zout in de chips. Dit gaat ten koste van de smaak, maar is vooral ongezond. Mensen met hoge bloeddruk komen speciaal voor mijn chips.”

inmiddels maakt Helene de producten niet meer zelf. Dit heeft ze twee jaar geleden overgedragen aan haar dochter. Ze wilde eigenlijk helemaal stoppen met werken. “ik plantte vanaf mijn achtste jaar al rijst. ik vond dat ik wel genoeg jaren had gewerkt en gezwoegd. toch begon ik me na zeven maanden thuiszitten stierlijk te vervelen. ik miste de markt en de mensen. Op de markt staan is voor mij ontspanning. Zodoende dat ik toch weer twee dagen ben begonnen. Hoelang ik dit nog zal doen, weet ik niet. ik ben dankbaar dat ik gezond ben en geen lichamelijke klachten heb. We zien wel wat de tijd ons brengt.”

vrijdag, 20 november 2015 15:16

Harriepersad Bissesar: Vroeger was er werk genoeg

Geschreven door

Het is even zoeken naar het nieuwe onderkomen van Harriepersad Bissesar (82). Hij woont sinds enkele maanden bij zijn dochter, in een zijstraat van de Welgedacht A-weg. We hobbelen over de zandweg, waar aan weerszijden de nieuwbouwhuizen als paddenstoelen uit de grond lijken geschoten. Harriepersad ziet ons vanuit de verte al aankomen. Gekleed in een pantalon en netjes gestreken overhemd, verwelkomt hij ons op het balkon.

We nemen plaats op de plastic stoelen en kijken uit over het erf, waar een paar kippen rondscharrelen. Harriepersad heeft een blauw randje om zijn opgewekte bruine ogen. “vroeger werd ik onrustig wanneer ik een dag niet op mijn perceel aan het werk was geweest. ik moest en zou mezelf moe maken. tegenwoordig doe ik helemaal niets meer. Dat laat mijn hart niet meer toe”, zegt hij.

Harriepersad komt uit een gezin van zeven. in 1942 kregen zijn ouders een perceel op Leiding 10 toegewezen. “Mijn ouders werkten in de landbouw. Destijds was dat een goede bron van inkomsten.” Harriepersad leerde niet verder dan de derde klas van de lagere school. “tegenwoordig moeten mensen een goede opleiding hebben. vroeger was dat niet nodig. er was werk genoeg.” Harriepersad trouwde op zijn achttiende met Sahade Ganesh. Ze woonden samen in huis bij de familie Bissesar. een paar jaar later moest het gezin wegens omstandigheden op zoek naar een nieuw onderkomen. “Geld was alleen een probleem. ik had maar drie kwartjes in mijn zak.” Gelukkig kreeg Harriepersad tijdelijk werk bij het domeinkantoor in Commewijne, waar hij drie gulden per dag verdiende. “van dat geld heb ik sloophout gekocht bij de Zaagmolen en een huisje gebouwd op een perceel een stuk verderop.” Later moest het gezin wederom haar biezen pakken. een ver familielid hielp Harriepersad met een lening van vijfhonderd gulden, waardoor ze hun eigen stukje grond op Leiding 10 konden kopen.

Rond zijn dertigste kwam Harriepersad als landbouwer in dienst bij het ministerie van Landbouw, veeteelt en visserij. Daar werkte hij tot zijn pensioen. “ik spaarde al het geld van mijn overuren op voor het bouwen van ons eigen huis. Dat huis is nu 47 jaar oud. een van mijn tien kinderen woont daar nog. Het is echt mijn trots. Destijds was het een van de grootste huizen op Leiding 10.”

tijdens zijn spaarzame vrije uren zat Harriepersad het liefst thuis. “op het balkon in mijn schommelstoel. Dan zat ik daar en bracht mijn vrouw een glas koude melk. verse melk van onze eigen koeien. Daar kon ik echt van genieten.” Harriepersad haalt een Bob Marleyportemonnee uit zijn broekzak en trekt het klittenband los. Achter het doorzichtige plastic zit een pasfoto van hem, met een pasfoto van Sahade half voor de zijne geschoven. “ik heb geluk gehad met zo’n goede vrouw. We maakten nooit ruzie. Ze was nooit boos en, klaagde nooit. Ze overleed op haar 63ste jaar. Nooit is ze één dag ziek geweest en ineens was het binnen een paar dagen afgelopen.”

Harriepersad is zelf al dertig jaar hartpatiënt. “ik reed op een ochtend gewoon op de bromfiets naar mijn werk. Daar aangekomen, begonnen mijn handen ineens te trillen. Mijn baas stond erop dat ik naar de dokter ging, maar ik was eigenwijs. toen ik later met mijn vrouw naar de markt reed, gebeurde het weer. Ditmaal ging ik wel naar de dokter, die mij direct doorverwees naar het Academisch Ziekenhuis.” een vermoeide blik rijst ineens in Harriepersads ogen. “Die nacht had ik verschrikkelijke pijn in mijn borst en die is tot op de dag van vandaag niet weggegaan”, verzucht hij. “Maar ik ben een tevreden mens. We hadden vroeger geen cent te makken, maar door hard te werken kon ik altijd voor mijn gezin zorgen. ook heb ik ze allemaal een perceel kunnen geven om een mooie toekomst op te bouwen. Nu wacht ik gewoon rustig af tot het mijn tijd is om te gaan.”

woensdag, 21 oktober 2015 11:59

Hélène Burgos-Overman (85): Ik verveel me nooit

Geschreven door

Drie honden verwelkomen me vrolijk bij de poort, wanneer ik het erf in het uiterste hoekje van de Limoniastraat betreed. Hélène Burgos-Overman (85) en haar dochter zitten samen op het balkon van de woning. Hélène op een comfortabele stoel met zachte, stevige kussens. Rechts van haar een rollator, met een rekje dat tjokvol zit met allerlei spullen. Op een laag houten tafeltje liggen allerlei plastic tasjes met paperassen en handwerkjes. “Ik schrijf, maak handwerkjes, ansichtkaartjes. Als ik het ene beu ben, ga ik weer iets anders doen. Ik ben altijd bezig.”

Hélène is geboren en getogen in Paramaribo in een gezin van vier meiden en één jongen. Ze had een onbezorgde jeugd. Haar vader werkte bij Suralco. “In de grote vakantie gingen alle vrouwen en kinderen met de boot naar Moengo om hun vader te bezoeken. Alle kinderen waren laaiend enthousiast. De moeders hadden het zwaarder; in het begin duurde de tocht bijna een hele dag, dus er moest ook eten zijn voor onderweg. Later kwamen er snellere motoren op de boten, waardoor de reis ongeveer twaalf uur duurde. Het waren altijd mooie zomers”, zegt ze met een dromerige blik in haar ogen.

Hélène heeft sowieso mooie herinneringen aan haar jeugd. “Gisteren sprak ik nog met twee vriendinnen in de Mantel, over hoe fijn we het vonden op school. De zusters voedden ons op met discipline. Leerden ons normen en waarden. De jeugd van tegenwoordig heeft meer discipline nodig.” Hélène is twee keer per week te vinden bij Stichting de Mantel, waar ze naast een hoop tori praten ook allerlei bezigheden bedenkt om te doen. Verder praat Hélène als Rozekruiser (A.M.O.R.C.) van tijd tot tijd met de jeugd over normen en waarden. “Goed gedrag geef je door. Dat probeer ik te benadrukken. Ieder mens is een voorbeeld voor de ander”, zegt ze.

tijdens de tweede Wereldoorlog leerde Hélène haar echtgenoot kennen: de marinier Hugo Overman. Hij kwam vaak thuis bij huize Burgos, samen met de neven van Hélène. “Mijn vader verwende ons altijd. Hij stuurde ‘snoepgeld’ en spelletjes. Zodoende hadden we een dambord. Mijn zus en ik waren er gek op en konden dus een aardig potje dammen. We wonnen altijd van de jongens”, zegt ze met een brede grijns op haar gezicht.

Hugo en Hélène trouwden in 1954, toen Hugo definitief naar Suriname kwam. Het echtpaar kocht na zeven jaar het huidige perceel aan de Limoniastraat om te gaan bouwen. Ze kregen uiteindelijk zeven kinderen. Sinds het overlijden van Hugo in 2009 woont Hélène nog samen met twee dochters.

In 1966 besloot Hélène de opleiding aan de kweekschool te volgen. “Ik was zwanger van de zevende toen ik mijn examens deed”, glundert ze. Hélène hield van het onderwijzen. “Ik werkte overal met plezier, gewoon omdat ik een positief mens ben. Ik deed alles voor en met de kinderen. Ik was een hele lieve juf.” Hélène grabbelt in het mandje van haar rollator en haalt een prachtige houten blokfluit tevoorschijn. Het mondstuk en de gaatjes op de fluit zijn al wat versleten door het vele spelen. “Deze moest ik aanschaffen voor de opleiding destijds. Deze fluit is ouder dan mijn jongste dochter”, lacht ze. Op verzoek speelt Hélène een paar noten.

“Ik houd van muziek en zingen. Ik stuur liedjes via de WhatsApp naar mijn kleinkinderen, voor de achterkleinkinderen in Nederland.” Hélène heeft al een paar jaar een smartphone. “Ik ben helemaal op de hoogte van de actualiteiten. Ik lees elke dag Starnieuws, luister muziek en spreek met de familie uit Nederland via WhatsApp en Skype. Ik kan het alle ouderen aanraden, vooral omdat ik tegenwoordig wat slechter ter been ben. Op deze manier sta ik toch in nauw contact met de familie en de rest van de wereld. Het is een nuttige en leuke bezigheid. Ik verveel me nooit.”

De pientere Es Louise Gummels wordt op 16 oktober 103 jaar en kent de historie van Suriname heel goed. Ze weet gebeurtenissen tot in detail te vertellen en laat iedereen met de oren gespitst op het puntje van zijn stoel zitten. Met zo’n leeftijd en zoveel verhalen uiteraard reden voor een extra lange aflevering van Stonfutu. Es heeft een passie voor talen, is verzot op lezen en heeft al meer dan twintig jaar een vriendinnengroep die elkaar door dik en dun steunt. “Een vriendin van een van mijn vriendinnen noemde ons eens ‘de heksen’. Die naam hebben we maar overgenomen. We zijn met zijn zevenen en ik ben de opperheks. op mij na zitten in onze groep alleen vrouwen onder de zeventig. Maar er is nog plaats voor mannen met stevige kuiten – en die mogen ook ouder zijn”, grapt ze.

Es is geboren in Paramaribo en woonde tot haar zesde jaar in Nickerie. Haar vader was directeur van de suikerplantages Hazard en Waterloo. Deze plantages waren eigendom van de Schotse familie Kirk. Haar vader had een DuitsHollandse vader en een Schotse moeder. Haar moeder had een Joodse vader en een Creoolse ex-slavin tot moeder. Es komt uit een gezin van vier kinderen. Zij is de oudste. Toen Es zes jaar was, overleed haar moeder aan de Spaanse griep. Es was er niet bij toen haar moeder stierf. “Ik was in oktober net vertrokken naar Paramaribo om naar school te gaan, omdat er in Nickerie destijds geen scholen waren. Mijn moeder stierf het jaar daarop in februari. Ik weet nog precies wat ik aanhad op de dag dat ik Nickerie verliet. Het was een wit jurkje van dunne stof met hele kleine donkerblauwe stippeltjes. Speldenknopjes – pina ede - noemden ze die ook wel. Ik liep met mijn vader naar de waterkant om met een roeiboot naar NieuwNickerie te gaan en vanaf daar vervolgens de boot te pakken naar de stad. Mijn moeder stond met de baby bij het raam en toen zei mijn vader: ‘Kijk, je moeder staat bij het raam’. Toen heb ik me omgedraaid en naar haar gezwaaid en dat was de laatste keer dat ik haar heb gezien.”

Es werd in de stad opgevangen door de dames Lobato. De plek waar haar moeder ook in huis had gezeten tot haar huwelijk. Es had het goed bij de dames Lobato. “Ik groeide op tussen voornamelijk jongens die ouder waren dan ik. Toch wilde ik met ze meespelen en dat zorgde veelal voor een hoop klappen, omdat ik alle spelletjes verloor. Maar ik hield vol, want wilde per se met ze meedoen”, zegt ze glimlachend. op haar tiende jaar kreeg een van de dames Lobato een hersenbloeding en moest het verplicht rustiger aan gaan doen. “Zodoende kwam ik met inmiddels mijn twee broertjes en zusje bij een zus van mijn vader in huis. Daar hebben we een hele fijne tijd gehad.” Door omstandigheden maakte Es haar school niet af. “Ik werd ziek, waardoor ik een heel jaar niet naar school kon en de zevende klas van de Hendrikschool moest overdoen. Die heb ik doorlopen, maar mijn vrienden zaten in de laatste klas en verlieten daarna de school. Daardoor was mijn motivatie ver te zoeken. Ik had toch geen ambitie om te gaan studeren, dus ben ik gestopt.” Via haar tante kreeg Es een baan als administratief medewerkster bij het Militair Hospitaal (tegenwoordig ’s Lands Hospitaal). Ze werkte in het ziekenhuis tot ze op haar 21ste jaar trouwde met Martin van der Jagt. Hij had zijn hoofdaktes en de bijaktes Engels en frans. Later haalde hij ook nog de bijakte Duits. “We hielden allebei veel van talen. Drie van onze vier zoons hebben onze talenknobbel geërfd. De ander is meer een techneut.” Ze huurden een huis aan de Prins Hendrikstraat en Es werd fulltime moeder. “Ik had nooit geleerd te koken, maar het lukte goed. Ik houd nog steeds erg van koken. Het eerste wat ik na onze trouwdag maakte, was hutspot met kool en wortelen. Ze zijn er nooit ziek van geworden, dus ik denk dat ik het aardig goed heb gedaan”, grapt ze.

Martin kreeg in 1941 een baan op Aruba bij de raffinaderij van de Lago. In 1943 verhuisde Es haar man achterna met het gezin. Die reis ging niet van een leien dakje. “De tocht begon in een Lockheedtoestel van de KLM. We vetrokken om acht uur in de morgen en arriveerden, na een tussenstop op Trinidad, om 4 uur in de middag op Curaçao. Het vliegtuig had maar plaats voor negen personen, maar wij waren met zijn tienen. Ik moest mijn zoon de hele reis op schoot houden. Hij was al een flinke jongen van vijf jaar oud, dus ik kon geen kant meer op. Tot overmaat van ramp werden de kinderen onwel, maar ik kon er niets tegen doen. KLM had per zitplaats één lunchbox, en ik gaf de mijne aan mijn jongste. Ik hoopte dat iets te eten zou helpen, maar alles kwam er regelrecht weer uit.” Het lunchboxverhaal kreeg nog een staartje. “Toevallig interviewde een journalist van KLM mij ter ere van hun 75-jarig bestaan in Suriname. Ze vroegen mij onder andere iets te vertellen over deze bewuste vlucht in december 1943, omdat ik, voor zover bekend, de enige nog levende persoon ben die in De Snip heeft gevlogen. De Snip is het toestel dat de tweede vlucht van Curaçao naar Aruba uitvoerde. Ik vertelde toen dat ik eigenlijk nog steeds een lunchbox tegoed had van de KLM. De week erna verraste de country manager van KLM Suriname en Guyana mij op mijn verjaardag met een mooie kaart, een modelvliegtuigje en een tegoedbon waarvan ik met drie mensen kon lunchen bij Torarica. Daar heb ik zelf nog wat geld bijgelegd; we zijn immers met zeven heksen, dus zodoende konden we met zijn allen lekker genieten van een uitgebreid lunchbuffet.”

Het gezin woonde tot 1950 op Aruba. “Een leuk eiland. De mensen waren aardig, maar hielden wel van hun privacy. We liepen de deur niet plat bij elkaar, maar dat hoefde van mij ook niet.” Terug in Suriname kreeg Martin een baan als onderwijzer in Moengo, en het gezin verkaste weer. Es was niet zo verzot op Moengo. “Het was te ver weg van de stad en lag geïsoleerd. Het kostte twaalf uur om met de boot naar Paramaribo te komen.” ook vond ze de strakke hiërarchie niet prettig. “Mijn man stond als schoolhoofd vrij hoog in aanzien, maar mijn zoon, die niet was toegelaten tot de HTS en besloot een jaar als arbeider op Moengo te werken, had een veel lagere plek op de ladder. Daardoor mochten we bijvoorbeeld niet naast elkaar zitten in de bioscoop.”

Het gezin woonde vijf jaar in Moengo. Bij terugkomst in Paramaribo, in 1957, ging Es werken bij boekhandel Varekamp. “De laatste twee jaar, van 1975 tot 1977, werkte ik nog voor de heer Hogenboom onder de nieuwe naam VACo. Ik werkte heel graag in de boekwinkel: ik houd veel van lezen en ben verzot op talen. Ik hield me bezig met het assortiment en gaf mensen desgevraagd advies over de boeken.” Es werkte in totaal twintig jaar voor Vaco en ging daarna met pensioen.

Van alle plekken waar Es heeft gewoond, blijft Nickerie haar mooiste herinnering. “Ieder jaar brachten we de grote vakantie door bij papa op de plantage. Ik zie zijn gezicht nog voor me, wanneer hij ons stond op te wachten bij de steiger als we aankwamen met de boot. We sjouwden de hele dag rond op de plantages en soms mochten we met hem mee op de muilezel om zijn ronde over de plantages te maken. Het was altijd zo fijn om weer bij hem te zijn.”

Es is haar ouders altijd dankbaar geweest dat zij is opgevoed om zo zelfstandig mogelijk door het leven te kunnen gaan. “Kinderen zijn geleend goed en niet van jezelf. Dat is de levensles die ik ouders wil meegeven. Sommige moeders klampen zich te veel aan hun kinderen vast, terwijl het juist de kunst is om je kinderen los te laten, zodat zij zichzelf kunnen redden in het leven. Zelf heb ik altijd geprobeerd om zo zelfstandig mogelijk te zijn. Wat ik zelf kan doen, laat ik niet aan een ander over!”

Wanneer we het erf van de 85-jarige Dhanpati MahabierAdhin oprijden, breekt de eerste zonnestraal van de dag door de wolken heen. een klein en bescheiden stenen huis verschijnt in het licht. op het erf pronken talloze potten met fleurige bloemen.

Danphati begroet ons met een warme glimlach op haar gezicht. Ze zit rustig op het balkon, gekleed in een oudroze bloes met bijpassende rok, de rollator naast haar stoel in de aanslag. op haar onderarm prijkt een tatoeage. “In mijn tijd was dat in. Het is de naam van mijn man in het Hindi”, giechelt ze.

Dhanpati is geboren en getogen in Peperpot, Meerzorg. Haar grootouders kwamen uit India om zich in het district Commewijne te vestigen voor de landbouw. op haar vijftiende trouwde ze met de drie jaar oudere Adjodiapersad Mahabier. Afgelopen januari was het echtpaar zeventig jaar getrouwd.

Na de trouwerij verhuisde Dhanpati naar Nieuwe Grond, waar de oudste broer van haar echtgenoot voor het grootste deel van de inkomsten zorgde. “Hij was melkverkoper. Iedere ochtend bond hij twee melkbussen aan weerskanten van zijn bagagedrager, verzamelde melk in de wijk en fietste vervolgens naar de stad.”

Dhanpati heeft leuke herinneringen aan die tijd. “We woonden met allemaal jonge mensen samen. Mijn man, zijn broers, zus en de aangetrouwde vrouwen. We werkten allemaal hard voor de kost. Ik plantte voornamelijk groente en rijst, dat verkocht ik op de centrale markt. Ik houd heel erg van groente. Pampoen, boulanger; ik ben er gek op. ook maak ik graag saoto. De mensen van tegenwoordig eten sowieso te weinig groente en te veel vlees”, zegt ze, een vinger in de lucht stekend.

In haar schaarse vrije tijd speelde Dhanpati de damru, een soort trommel, en zong ze in een vrouwenband. “Dat vond ik geweldig! We traden op bij verjaardagen en bruiloften. Ik houd van gezelschap en vrolijke mensen.” ook ging ze af en toe samen met haar man naar de bioscoop bij Poelepantje, om naar Indiase films te kijken. op een gegeven moment zorgde de gezinsuitbreiding ervoor dat het huis op Nieuwe Grond uit zijn voegen groeide. Het echtpaar Mahabier verhuisde met de drie kinderen naar het huidige perceel op Houttuin. Ze kochten dit perceel vijftig jaar geleden voor vijftienhonderd gulden. Het begon met de bouw van een klein houten huisje, maar inmiddels staat er een stenen woning. Het echtpaar kreeg er nog negen kinderen bij. In totaal dus twaalf kinderen, van wie er zes in Nederland wonen. er zijn inmiddels ook tientallen kleinkinderen en achterkleinkinderen. “Van mijn kleinkinderen weet ik de namen nog wel, maar de generatie daarna wordt wat lastiger.”

Dhanpati is erg trots op haar familie en tevreden met haar leven. er is voortdurend aanloop van kinderen en kleinkinderen die een oogje in het zeil houden. Haar man Adjodiapersad is sinds enkele jaren dement, waardoor hij constante verzorging nodig heeft. Hierdoor is het echtpaar wat immobieler geworden. “Ik houd van een beetje wandelen. We gaan soms wel samen naar mijn broer in Meerzorg. Dan rijden we mee met onze vaste taxichauffeur Shasie, onze overbuurman. Meneer Shasie is fantastisch en mijn man is ook gewend aan hem. Ik ben wel geschrokken van hoe snel Meerzorg verandert. Vroeger waren er overal fruitbomen, er was een overvloed aan eten. Nu bouwen ze alles dicht. Ik zou nog graag naar Nederland willen, maar in deze situatie is dat lastig. Mijn man heeft verzorging nodig en zolang ik leef, laat ik hem niet in de steek. Ik zal altijd voor hem blijven zorgen. Wie weet, komt er eens nog een tijd dat ik naar Nederland kan gaan.”

dinsdag, 21 juli 2015 09:53

Ewald van Ommeren

Geschreven door

‘Ik raakte mijn grootste liefde kwijt’

Ewald van Ommeren is op zijn oude dag nog een bezige bij. Hij is actief bij de Evangelisch-Lutherse Kerk, waar hij meerdere malen per week op eigen houtje met zijn auto naartoe rijdt. “Vroeger deed ik iedere week kerkdiensten, maar daar word ik nu te oud voor. Nu verzorg ik incidenteel nog missen bij de mensen thuis.”

Van Ommeren werd geboren in de Wagenwegstraat, maar woont al 57 jaar te Leonsberg. Hij groeide op in een gezin van zeven kinderen. Zijn vader was plantage-opzichter en veel van huis, waardoor zijn moeder een zware last op haar schouders droeg. “Ze moest voor ons zorgen en eten bij elkaar scharrelen. Wanneer we niets hadden, moesten we het doen met de vrucht van een bredebong. Dan kocht mijn moeder wat aftreksel van haring om eroverheen te sprenkelen, zodat het nog enigszins zout smaakte. Ik kon helemaal niet tegen de smaak en geur van bredebong, maar we mochten niet met een lege maag naar bed van mijn moeder. Mijn vader kwam eens in de twee weken thuis. Dan nam hij altijd iets te eten mee en kregen we een dubbeltje of kwartje om lekkers van te kopen op school.”

De ulo volgde Van Ommeren op de Comeniusschool. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. “Ik was vijftien jaar toen ik mijn vrouw leerde kennen. Ze zat bij mij op school en heette Lisette Wijdenbosch. Wanneer zij de trap op liep naar haar klaslokaal, glimlachte ik altijd naar haar of stak ik mijn hand op. Op die trap is alles begonnen.” De relatie met Lisette begon sneller dan verwacht serieuze vormen aan te nemen. “We begonnen samen te experimenteren en dat had rigoureuze gevolgen voor onze toekomstplannen. Het oorspronkelijke idee was om na de ulo samen de vierderangscursus te gaan volgen, maar omdat Lisette zwanger raakte, moest ik van mijn moeder mijn verantwoordelijkheid nemen en werk zoeken. Ook moesten we trouwen. Dat laatste vonden we helemaal niet erg, aangezien we niet meer geheimzinnig hoefden te doen.”

Van Ommeren trouwde op 16 juli 1952 met Lisette. Elf dagen later werd hun eerste kind geboren. Er volgden nog veertien kinderen. De geboorte van hun vijftiende kind Ruby in 1972 had een zeer tragisch gevolg: Lisette overleed bij de bevalling. Van Ommeren pinkt enkele tranen weg. “Zij was mijn grote liefde. Ik kon me niet voorstellen hoe ik zonder haar verder moest. Het leven schopt je soms ondersteboven, maar ik ben blijven staan. Door te bidden, heb ik het overleefd. Ik dank de Heer iedere ochtend voor een nieuwe dag. Het leven kan zomaar over zijn.” Het duurde twintig jaar voordat Van Ommeren weer een nieuwe liefde vond. De relatie met Ngadina Moeljoredjo duurde 21 jaar. Zij overleed vorig jaar november na een operatieve ingreep.

Omdat Van Ommeren niet in de gelegenheid was zich verder te scholen, begon hij zijn carrière onderaan de ladder. De eerste zes maanden was hij krantenverkoper. Daarna kon hij in 1953 een baan als hydrografisch leerling bemachtigen bij de dienst Haven- en Loodswezen, waar hij verantwoordelijk was voor het vastleggen van het getij van de Surinamerivier. De meting geschiedde dag en nacht, iedere dertig minuten. Hij grinnikt hardop. “Ik was een keer in slaap gevallen tijdens een meting, dus had ik geprobeerd een schatting te maken aan de hand van de vorige meting, maar dat had het hoofd van de dienst direct door. Gelukkig kwam ik er vanaf met een waarschuwing.”

Van Ommeren werkte vervolgens nog een korte periode als lichtschipmatroos. Daarna kon hij een baan krijgen bij het BOG, waar hij begon bij de insectenbestrijdingsdienst. Uiteindelijk haalde hij zijn Surnumerair en kwam achter een bureau bij de administratieve dienst van het BOG terecht. Hij werkte tot zijn pensioen voor het ministerie van Volksgezondheid, en bekleedde ook nog posities als economisch adviseur en HR-manager bij het Academisch Ziekenhuis en ’s Lands Hospitaal.

Ik kom uit een groot gezin van drie dochters en zes zonen. Elke avond zaten we samen in huis. Zingen of spelletjes spelen. Als wij meerstemmig zongen, klonk dat heel mooi. De nonnen die bij ons om de hoek woonden, vertelden vaak dat ze graag naar ons gezang luisterden. Dat zijn voor mij mooie herinneringen, het bij elkaar zijn.” Inmiddels is Irma de Vries negentig jaar. Een paar kinderen en kleinkinderen wonen op de naastgelegen percelen en houden dagelijks een oogje in het zeil. “Eigenlijk wonen we praktisch samen in dit huis”, zegt ze met een knipoog.

Irma woont nu in Paramaribo, maar groeide op in Nickerie. Haar vader Juriaan Tilon werkte als kapitein voor meneer L.H. Wix. Wix was een rijke Nickeriaan, die alle export van balata in handen had. Helaas overleed Irma’s vader toen ze pas acht jaar was. Haar moeder Johanna kwam er alleen voor te staan. “Mama redde zich met haar werk als modiste. Ze liet me zien hoe belangrijk het is om ervoor te zorgen dat je zelfstandig bent en als vrouw ook een beroep kunt uitoefenen.”

Toen Irma tiener was, begon het ouderlijk huis langzaam leeg te lopen. Het merendeel van de kinderen verhuisde één voor één naar Nederland. Irma bleef in Suriname en ging rond haar zestiende als winkelmedewerkster aan de slag bij Kersten & Co. Daarna meldde ze
zich vrijwillig aan bij het Surinaamse Nationaal Leger, waar ze tijdens de Tweede Wereldoorlog in de haven werkte. In die tijd bewaakten militaire havencommandanten de veiligheid in de haven. “Ik was verantwoordelijk voor het aanmelden van aankomende schepen. De gezondheidsdienst deed vervolgens een inspectie op de schepen, en de militaire patrouille voerde de veiligheidscontrole uit.” Irma was ook in dienst toen de welbekende Goslar in de Surinaamse haven kwam te liggen. “We moesten constant het lampje van de Goslar in de gaten houden.

Wanneer het op dezelfde plek knipperde, dan was er niets aan de hand.” Irma leerde tijdens haar diensttijd ook haar man kennen. “Leo Lucien de Vries werkte voor de marine. Het gebeurde heel vaak dat onze diensten samenvielen. Danbelden we om elkaar op de hoogte te houden van het scheepverkeer dat binnenvoer. Na een jaar vroeg hij me of we elkaar konden zien. Het leek net een blind date. We ontmoetten elkaar bij de Waterkant. Hij in een wit marinepak met een rood lint in zijn hand. Aan het lint kon ik hem herkennen. We trouwden vrij snel na onze ontmoeting.”

Samen kregen ze vijf kinderen, van wie er momenteel drie in Nederland en twee in Suriname wonen. Helaas kwam ook Irma, net als haar moeder, er al vroeg alleen voor te staan. Haar man overleed toen ze 36 jaar was. “Gelukkig had ik gestudeerd voor onderwijzer, dus kon ik mezelf goed redden. Het lesgeven was mijn ziel en zaligheid. Kinderen iedere dag iets leren, kennis overdragen. Moeder voor ze zijn.

Kinderen kunnen bijstaan in hun ontwikkeling, het mooiste wat er is.” Tijdens de militaire periode besloot Irma een tijd in Nederland les te geven. “Ik woonde precies om de hoek van de Memre Boekoekazerne. Iedere ochtend liep ik naar het werk met de machinegeweren in mijn rug geprikt. Dat voelde gewoon niet prettig.” Irma werkte tot aan haar pensioen in het Nederlandse onderwijs in Amsterdam.

Ze vindt het jammer dat de maatschappij in Suriname steeds individualistischer wordt. “Landen kijken en leren van elkaar en nemen daardoor bepaalde zaken over, maar niet alle Westerse gebruiken passen bij Suriname. In Nederland stap je in de lift en groet niemand je terug. In Suriname was dat vroeger ondenkbaar, maar nu zijn ook hier mensen steeds meer op zichzelf. Dat vind ik jammer. Vroeger waren mensen van elkaar afhankelijk. Er was een sterk gevoel van saamhorigheid. De hele buurt was één grote familie. Tegenwoordig letten moeders alleen maar op hun eigen kind, terwijl we op elkaars kinderen moeten letten.

woensdag, 20 mei 2015 21:56

George Gomperts (83) - Ik lach iedere dag

Geschreven door

Achter Best Mart in Paramaribo- Noord zit de 83-jarige George Gomperts ontspannen op het balkonnetje van zijn woning. Zijn haar onberispelijk gekamd en zijn korte broek en bloes keurig gestreken. Hij woont hier met zijn vrouw Karsi en dochter Ankie. Hij schenkt een glaasje sap voor zijn bezoek in. “Normaal zou ik u een borrel aanbieden, maar daar is het nu nog een beetje te vroeg voor.”

Gomperts steekt van wal over zijn leven. Hij blijkt niet alleen een charismatische verteller te zijn, maar ook over de nodige dosis humor te beschikken. “Ik lach iedere dag. Vaak zit ik met de buren hier onder de parasol lekker een borreltje te drinken en dan hebben we de grootste lol. Ik drink altijd rum-cola. Meestal Black Cat. Daarom heb ik ook geen last van muizen.”

Gomperts is geboren en getogen in Suriname. Zijn moeder kwam uit Nederlands-Oost-Indië en zijn vader uit Nederland. Zijn opa was arts in Den Haag en bezat enkele grote plantages te Ma Retraite. Hij liet deze na aan zijn zes kinderen en vroeg aan zoon Jacques Gomperts, de vader van George, of hij zijn zaken kon leiden. De Jacques David Gompertsstraat is na zijn dood in 1965 naar hem vernoemd.

Op zijn zestiende ging George naar Nederland om in Deventer aan de Landbouwschool te studeren. Afmaken deed hij het niet, want in 1949 meldde hij zich aan als oorlogsvrijwilliger bij de Koninklijke Landmacht. De planning was om naar Indonesië te gaan, maar wegens de politionele acties ging dit niet meer door. Gomperts kon kiezen uit Nederlands Nieuw- Guinea, Curaçao of Suriname. Hij voor het laatste.

“Ik heb uiteindelijk drie jaar voor de Troepenmacht in Suriname (TRIS) gewerkt’ Ik was voornamelijk chauffeur van groot materieel; jeeps, trucks en weapon carriers, die grote vierkante bakken. Rijden is altijd mijn grootste hobby geweest en ik doe het nog steeds! Ik begon op mijn dertiende al bij mijn vader achter het stuur; hij bediende de gaspedalen en ik mocht sturen.

Een jaar later leerde ik een sergeant kennen van de Amerikaanse basis op Zorg en Hoop, waardoor ik grotere wagens ging rijden. Nu doe ik het rustiger aan met een Toyota Ipsum, mijn eigen Rolls-Royce.”

Na de TRIS heeft Gomperts ruim twintig jaar als opzichter in het familiebedrijf gewerkt. Daarna werkte hij in verschillende functies bij CHM Suriname, waar hij in 1979 stopte. Hij legde vervolgens zijn ziel en zaligheid in zijn grootste hobby; het maken van ketjap. Dit deed hij al vanaf 1967, maar ging in 1980 officieel in bedrijf. Het recept kreeg hij van een vriend uit Surabaja.

“Vandaar de naam Surabaja Ketjap.” Hij pakte het serieus aan. “Ik leverde aan verschillende grote bedrijven en zorgde dat de ketjap in alle supermarkten van Suriname lag. Iedereen kende mijn ketjap. Het liep werkelijk als een trein!” Gomperts beschikt ook over een kwaliteitscertificaat van de directeur van het BOG. “Ik had destijds de wens te gaan exporteren en daarvoor had ik natuurlijk een bewijs nodig dat ik aan de kwaliteitseisen voldeed.” Ook liet Gomperts zijn ketjap testen door de TNO in Nederland. “Het kwam destijds naar boven dat er kankerverwekkende stoffen in Conimex ketjap zouden zitten. Ik stuurde direct zeven monsters van al mijn soorten ketjap naar TNO. Mijn ketjap bleek van uitstekende kwaliteit.”

Gomperts verkocht het ketjapbedrijf twee jaar geleden aan zijn voorman. Tegenwoordig geniet hij van zijn pensioentje en knutselt wat in huis. “Ik gooi niet makkelijk wat weg.” Zijn dochter komt het balkon op lopen met een bijzettafeltje op wieltjes. “Dit heb ik gemaakt van een oude ladder”, vertelt hij trots.

Daarna wijst hij naar een lamp op het balkon, gemaakt met twee jerrycans. “Heb ik ook gemaakt en geeft een prima lichtje.” Gomperts kijkt ondertussen uit naar de viering van zijn 47-jarige huwelijksdag, in december dit jaar. “We hoeven nooit een groot feest, hoor. Gewoon gezellig met een borreltje erbij, dan ben ik al tevreden.”

maandag, 20 april 2015 14:46

Toekijan Soekardi (80) - Het zal nooit meer zoet worden

Geschreven door

Toekijan Soekardi hobbelt enthousiast over de dunne houten planken die leiden naar de plek waar ooit de suikerfabriek van Mariënburg stond. De grond is drassig en de regen miezert naar beneden. Het kost enige moeite om de opmerkelijk fitte tachtigjarige bij te houden. Soekardi wijst naar een tekening in zijn schrift, waarin te zien is hoe het gebouw er vroeger uitzag.

Vlak voordat we bij de restanten van een immense machine aankomen, stopt hij. Een brede glimlach verschijnt op zijn gezicht. “Aan deze plek heb ik mijn mooiste herinneringen. We staan nu in de fabriek waar we elke zaterdagavond een movie night hadden. Op zaterdag
na werktijd schoven we alle suiker aan de kant, brachten we een matras of karton mee om op te zitten en keken we naar een film. Voornamelijk westerns met Roy Rogers of John Wayne; de enige ontspanning van de week.”

Soekardi is geboren en getogen op Mariënburg en kent iedere centimeter op zijn duimpje. Hij groeide op als enig kind. Zijn ouders kwamen vanuit Batavia als contractarbeiders naar Mariënburg. “In die tijd was het leven mooi op Mariënburg. Onze kampongs werden netjes onderhouden, we hadden een winkel, bakkerij en zelfs een school. Ik liep iedere dag blootsvoets naar school en ging later naar de stad om de ULO en de technische vakschool te doen.”

In 1954 kwam hij terug naar Mariënburg om te werken. “We hadden wel te maken met rangen. Ik moest mijn plek verdienen. Eerst als loopjongen en langzaam groeide ik door tot lasser en elektrisch vakman. Ik heb heel wat taken gehad in de veertig jaar dat ik hier werkte”,
lacht hij. Soekardi ging in 1994 met pensioen. Vier jaar later sloot de fabriek. Hij keek met pijn in zijn hart toe hoe de fabriek de afgrond naderde.

Een jaar of twee voor de Onafhankelijkheid besloten veel mensen de plantage te verlaten. “Overigens niet alleen hier, veel Surinamers besloten te vertrekken. Op Mariënburg werkten voornamelijk Javanen en Hindostanen. Creolen zag je niet. Ik besloot te blijven, omdat er niemand anders was om voor mijn ouders te zorgen. Na 1975 trokken de Hollanders weg en kwam er een nieuw Creools bestuur uit de stad. Vanaf die tijd ging het bergafwaarts met het management. Logisch ook, want deze mensen hadden nog nooit in een fabriek gewerkt en er was ook niemand meer om het ze te leren. Ook het tekort aan arbeiders zorgde voor problemen. In de goede tijd werkten hier tweeduizend arbeiders en produceerden we duizend ton suiker per dag. De productie kelderde steeds verder, totdat het niet meer rendabel was.” Zorgeloos van zijn oude dag genieten, is moeilijk voor Soekardi.

“Ik heb nooit een volwaardig pensioen gekregen. Het waren moeilijke tijden, waardoor mijn pensioen in snel tempo minder waard werd.” Zijn enige inkomsten, naast de AOV, komen nu van de fooien die hij verdient als gids. “Dat doe ik nu elf jaar en het is eigenlijk toevallig
zo gekomen. Ik liep hier destijds rond en toen vroegen toeristen of ik ze wilde rondleiden. Ik ben later officieel aangesteld als gids door de Surinaamse Cultuur Maatschappij NV, maar ik ontvang geen vast salaris. Ik ben puur afhankelijk van wat de toeristen me geven.”

Toch heeft Soekardi er sinds een jaar een kleine verdienste bij. Eentje waar hij apetrots op is. “In samenwerking met Anne Blondé heb ik in november 2013 het boek Plantage Mariënburg, van koffiebes tot rum uitgegeven. Hierin zijn al mijn persoonlijke verhalen en gegevens gebruikt die ik door de jaren heen heb verzameld.” Hij geeft ontroerd een klopje op zijn schrift. “Ik ben heel blij dat ik mijn herinneringen nu kan delen met anderen. Zo mooi als toen, wordt het nooit meer op Mariënburg. Ik zeg altijd dat er eerst een periode was van zuur naar zoet, maar dat de laatste dertig jaren in het teken staan van zoet naar zuur. En zoet zal het nooit meer worden.”

donderdag, 26 maart 2015 21:36

Op het water voelde ik me vrij

Geschreven door

Eduard Jean Julius Groenbast woont al 23 jaar met plezier in één van de zelfstandige woningen van Huize Albertine. Hij legt net de laatste hand aan de vloer, waar hij ijverig met een bezem wat korreltjes zand wegveegt. Groenbast is een ware verschijning: een lange man
die zich voor zijn leeftijd opmerkelijk gemakkelijk voortbeweegt. Zijn huisje is dan ook keurig schoon, het bed is opgemaakt en hij draagt, weliswaar wat moeizaam, zelf twee stoelen naar buiten om plaats te nemen in zijn achtertuintje. Hij balt zijn vuisten en zet ze in een heldhaftige pose naast zijn borst. “Vroeger was ik ook flink gespierd”, grijnst hij. “Ik heb jarenlang op de plantage gewoond en altijd gezond en vers gegeten. Daardoor ben ik zo’n flinke man geworden.”

Groenbast is geboren in Wanica, waar hij als vierde kind uit een gezin van tien zijn eerste jaren opgroeide. Zijn vader kwam oorspronkelijk van Cottica en zijn moeder van plantage Berlijn in Para. Na een paar jaar verhuisde het gezin naar Creola bij het Saramaccakanaal, waar
zijn vader als wachter werkte op plantage Hamburg. “Verder leefden we van de inkomsten uit onze landbouw. De prijzen in die tijd zijn gewoonweg niet vergelijkbaar met nu. Voor een grote tros bananen kregen we één gulden. Daarvan konden we echt de hele dag eten.”

Naar school gaan was een hele operatie voor Groenbast. “De dichtstbijzijnde school was op ruim twee uur varen. Ik moest om drie uur in de nacht opstaan om eten te koken, vervolgens aankleden en naar de boot. Tegenwoordig is dat een stuk makkelijker. Ik zie kinderen in de schoolbus stappen met hun mooie pata’s aan. In onze tijd was het gewoon op blote poten het klaslokaal in.”

Het gezin verhuisde naar het toenmalige Pad van Wanica toen Groeibast ongeveer twintig jaar oud was. Zijn ouders konden het zware werk van de plantage niet meer aan, en zochten werk dichter bij de stad. Groenbast kwam terecht bij het zaagmolenbedrijf van de familie Simons, waar hij als sjouwer werkte. “Daar sjouwde ik de hele dag door met hout en verdiende één gulden per dag. Na drie jaar stapte ik over naar het zaagmolenbedrijf van de familie Gomperts, want ik kwam erachter dat zij het dubbele betaalden”, grinnikt hij.

Daarna stuitte Groenbast op een vacature bij de Scheepvaart Maatschappij Suriname (SMS). “De chef binnendienst, meneer Biervliet. vroeg me om een referentie van mijn huidige werkgever. Die heeft toen een fantastische aanbevelingsbrief voor me geschreven. Ik mocht die dag erna al beginnen.” Bij de SMS begon Groenbast ook als sjouwer. Daarna werd hij matroos. “Ik pakte alles aan voor ze. Schraapte schelpdieren van de steigers, kapte oerwoud open. Ik had verder geen diploma, dus met mijn gedrag en eerbied naar mijn baas, wilde ik laten zien dat ik een serieuze werker was.”

Dat wierp zijn vruchten af. Groenbast mocht deelnemen aan de tweejarige opleiding aan de Scheepvaartschool, waarmee hij uiteindelijk schipper kon worden. “Het werk op het water was fantastisch; de frisse wind door mijn haren, de verse lucht in de neus, de springende vissen in het water en het genot van de natuur om me heen. Wanneer ik op het schip voer, voelde de wereld aan als een andere planeet; mijn eigen planeet”, zegt hij dromerig.

Groenbast werkte tot 1980 bij SMS. In totaal 35 jaar, waarvoor hij twee onderscheidingen kreeg. Hij wordt ineens wat emotioneel. “De SMS was echt een gloriebedrijf waar iedereen wilde werken. Als ik er nu naar kijk, is daar weinig van over. Na de onafhankelijkheid is het bergafwaarts gegaan voor mijn gevoel. Surinamers hadden geen flauw benul van hoe ze verder moesten. De Hollanders hadden ons niet zo snel in de steek moeten laten, maar ons moeten leren hoe je een dergelijk bedrijf runt.”

Pagina 2 van 3