Stonfutu

Stonfutu (34)

woensdag, 01 oktober 2014 00:00

Elfrieda Agnes Truideman-Noter (81)

Geschreven door

Onze ouderen hebben een lang en vaak werkzaam
leven achter de rug. Met Parbode blikken ze terug

‘Ik heb in bijna alle straten gewoond’

Haar mooiste herinnering is aan de tijd samen met haar moeder en vier oudere zussen. “We zongen samen de sterren van de hemel. Mama hield erg van zingen en bracht dit op ons over. We hadden het niet breed vroeger, maar we hoefden nooit te wassen of het huis te boenen. Mama verwende ons. Ze leerde ons de noodzakelijke klusjes, maar buitte het nooit uit.” Elfrieda Agnes Truideman-Noter (81) zit in haar bescheiden huiskamertje in het keurig onderhouden Prinses Beatrix bejaardentehuis. Het erf is netjes geharkt en de voorkant van haar huisje wordt opgevrolijkt door kleurrijke potten met verschillende bloemen en planten. “Ik houd van groen. Toen ik in Coronie en Commewijne woonde, had ik genoeg ruimte om te planten. En in Coronie hadden we ook nog kippen”, lacht ze. Verhuizen is een rode draad door Elfrieda’s leven. “Ik heb er een hekel aan”, pruilt ze. “Mijn vader en moeder scheidden al toen ik twee jaar was. Hij was schoenmaker en mama was modiste. Ze maakte de mooiste trouwkleding, helemaal met de hand.” Maar het inkomen van haar ouders was niet genoeg om een vaste verblijfplaats voor het gezin te financieren. Daardoor verhuisde Elfrieda haar hele jeugd door de wijk Combé. “Ik heb in bijna alle straten gewoond. Het was vaak vervelend, maar we hielden elkaar op de been. Mijn vader zagen we iedere dag na schooltijd. Als we bij hem kwamen, had hij altijd wat lekkers voor ons. Op zaterdag gingen we samen wandelen en kregen we zakgeld. Helaas stierf hij al toen ik elf jaar was.” Elfrieda trouwde rond haar twintigste met Wilfred Truideman. Ze was op dat moment verpleegster en werkte in het ’s Lands Hospitaal. Wilfred was eerst metselaar, maar werkte daarna bij de politie. “En daar begon het. Hij werd uitgezonden naar Coronie voor zijn werk en ik ging met de vier kinderen met hem mee. Dat was een erg zware tijd voor me. Ik miste mama en mijn zussen verschrikkelijk. Ook de omslag van de stad naar het plattenland was groot voor me. Er was helemaal niets te doen! Mijn man was soms twee dagen achter elkaar weg en wanneer hij thuis kwam, had hij zijn eigen dingen: voetbal, badminton, wandelen met zijn vrienden. En ik zat daar maar”, vertelt ze verdrietig. Lezen was toen een grote troost voor Elfrieda. “Ik verslond werkelijk ieder boek. Het was zelfs een beetje verslavend. Soms las ik de hele nacht door.” Twee jaar later verhuisde het gezin, inmiddels met vijf kinderen, weer terug naar de stad. Dat was echter van korte duur; ze moesten al snel verkassen naar Nieuw-Amsterdam in Commewijne. Gelukkig beviel dit Elfrieda een stuk beter. “Er was veel ruimte voor de kinderen om te spelen en de stad was makkelijk bereikbaar. Ook kwamen er in het weekend veel mensen naar Commewijne om te wandelen. Op deze manier sprak ik veel oude kennissen.” Toch werd deze periode ook moeilijk voor haar. “Mijn zussen wilden om verschillende redenen naar Nederland emigreren. Een van hen had al die tijd bij mama ingewoond en haar verzorgd, dus het onvermijdelijke kwam: mama ging ook met hen mee. Maar ik kon niet met ze meegaan, want ik had hier mijn huwelijk en gezin. Mijn nieuwe baan heeft me door deze moeilijke tijd heen gesleept. Ik werkte in de stad bij het psychiatrisch kinderpaviljoen. Gewaardeerd werk met leuke collega’s. Hier ben ik tot mijn pensioen gebleven.” Elfrieda concludeert dat ze een prachtig leven heeft gehad. Haar enige wens is nog om volgend jaar haar zusters in Nederland op te zoeken. “Dat is wat mama ons altijd op het hart heeft gedrukt: laat elkaar nooit in de steek en blijf elkaar opzoeken. Daarom is het mijn wens om naar mijn laatste twee zussen in Nederland te gaan. Om weer samen te zingen en te praten, net als vroeger.”

vrijdag, 01 augustus 2014 00:00

Cornelis Groeizaam

Geschreven door

'Ik hield van buiten zijn en voetballen'

Parbode is trots op deze honderdste editie. Nog trotser zijn we dit te kunnen delen met iemand die al een eeuw op Surinaamse bodem vertoeft. Voluit is zijn naam Cornelis Albert Gustaaf Groeizaam. Hij vierde samen met familie en vrienden op 6 mei zijn honderdste verjaardag in Huize Majella, waar hij sinds elf jaar met liefde wordt verzorgd. Groeizaam opent net zijn ogen wanneer een vriendelijke verpleegster ons begeleidt naar zijn kamer. Als hij ons opmerkt, komt hij direct overeind van zijn ledikant en kijkt ons met opgewekte ogen aan. Zijn kamertje heeft enkel wat functionele meubelen. Geen accessoires of tierelantijnen; een echt mannenverblijf. Het enige wat opvalt, zijn de goudkleurige cijfers ‘100’ die aan de linkerkant van zijn deurpost hangen. Groeizaam is gemakkelijk gekleed en wacht rustig af tot we plaatsnemen. Honderd jaar is een hele leeftijd. Dit merken we ook wanneer Groeizaam begint te vertellen over zijn leven. Zijn ogen staan vol levenslust, maar zijn langetermijngeheugen laat hem op enkele momenten wat in de steek. Gelukkig reikt zijn oudste dochter Rubia Meijer-Groeizaam ons de helpende hand, en helpt ons de woorden van haar vader aan te vullen. Het begon in de wijk Combé, waar Groeizaam is geboren. Hij groeide op met zijn vier broers en zes zussen. In zijn vrije tijd was Groeizaam veel buiten, en hij bezocht regelmatig zijn grootmoeder en familie op Saramacca. “Ik hield van buiten zijn en voetballen”, vertelt hij. De verdere herinneringen aan zijn jeugd zijn voor de oude man lastig op te rakelen. Wel weet hij nog goed dat hij op zijn zeventiende al begon met werken. Hij kreeg zijn eerste baan bij het Palace Hotel op het Onafhankelijkheidsplein, dat toen nog Oranjeplein heette. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Groeizaam bij de Schutterij van het Nederlandse leger. In de oorlog waren de bauxietmijnen in Suriname van eminent belang om Amerika en Engeland van grondstoffen te voorzien. De Schutterij was voornamelijk in het leven geroepen om de bauxietmijnen te verdedigen. Groeizaam herinnert zich dat hij enkele malen afreisde naar het binnenland, maar voornamelijk gestationeerd was aan de Frans- Guyanese en Braziliaanse grens. “Men was immers bang voor invallen vanuit de buurlanden.” Na de oorlog verhuisde Groeizaam met zijn partner Alma Koster en de kinderen naar Lust en Rust in Commewijne, waar hij als cipier aan de slag ging in de strafgevangenis van Nieuw- Amsterdam. Hij werd uiteindelijk de trotse vader van elf kinderen. Zijn oudste dochter vertelt dat haar vader altijd streng was tijdens hun opvoeding, waarvoor zij hem zeer dankbaar is. “Mijn vader had alles voor ons over. Hij zei altijd dat we moesten leren om zelfstandig te zijn in deze samenleving en dat heeft ervoor gezorgd dat we allemaal goed terecht zijn gekomen”, vertelt ze. Groeizaam werkte na zijn pensioengerechtigde leeftijd nog tien jaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken; pas op zijn zeventigste ging hij met pensioen. Al eerder kreeg hij een onderscheiding voor 25 trouwe dienstjaren. Hij begint te glunderen als hij eraan terugdenkt. “Ik hield van mijn werk. De gouden speld die ik ontving, gaf ik aan Alma.” De herinneringen aan zijn partner worden hem plots wat te veel. Hij slaat zijn ogen neer en draait zijn hoofd ietwat afwezig naar het raam. “Mijn moeder is vijf jaar geleden op 96- jarige leeftijd overleden”, weet zijn dochter te vertellen. “Mijn vader vond dat zij de onderscheiding verdiende. Ze heeft die tot haar dood met trots gedragen.”

dinsdag, 01 juli 2014 00:00

Mathilde Tjon Jaw Chong

Geschreven door

Onze ouderen hebben een lang en vaak werkzaam leven achter de rug. Met Parbode blikken ze terug

‘Mijn man was een tikkeltje jaloers’

Op de tweede verdieping van bejaardentehuis Majella verwelkomt een opgewekte Mathilde Tjon Jaw Chong ons in haar bescheiden kamertje. De ramen naar het balkon staan opengeklapt en de wind wappert fris door de witte gordijntjes. ‘Thilly’, zoals Mathilde door familie en vrienden wordt genoemd, zit in een comfortabele lederen bruine stoel. “Ik was lekker aan het puzzelen. Zo spendeer ik meestal mijn tijd. Ik maak een puzzeltje, laat mijn hersens even werken en rust daarna weer wat uit.” Thilly woont inmiddels 21 jaar in het bejaardentehuis. “In 1980 overleed mijn man, en mijn kinderen wonen allemaal in het buitenland. Ik heb de eerste jaren nog wel alleen in het huis gewoond, maar ik voelde me op een gegeven moment niet meer veilig. Er waren in korte tijd twee mensen vermoord in hun huis, dus ik besloot in 1993 hierheen te verhuizen.” Ze vindt het heerlijk wonen in Majella. “Als er uitnodigingen zijn voor activiteiten, sta ik als eerste in de rij. Morgen gaan we in een busje met vijftien andere bewoners op stap om een verjaardag van iemand te vieren.” Ze wijst naar een grote rode agenda op het tafeltje naast haar. “Maar ik moet wel alles opschrijven hoor, anders vergeet ik het”, lacht ze. Dansen op de feestjes, doet ze niet. “Nee, dat deed ik eigenlijk nooit. Mijn man was een tikkeltje jaloers. Hij zei altijd: ‘Dansen is een vrije omhelzing naar anderen toe’, dus ik bleef braaf zitten. Dat doe ik nu ook; lekker zitten en genieten van de mensen om me heen.” Thilly is het tweede kind uit een gezin van acht kinderen. Ze leerde haar man kennen in het onderwijs; beiden werkten in het Rooms Katholieke Bijzonder Onderwijs (RKBO). “Maar toen we trouwden in 1947, raakten we allebei onze baan kwijt. Ik was in verwachting van ons eerste kind en destijds waren de regels erg streng; we moesten voor ons gezin gaan zorgen en daarnaast was geen plaats voor een baan.” Ze zochten hun heil op Curaçao, waar destijds veel werkgelegenheid was en meerdere Surinamers naartoe trokken. Ze kregen beiden al snel weer een baan in het onderwijs. “Curaçao was een heerlijke tijd. Ik genoot van mijn werk, de collega’s en de vrienden om ons heen. Ook kregen we nog drie kinderen. In 1963 wilde mijn man echter terug. Hij miste zijn familie en steeds meer van onze vrienden gingen terug naar Suriname of verhuisden naar Holland. Dat laatste was geen optie voor mij; Ik heb een hekel aan kou!” Terug in Suriname ging het echtpaar weer werken in het RKBO. Haar man had naast het werk nog een bijbaan als rijinstructeur. “Hij wilde me zo graag leren rijden, maar ik had er niets mee. Autorijden maakte me nerveus en ik zat er niet op te wachten dat hij me ging afsnauwen. Uiteindelijk ging ik toch overstag. En hij heeft me nooit geschreeuwd”, grinnikt ze. “Uiteindelijk heb ik nog geen jaar achter het stuur gezeten. Ik reed eerst nog vanaf ons huis in de Alexander Samuelstraat via de Schietbaanweg naar mijn ouders in de Prinsessenstraat. Maar toen zij in dat jaar besloten naar Holland te verhuizen, zag ik het nut niet meer in om de auto te pakken.” Haar familie woont dus grotendeels in het buitenland. “Maar ik heb mijn broer Leo nog, die woont in Huize Margriet. Hij komt af en toe op bezoek. En voor mijn negentigste jaardag kwam de hele familie over, en vierden we een groot feest hier beneden. Dat was echt geweldig!”

zondag, 01 juni 2014 00:00

Soekijo Djasmo

Geschreven door

Onze ouderen hebben een lang en vaak werkzaam
leven achter de rug. Met Parbode blikken ze terug

‘Politiek interesseerde me niet zoveel’

Aangekomen op het erf bij Leiding 11a blijkt het een bijzondere dag te zijn voor oud-parlementariër Soekijo Djasmo: hij wordt 79 jaar. “Nee hoor, ik doe niets speciaals op mijn jaardag. Ik dank de Heer iedere dag dat ik dit leven heb mogen leiden. Ik ben een tevreden mens.” Djasmo is geboren en getogen op deze plek. Zijn ouders waren de eerste bewoners van Leiding 11a. Ze kwamen uit Indonesië en vestigden zich al voor 1900 in Suriname om in de landbouw te werken. Djasmo groeide op als jongste in een gezin van drie kinderen. In 1985 liet hij zijn huidige woning bouwen. Zelf kreeg hij ook drie kinderen, en is inmiddels trotse opa van drie kleinkinderen. Zijn vrouw, die jarenlang in het onderwijs werkte, is al 25 jaar overleden. Djasmo woont nu met zijn zoon; zijn twee andere kinderen verblijven in Nederland. Zijn vader was politiek actief voor de KPTI. “Ik ging als vijftienjarige jongen al mee naar partijvergaderingen. Ik vond het zelf niet zo interessant, maar mijn vader had me nodig om aantekeningen te maken. Hij kon zelf niet lezen en schrijven.” Dat Djasmo zelf ook een politieke carrière zou krijgen, had hij nooit verwacht. “Ik begon in 1955 als politieman. Na vijf jaar had ik dat echter wel gezien, de onregelmatige uren vond ik niet prettig.” Vervolgens ging hij aan de slag als bestuursopzichter. Dit deed hij jarenlang; hij werkte in totaal bijna 53 jaar voor de overheid. Vlak voor de onafhankelijkheid twijfelde Djasmo over zijn toekomst. “We wilden naar Holland vertrekken, omdat een groot deel van de familie van mijn vrouw daar woonde. En in Suriname wilde mijn carrière niet vlotten. Ik ambieerde de positie van hoofdambtenaar, maar toenmalig NPS-minister Olton van Genderen stond er niet voor open mij te bevorderen. Het broertje van mijn zwager, toenmalig minister André Soeperman, kreeg lucht van mijn mogelijke vertrek en bood aan me te helpen. Hij heeft uiteindelijk de bevordering voor me geregeld. Als tegenprestatie moest hij uiteraard wel een NPS’er op zijn ministerie bevorderen.” De jaren na de onafhankelijkheid waren roerige tijden. Djasmo praat wat gedesillusioneerd over de militaire coup. “Maar ik was het wel eens met de militairen. De toenmalige regering verbraste al het geld dat Holland ons deed toekomen en gaf niets aan het volk. Er moest iets veranderen.” Na het herstel van de democratie in 1987 werd hij benaderd door de KTPI om zich kandidaat te stellen. Willy Soemita drong meerdere keren aan en kreeg het uiteindelijk voor elkaar hem als lijstduwer te strikken. Djasmo kreeg echter onverwacht een plek in het parlement. “In die tijd bepaalde de voorzitter alles. Als lid was ik slechts een passant. Gelukkig is dat nu anders. Politici durven individueel steeds meer te zeggen.” Djasmo zat zijn termijn niet uit. In 1990 vond de telefooncoup plaats, waardoor de zittende regering na drie jaar moest aftreden. Naast zijn werkzaamheden voor de overheid, maakte Djasmo tijd vrij voor zijn passies. “Ik heb een onderscheiding voor mijn actieve bijdrage aan de samenleving. In 1975 legde ik een voetbalveld aan achter mijn huis. Daar werden wedstrijden gespeeld voor de Sport Organisatie Leiding en Omgeving (SOLO), waar ik medeoprichter van ben. Ook organiseerde ik snelloopwedstrijden. Tot slot hield ik van een feestje. Ik liet een dansvloer aanleggen op mijn erf en gaf bijna iedere week een feest met een echte band. Vrij toegankelijk voor de hele buurt. Mijn vrouw verkocht dan drankjes en eten aan de bar onder een zelfgebouwde tent. Op goede avonden stonden we hier met 150 mensen te dansen. Ze kwamen zelfs van Paranam om hier te feesten. Een actieve sociale rol vervullen voor de buurt, daar kon ik mijn ziel en zaligheid in leggen. Dat maakte me gelukkig.”

donderdag, 01 mei 2014 00:00

Basdew Somai (83)

Geschreven door

 

Onze ouderen hebben een lang en vaak werkzaam
leven achter de rug. Met Parbode blikken ze terug

Basdew Somai (83)

‘Ik verbouwde van alles’

Een brede glimlach trekt over het gezicht van Basdew Somai (83) wanneer hij begint te praten over zijn grootste hobby: sport. “Ik heb altijd gevoetbald. Vroeger speelde ik samen met mijn broers op Leiding. Ik stond in de spits bij Perkash. Iedere wedstrijd scoorde ik een tot twee doelpunten; een hattrick heb ik nooit gemaakt. Wel zat ik er een keer heel dichtbij. We speelden een wedstrijd en ik stond op het punt mijn derde te maken. Vlak voor mijn schot werd ik gedjapt door de tegenstander. Ik kon drie maanden niet lopen.” Somai woont 62 jaar samen met zijn 79-jarige vrouw Dhanpati op Leiding 9a. Zijn grootouders emigreerden aan het eind van de negentiende eeuw vanuit India naar een gebied in West-Indië, waarna ze uiteindelijk in Suriname belandden om te werken in de landbouw. “Mijn vader betrok het huis hiernaast en trouwde met mijn moeder, die afkomstig was uit Saramacca. Ik ben dus hier geboren en opgegroeid”, vertelt hij. Somai was het tweede kind uit een gezin van zes kinderen. Tijdens zijn kinderjaren was er nog geen weg naar het huis aangelegd. Somai weet nog goed hoe hij door de modder ploeterde om naar school te gaan. “De modder kwam tot mijn knieën. Iedere dag worstelde ik me erdoor, met mijn slippers in de hand, want die mochten niet vies worden. Eenmaal bij school waste ik eerst mijn voeten, voordat ik naar binnen kon.” Toen Somai negentien was, trouwde hij met Dhanpati. “In die tijd waren de ouders nog verantwoordelijk voor het zoeken van een geschikte partner. Wij mochten het huis niet uit om zelf te ‘kijken’. Onze ouders hebben ons dus aan elkaar gekoppeld”, zegt hij. Toen meer broers en zussen huwden, werd het aardig krap in huis. Op een gegeven moment woonden ze met tien personen in een huis, dat was gemaakt van pinabladeren. “Als het hard regende, lekte het dak zo hevig, dat liggend slapen geen optie was. We stonden met z’n allen naast elkaar te slapen.” Na 25 jaar werd de hut ingeruild voor een houten huis met zinken dak. Later kocht Somai het perceel naast het huis van zijn oom, en bouwde daar zijn huidige huis. Het echtpaar Somai kreeg negen kinderen, heeft 27 kleinkinderen en veertien achterkleinkinderen. De familie voorzag in haar levensonderhoud door aan landbouw te doen. “Ik verbouwde van alles; bananen, cassave, soepgroenten. Later begon ik ook met padie inzaaien. Rijst verkopen bracht toen relatief veel geld op.” Het echtpaar had verder acht melkkoeien, de melk werd verkocht aan de Melkcentrale. Rond zijn 35e kreeg Somai werk bij de overheid. Hij begon als beheerder bij Openbaar Groen en wiedde het gras nog met een ouderwetse houwer. Rond zijn vijfstigste jaar kreeg hij lichter werk; hij ging overheidsauto’s wassen. Hij eindigde zijn carrière als privéchauffeur. “Dit vond ik prachtig. Ik mocht de hele dag rondrijden in een mooie auto. De wegen waren nog van zand en het verkeer was lekker rustig. Ik houd van auto’s. Ik had als eerste van de buurt een auto, een Volkswagen.” Naast voetbal had Somai een andere sportpassie: cricket. Hij speelde dit twintig jaar. “Op een gegeven moment waren we zo goed, dat niemand meer tegen ons wilde spelen. We waren gewoon onverslaanbaar! We kozen ervoor om op het hoogtepunt te stoppen en organiseerden met alle dertig spelers een feestje in de tempel verderop. Daar heb ik mooie herinneringen aan.” Met cricket doet hij tegenwoordig niets meer, maar hij is nu nog actief langs de lijn tijdens het voetbal op zondag. “Dat is mijn wekelijkse gezelligheid en ontspanning.”

 





zaterdag, 01 maart 2014 00:00

Eugene Daal

Geschreven door

Onze ouderen hebben een lang en vaak werkzaam
leven achter de rug. Met Parbode blikken ze terug

‘Eigenlijk praat ik nooit zoveel’

Eugene Daal werkte 49 jaar voor Drukkerij Leo Victor, is medeoprichter van de gelijknamige voetbalclub en oom van vakbondsleider Cyrill Daal, een van de vijftien slachtoffers van de Decembermoorden.

Op het balkon van een keurig onderhouden huis in de Virolastraat zit Eugene Daal (95). Hij woont hier bij zijn jongste zoon en schoondochter, sinds zijn vrouw in 2006 is overleden. “Ik woon hier alleen doordeweeks hoor. Mijn zoon en schoondochter vonden het niet verantwoord om mij alleen te laten wonen, daarom ben ik hier van maandagochtend tot vrijdagmiddag. In het weekend vertoef ik lekker in mijn eigen huis op Zorg en Hoop. Dan veeg en dweil ik de vloeren. Ja hoor, dat doe ik allemaal nog zelf!” “Eigenlijk praat ik nooit zoveel”, zegt hij tijdens het gesprek. Daar valt eigenlijk weinig van te merken. Daal werd op 7 mei 1918 geboren in Paramaribo. Tijdens zijn tweede levensjaar overleed zijn moeder en werd hij wees. Na vier jaar bij een pleegmoeder, was hij oud genoeg om naar het weeshuis te gaan in de Wanicastraat. Hier hebben de fraters van Tilburg zich over hem ontfermd. Zijn vader was op dat moment niet in beeld. Die meldde zich pas jaren later, toen hij al een volwassen man was. “Hij wilde me erkennen als zijn zoon. Dit heb ik geweigerd. Ik wilde de naam van mijn moeder behouden. Mijn vader was nogal een versierder toen hij jong was. Hij heeft ons in de steek gelaten.” Zijn vader was een getinte Engelsman en werkte als chauffeur in Commewijne. Zijn moeder was een lichte Creoolse dame. “Ik heb geen herinneringen meer aan mijn moeder, daarvoor was ik te jong. Mijn vader heeft mij uiteindelijk op zijn sterfbed om vergiffenis gevraagd voor zijn daden. Die heb ik hem gegeven.”

Leo Victor
Na zijn basisopleiding op de St. Jozefschool begon Daal met werken. De eerste vier jaar in het weeshuis en vanaf zijn zestiende voor Drukkerij Leo Victor. “In de tijd dat ik begon was het nog een sigarenfabriek. In 1937 nam frater Cornelis Smits een drukpers mee uit Nederland. Aanvankelijk was deze aangeschaft om het logo op de sigarenkistjes te drukken. Pas toen we in 1938 verhuisden naar de nieuwe locatie aan de Gemenelandsweg, is de drukpers in gebruik genomen”, vertelt Daal. Hier heeft hij tot zijn pensioen gewerkt. “Ja, 49 jaar. Dat is toch wel lang he? Ze noemden me op een gegeven moment ook baas Shenni, omdat ik er zolang werkte denk ik”, lacht hij. Daal heeft allerlei functies bekleed binnen het bedrijf. “Maar mijn leukste tijd was vanaf 1954 toen ik chauffeur werd. Geweldig! De wegen waren toen nog zo lekker rustig”, vertelt hij. Trots is Daal op het feit dat hij een van de oprichters is geweest van de voetbalclub Leo Victor, die in december dit jaar zijn tachtigste verjaardag viert. “En ze doen het nog steeds goed hoor in de competitie!”, zegt hij glunderend.

Organist
Daal heeft één grote passie. Muziek. “Ik kan me de eerste dag nog herinneren dat de radio werd geïntroduceerd in Suriname. Ik hield dat ding stijf tegen mijn oor gedrukt. Iets waar muziek uit kwam, fantastisch!” Hij vertelt enthousiast over zijn muzikale loopbaan. Het begon met harmonium spelen bij de fraters, maar toen hij eenmaal kennismaakte met het orgel in de St. Rosakerk aan de Prinsenstraat, was hij verkocht. Het orgel stond echter niet direct tot zijn beschikking. “Ik zat eerst in het kerkkoor, dat heb ik negentien jaar gedaan. Op een gegeven moment ging de organist voor een jaar naar Holland. Voor mij de kans om zijn taak tijdelijk over te nemen. Hij kwam alleen nooit meer terug. Zodoende heb ik het orgel 49 jaar met veel liefde kunnen bespelen.” Daal heeft een pauselijke onderscheiding ontvangen voor zijn jarenlange loyaliteit aan de kerk. De ogen van de oude man beginnen te twinkelen. “Het bisdom had drie tickets beschikbaar gesteld naar Rome, voor de mensen die een pauselijke onderscheiding bezaten. Na de loting viel ik buiten de boot. Maar wat gebeurde er; een van de mensen ging niet en ik mocht in zijn plaats!” Eenmaal in Rome gebeurde er iets speciaals. “Ik weet niet meer precies hoe het ging. Volgens mij liet onze pater vallen dat ik het orgel kon bespelen. Voordat ik het wist zat ik achter het orgel in een kerk in Rome tijdens de dienst. En niet één dienst, ik heb de volgende dag wéér gespeeld. Dit moment zal me altijd bijblijven.” Hij speelt nog steeds. Verdrietig vertelt hij over zijn kapotte piano in zijn huis op Zorg en Hoop. “Er zijn vier snaren gebroken en ik kan niemand vinden om die te vervangen. Vroeger woonde er een Engelsman die dat kon naast de St. Rosakerk, maar die is al overleden.” Daal oefent nu dagelijks op een keyboard om zijn vingers soepel te houden. “Zo’n klein dingetje. Het gaat helemaal op stroom. Toch haalt dit het niet bij mijn piano. Ik hoop dat hij ooit wordt gerepareerd.”

Een zwarte vlek
Ondanks dat het grootste deel van zijn familie in Nederland woont, zal Daal Suriname nooit achterlaten. “Ik hou van Suriname. Het klimaat, de mensen. Iedereen leeft hier vrij goed met elkaar onder één dak. Nee, ik hoef hier niet weg.” Wel wil Daal zijn hart luchten over de regering. De dag dat de huidige president is geïnaugureerd, is voor hem een zwarte bladzijde in zijn leven. “Hoe kan het volk de macht geven aan een man die zoveel mensen heeft vermoord? Ik stel hem verantwoordelijk voor het verlies van mijn neef, Cyrill Daal.” Daal wordt emotioneler naarmate hij verder praat. “Hij liet de drukkerij en de Moederbond opzettelijk in brand steken en niemand mocht blussen. Niemand! De bond moest tot op de grond toe afbranden.” Daal hoopt niet dat Bouterse wordt herkozen, maar weet dat hij alles op alles gaat zetten om opnieuw president te zijn. “Mensen moeten niet meer op hem stemmen! En dit zeg ik gewoon. Ik ben niet bang. Als ik alleen thuis ben, gaat de poort op slot. Niemand kan mij hier weghalen”, zegt hij zelfverzekerd. “De andere partijen moeten samenwerken en Bouterse eruit werken. Ik heb er geloof in dat wanneer iemand anders aan de macht komt, het proces tegen Bouterse weer wordt opgepakt en hij wordt veroordeeld. Dat is nog een wens van mij: gerechtigheid.”

 

Pagina 3 van 3