Boiti

Boiti (24)

vrijdag, 16 december 2016 09:41

Memre Japi

Geschreven door

En opeens lag mijn lieve Japi roerloos op de vloer van zijn buitenkooi, als een slordige, neergekwakte hoop bonte, kleurrijke, exotische veertjes. De verbijstering kon niet groter zijn. Japi is dood?! Japi, die zo vanzelfsprekend was als de zon, de maan en de sterren, die het eeuwige leven had, of toch minstens vijfenzeventig zou worden. Japi, die ons allemaal zou overleven, onze enige erfgenaam. Om alle dieren op het erf maak ik me doorlopend zorgen. Om de pups, inmiddels alweer vier jaar, die alle twee een keer door een piranha zijn gebeten en toch nog stiekem de rivier in gaan. Raaf Romeo, die al zo vaak ontsnapt is en dan pas dagen later weer uitgehongerd terugkeert. Tigri, de kater die, toen hij z’n ballen nog had, elke ochtend het huis binnenkwam strompelen met een kop als Cassius Clay. En de stokoude Jessy met haar pijnlijke reumabotten. Het zijn allemaal zorgenkindjes. Maar Japi was altijd gewoon Japi. Soms had hij weliswaar iets raars; een wrat op zijn ooglid die maar groeide en groeide, de dokter is er nog naar wezen kijken, maar opeens was dat ding verdwenen – als sneeuw voor de zon. En op een keer bleef zijn snavel maar doorgroeien; te weinig op houtjes geknaagd. We hebben zijn snavel geknipt, en dat was dat. Want verder... Japi was er gewoon, binnen of buiten. Met hem kon het eenvoudigweg niet mis gaan.

We woonden nog in Paramaribo-Noord, omdat René ons riviercruiseschip Mi Gudu aan het bouwen was. En in die tijd had ik, tot mijn grote verdriet, al drie kleine poesjes verloren – alle drie vergiftigd door kwaadwillige buren met een volière. Vriend Marcel vond het welletjes en deed me een kaal ‘orange wing’ papegaaienkuik (kule kule) cadeau. In een doos stond hij op me te wachten aan boord van het schip, dat toen al in het water lag. Laat Japi gelijk die eerste dag al een aanrijding meemaken! Dat kwam zo: een hijskraan van het bedrijf waar wij bouwden was van de rem af gesprongen en raasde vervolgens als een dolleman het terrein over, richting het kanaal. Hij zou nu nog op de bodem liggen, ware het niet dat hij in volle vaart tegen Mi Gudu aanknalde en daar bleef hangen. De holle dreun in de kale romp moet lang nagegalmd hebben in het kopje van de jonge vogel.

Enfin, ik haalde hem op, schrok van zijn kale lijfje, maar begon hem trouwhartig brood met melk in zijn snaveltje te proppen, want dat hoort zo met jonge vogels was mij verteld. En nu komt er een episode waar ik nog steeds diepe spijt van heb. Marcel had me geadviseerd om hem te ‘branden’ zodat hij niet meer weg kon vliegen. Hoewel ik me nauwelijks realiseerde wat dat ‘branden’ inhield, ging ik op zoek naar een dierenarts die me kon helpen. Uiteindelijk vond ik een oude Chinees die Japi’s kopje in een closetrol duwde en met een soldeerbout de schouder van zijn vleugel – letterlijk – brandde. Het wondje moest ik verder maar desinfecteren met blauwsel uit zo’n spuitbus. Het werden verschrikkelijke weken, want de wond heelde niet en de vogel werd steeds angstiger van mijn handen. Het heeft hem voor het leven getekend. Hij zou later nog wel op mijn schouder komen zitten. Ik mocht hem ook wel op zijn kopje kroelen, maar het was beslist een schuw en angstig dier geworden, en dat is in de loop der jaren eerder meer dan minder geworden.

Toch hadden we geweldig veel lol in die beginjaren. Ik was hoofdredacteur van de Parbode en elke dag stapte hij in zijn reiskooi en ging hij met me mee naar de redactie. Daar had hij z’n eigen roze kooi. Doorgaans liep hij gewoon los, knagend aan computerkabels en potloden, knabbelend aan andermans lunchpakket of soms klauterend via mijn schouder naar mijn kruin. Daar zat hij dan triomfantelijk om zich heen te kijken als hoofd-hoofdredacteur!

De eerste echte tocht binnendoor naar Nickerie, een schip vol vrienden en dagen onderweg, natuurlijk mocht Japi niet ontbreken. We hadden een zaagmachine aan boord, en al varend legden de mannen een vloer in de zitzaal, in de stuurhut. Er werd een kaartentafel gebouwd plus een opklapbare bank. Wat heeft mijn vogel die tocht een hoop herrie te verduren gehad. Wij ook trouwens. En we hebben die hele reis geen één wild dier gezien; allemaal op de vlucht naar Brazilië, stelden we ons zo voor.

Overigens, Japi is nooit een echte prater geworden. Hij riep zijn eigen naam, met een telkens weer verbaasde octaafhoogte naar de ‘I’, alsof er een vraagteken achter moest. Een of andere burgerturf heeft hem op die reis heimelijk het sukkelige ‘koppie krauw’ aangeleerd. Dat liet Japi zich héél af en toe beschaamd ontvallen. Hij kon ook het Surinaamse volkslied fluiten. En, na een middag waarop een alarm van de buurman ongestoord zeven uur stond te loeien, kon hij op de wonderlijkste momenten alarm slaan; net als je geen alarm nodig had.

We zijn verhuisd naar Saramacca, aan de oever van de rivier. Boven, in onze huiskamer, zaagden we een gat in de buitenmuur naar het balkon; Japi kreeg zijn oude kooi tegen de muur geplakt en aan de andere kant van het gat een riante buitenkooi van waaruit hij de omgeving streng inspecteerde.

Hij was mijn vogeltje. We waren elkaar zo toegedaan, maar toen Japi geslachtsrijp werd, wilde ze steeds minder van me weten. Ze. Ik vermoed dat het Japinette was, opeens verslaafd aan René, aan alle mannen die op bezoek kwamen. En maar grauwen tegen mij.

‘Japi is klaar!’ Degene die het eten voor alle dieren die dag toebereidt, roept het naar boven, en wie zijn handen vrij heeft, draaft de trap af naar de keuken. Want Japi zijn ontbijt geven, dat is elke dag een feestje; koerend, kirrend, tokkelend verwelkomde hij zijn twee bakjes. Standaard: banaan, papaya, ananas, appel en peper, maar hing je het bakje op, dan loerde hij er met zijn linkeroog in: mopétijd? Nog een kers? Al manjaseizoen? En daarnaast zijn droogvoerbakje met papegaaienmix, zonnebloempit, doppinda’s en walnoot. Hij kon er zo verlekkerd op aanvallen.

En nu sta ik daar, met die twee bakjes pretpakket. Overweldigd te kijken naar een dier dat niet dood kon. Geen clou. Geen idee waarom hij ons op deze vroege donderdagochtend verlaten heeft. René en ik missen Japi vreselijk. We zijn van de leg, om in Japi’s vocabulaire te blijven. Dag lieve hoofd-hoofdredacteur.

maandag, 22 augustus 2016 09:47

Daar zakt de broek van af

Geschreven door

Het overkwam me keer op keer bij de pakkettendienst: een douanebeambte die ons naar achteren wenkt, in zijn kantoortje, met een gewichtig gezicht door een dik boek met de laatste tarieven bladert, vervolgens ad random zijn vinger op een lemma drukt en zegt: ‘Ah, dit is het tarief’. We krijgen niets te zien, mogen niet meekijken, maar het tarief is torenhoog, dat kan ik wel melden.

Vervolgens ontstaat, buiten dat kantoortje, een sneeuwstorm aan wervelende formulieren, bonnetjes, documenten, stempel hier, stempel daar en als je eenmaal op straat staat met je pakketje, dolblij dat je het felbegeerde hebbedingetje uit Europa of de VS hebt, realiseer je je opeens dat je niets wezenlijks in handen kreeg: geen betaalbewijs, helemaal niks. Alleen je pakketje. Dan dus: hoe dan? Dat zou me niet nog eens overkomen.

We hadden een heteluchtoventje gekocht in Nederland, en naar het Hollandse adres van het pakkettenbedrijf laten bezorgen. En vanmorgen kwam het verheugende nieuws: hij was aangekomen! Dus met rode koontjes van de opwinding naar de stad gereden, René juich-zingend: ‘We hebben een o, o, oventje, daar gaat een kip, kip, kippetje in, een kippetje zonder kop...

Bij het bedrijf aangekomen, moesten we de transporten afhandelingskosten betalen, fors voor zo’n kleine investering, maar ja, dan moet je je oventje ook maar niet door de lucht laten komen. Ik kreeg van een schattige mevrouw een kwitantie voor dat bedrag en vervolgens: op naar de douane.

Daar werd mij, gek genoeg, de kwitantie en het leverantieformulier uit handen gerukt. Daarmee holde de werknemer naar achteren, en bracht vervolgens een grote doos met daarop het opschrift ‘Aan Tafel!’ en een plaatje van de oven. Ik kreeg het formulier terug, maar niet het reçu. Doos open, en de twee douanedames reageerden: ‘Ja, nee, daar moet onze chef naar kijken.’

Die was net even weg, dus: wachten. Maar oké, na een half uurtje zagen we hem aan komen stiefelen en ik herkende hem onmiddellijk.

Zelfde procedure: dik boek, blader, blader, even terugslaan voor de zekerheid, nee, toch even verder, ah, daar had hij het: ‘Ik schat uw product op vierhonderd srd en reken u honderddertig en twintig cent.’

Gebaseerd waarop? Ik zal het nooit weten. Maar ik heb het hem betaald.

Het betrof een formulier met twee doorslagen, dus een witte, een groene en een roze. En alle drie gingen terug naar het bureau voor het kantoortje. Hop, de sneeuwstorm ging van start, hier ging een carbonnetje onder een ontvangstbewijs, dwarrel, dwarrel en ik kreeg een groen vodje waarop niets te ontwaren viel. Waar is mijn reçu dat ik voor het transport heb betaald? ‘O! Wilt u dat terug?! Dan moeten we even een kopietje maken! Even geduld, alstublieft.’ Na een kwartier kreeg ik mijn oorspronkelijke reçu. Zij hadden dus kennelijk dat broodnodige kopietje, al mag je me doodslaan waarom ze dat zouden willen als de dame aan de kassa al met carbonnetjes werkt. ‘Oké,’ zei ik, ‘en dan nog graag een betaalbewijs van de invoerrechtenbelasting.’ Ze keken of ik van de ratten besnuffeld was. ‘Dat hebt u allang! Kijkt u eens in uw handtas!’

Pro forma werd er nog een beetje gehosseld, gezocht, gedingest en gedongest. René keek van een afstand bij zijn oventje, en vroeg zich af wat er aan de hand was. Hij wilde gaan. Maar nee, ik lag dwars. En opeens ging de bovenste bureaula open. Ach gut, daar lag mijn roze papiertje, met stempel en, heel vaag, dat uit de lucht gegrepen bedrag van 130. Toen ik iedereen een fijn weekend wenste, kreeg ik van niemand antwoord, alleen nors wegkijken.

En daar mag iedereen zijn eigen conclusies uit trekken. (Met in het achterhoofd dat ik in het verleden dus stelselmatig zonder de betaalbewijzen ben weggebonjourd.)

Toen kwam onze aftocht. U moet weten, er worden de laatste tijd veel pakketjes verstuurd naar Suriname. Dus de hal was redelijk vol. Bovendien staken dus die boze douane-ogen in onze rug. Maar René droeg die doos. Veertien kilo, je spant toch je spieren samen – ook je buikspieren. Dus hij mompelde: ‘Noor, trek mijn broek even op.’ Dat deed ik. Maar met weinig effect.

Dus uiteindelijk, zie je het beeld voor je? Daar was René met Doos en erachter een dribbelende Noor met klauwtje hijsend aan de tailleband, helemaal tot de auto. Mi Gado, wat hebben we gelachen.

Nu zeggen vrienden: ‘Stom dat je zo hebt gereageerd. Wat maakt het jou uit in wiens zak je invoerrechten verdwijnen? Zo maak je vijanden en pakken ze je de volgende keer helemaal.’ En dat is dus helemaal waar. René en ik kunnen het verder vergeten bij dit bedrijf, en waarschijnlijk bij alle andere pakketdiensten. Maar als niemand ooit de kat de bel aanbindt, juist uit vrees voor dat soort repercussies, dan zal er dus nooit, nooit, nooit iets veranderen.

Mijn collega’s van Parbode horen de meest gruwelijke verhalen over corruptie, afpersing en ordinaire zakkenvullerij. ‘U mag het gebruiken, maar zet mijn naam er alstublieft niet bij.’ Laten we de beerput toch eens openen. Met kleine incidenten en grove schandalen!

J’accuse. We klagen ze aan!

maandag, 20 juni 2016 11:37

Cups in de ban

Geschreven door

Tja, en dan ben je Met een vracht aan solar. zonnepanelen op je dak. En een onafzienbare rij batterijen, extra gekoeld door een kleine airco in een luchtdicht geïsoleerd magazijn opdat die accu’s nog tien jaar langer meegaan.

Dat doe je vanwege de almaar stijgende kosten die voor stroom gerekend worden, zeker, maar toch in toenemende mate ook om (ik neem hier even een zeer korte bocht) de aarde te redden.

Ons zwembad had al vanaf het begin een zoutoplossing (die heerlijk aanvoelt aan je huid en je haar – anders dan chloor – niet groenroze verkleurt), maar nu hebben we die lijn doorgetrokken. Zo komen er hier geen cups meer op het terrein; we hebben hele stapels metalen bekertjes gekocht waarin nu soft en bier wordt geschonken. Plastic bordjes en foambakjes: ook streng verboden, alles wat we gebruiken moet afwasbaar zijn en dat lijkt me, in elk geval voor Suriname, al een Gulliverstap in de juiste richting! Voor de boodschappen hangen in de appartementen linnen boodschappentassen; ook hier zijn de plastic tasjes taboe (ik word zelfs fysiek onwel wanneer omu voor één enkel item al zo’n zakje trekt; nee, nee, moeten we niet meer!).

Eigenlijk willen we graag gecertificeerd worden, hoewel ik me afvraag of zo’n groen mannetje helemaal naar Su wil afreizen, enkel en alleen om ons te testen. Maar we zijn wel de vereisten voor zo’n certificaat gaan bekijken. Green Key is de organisatie die wereldwijd het milieubeheer toetst en certificeert voor onder andere hotels, campings, attractieparken en bed and breakfastgelegenheden. Zij stellen dus de voorwaarden vast.

En die zijn niet kinderachtig. Zo moet je de waterdoorstroom van douche (negen kilometer per minuut), kraan (zes kilometer per uur) en toilet verminderen. Hoe doe je dat? Ja, een baksteen in de cistern van de wc, dat moet lukken. Maar verder?

En dan het afval. Dat dient gescheiden te worden. nu hebben we drie composthopen (voor de verschillende fasen van composteren) en in elk van de vier huisjes staat een afvalbakje met deksel voor de schillen. Dus dat zit wel snor. En plastic willen we ook wel gaan verzamelen, hoewel het niet helemaal duidelijk is waar je het vervolgens laten moet, want kilometers rijden met je zakken vol petflessen, dat kan ook de bedoeling niet zijn.

En dan het glas – er is in heel Suriname geen glasbak te vinden. Glas is organisch materiaal dat door de natuur (die moet er wel geduld voor hebben) wordt afgebroken, dus, ja, soms gooien we wat glaswerk in de rivier. Is dat nou goed of slecht?

Op het gebied van de energie zitten wij dan redelijk goed, want ook een deel van de buitenverlichting heeft zonnecellen en de koelkasten gaan uit als de gasten vertrokken zijn. nou ja, en we hebben dus al die zonnepanelen en zonneboilers. Alleen gas. Dat moet ook bio zijn. Is hier niet.

Maar dan: de tuin. Je mag natuurlijk geen gif spuiten, nee, dat is uit den boze. Maar je mag je gast toch ook niet laten besmetten met het zikavirus of dengue, dus wat moet je dan doen? De mug beleefd vragen te vertrekken?!

Kom je bij de mobiliteit. We verhuren fietsen, dat levert weer pluspunten op. En we informeren de gasten over het openbaar vervoer (de bussen stoppen hier voor de deur) en hebben dat op de website vermeld, nog meer puntjes voor ons!

Alleen: hoe kom ik aan een schuimbrandblusser gevuld met biologisch afbreekbaar blusschuim (met milieukeurmerk)? En als ik alleen nog maar mag printen op duurzaam printpapier van een Europees ecolabel, moet ik dat dan helemaal uit nederland laten komen?!

Grootste hoofdpijn krijg ik van de schoonmaakspullen. Alle doekjes en dweilen moeten microfiber zijn, die kun je hier krijgen, dus die gebruiken we inmiddels. De zeep moet in dispensers en moet een ecologisch keurmerk dragen, idem de schoonmaakmiddelen; alles moet een keurmerk hebben. Dus zijn we naar tulip getogen, want een kennis had ons verteld dat deze supermarkt die dingen verkocht.

Eindeloos dwaalden we – de leesbril in de aanslag langs honderden merken afwas, hoofdwas, wasverzachter. Er was een duur merk waarop stond dat het geen geur en kleurstoffen bevatte, maar dat werd vooral gebruikt voor kinderen met een allergie. De verkoopster keek of ze het in Keulen hoorde donderen, toen we haar vroegen om groene producten; ze had geen idee! ten slotte vonden we een afwasmiddel dat zich erop liet voorstaan ecologisch verantwoord te zijn. Maar dan wel drie keer zo duur als een gewoon afwasmiddel. Dus, om allerlei rotzooi zoals kleurverf en parfum juist weg te laten in je zeep, moet je daar extra voor betalen!

Ook bij de buurman, Ali’s drugstore, stond men met de oren te klapperen toen we met onze vraag aankwamen. Maar de manager begreep ons wel. Hij leidde ons naar natuurlijke middelen als schoonmaakazijn, die weliswaar geen eco-etiketje droegen, maar dat wel waren. En hij zou voor ons uitkijken of er in de groothandel niet meer ecologische producten voorhanden zijn.

Het goede nieuws: Best Markt verkocht ecowijn! Meteen de hele voorraad ingeslagen! Het slechte nieuws dan weer: die voorraad wordt niet meer aangevuld, dus, zoals dat steeds weer in Su geldt: op = op en komt nooit weerom.

Het is, met andere woorden, op veel gebieden vrijwel onmogelijk om in Suriname ecologisch verantwoord te leven. Het land is de afgelopen jaren wel schoner geworden, mensen gooien steeds minder vaak hun afval plompverloren uit het autoraampje. Maar echt zuinig met de natuur omgaan, dat bewustzijn moet nog groeien, denk ik. En tot die tijd kan ik naar een Green Key-certificaat fluiten!

woensdag, 18 mei 2016 10:14

Vaar wel Mi Gudu

Geschreven door

Het is gedaan, volbracht, jeux sont faits oftewel deles teerling is geworpen: onze Mi Gudu is verkocht, dat prachtige, voor de regio eigenlijk veel te luxueuse riviercruiseschip met haar elegante hutten, elk met eigen badkamer, airco en romantische patrijspoorten, met die geweldige gelambriseerde zitzaal en die onwaarschijnlijk compacte kombuis (keuken), waarin toch alles aanwezig is; van horeca-afwasmachine tot ijsblokjesmaker (mijn grote trots!). Allemaal bedacht, ontworpen en in Suriname gebouwd door René en zijn ploeg.

Deze morgen vond de proefvaart plaats met belanghebbenden en gecertificeerde specialisten, en de heren waren diep onder de indruk. Grappig: de oudste twee keurmeesters, die verwoed op het beeldschermpje van de dieptemeter tikten, er daarna met hun vingers over veegden; alsof het hier een hedendaagse touch screen was. terwijl de dieptemeter al tien jaar oud is en bovendien: vrijwel het enige onderdeel van Mi Gudu dat niet meer werkt. Een van hen had zelfs een stethoscoop op zak, die hij te luister legde tegen de wanden van onze (volledig gereviseerde) DAf motor; de tranen sprongen hem bijkans in de ogen, zo gelijkmatig (‘strak!’) ploften de cilinders. En, ja, ik voelde ook wel wat traanvocht dringen. omdat René eigenlijk nu pas, na al die jaren, zo veel erkenning kreeg. Zo veel complimenten. Zo veel ontzag voor zijn vakmanschap. op de een of andere manier was hem dat in de afgelopen tijd hier in Suriname niet zo erg gegund.

Wat overigens niet de reden was dat hij van het schip afwilde. Mi Gudu was nooit een Droom, nooit dat Ene Ding wat een Mens in Zijn Leven Nog Moet Voltooien. Ze was eigenlijk meer een ideetje, ontstaan toen we hier vele jaren geleden op huwelijksreis kwamen en René’s hernia ons belemmerde om over land nog veel tripjes te maken. terwijl een vaartocht, anders dan met de gammele Lady Blue, op de rivieren niet te vinden was. Gat in de Markt! Moesten wij dat niet vullen?! Zo ontstond het plan en kochten we gezellig bij Kasco aan de Heerenstraat schetsboek, potloden en veel gummetjes. In ons pensionnetje hebben we eindeloos en vreselijk genoegelijk zitten schetsen, dagdromen, rekenen. Waren we aan het luchtfietsen, zoals vrijwel elke toerist op zijn eerste reis naar Suriname schijnt te doen? of had het plan levensvatbaarheid? Achteraf kunnen we zeggen: ja en nee. Het schip is er daadwerkelijk gekomen, maar succesvolle zakenlieden waren we niet en werden we evenmin. In Paramaribo heeft ze nog wel de nodige tripjes gevaren, maar toen we met haar naar Saramacca verhuisden en ze uit het zicht verdween, waren de jaarlijkse charters maar net op twee handen te tellen. En hadden wij ook eigenlijk allang geen zin meer om mee te varen.

Dus gaat ze ons nu verlaten. Ruilt ze ons in voor baasjes die haar echt ten volle zullen exploiteren. En daar hebben we vrede mee.

Maar met het naderende afscheid worden we toch overvalllen door weemoed en een schat aan herinneringen; hoe we, nadat we bij een volgend bezoek aan Su toestemming hadden gekregen om invoerrechten vrij te importeren, met mijn zeventien jaar oude Suzuki door het land tuften, om bij een hoogst laatdunkende, onuitstaanbare werfdirecteur een schip te ontwerpen en aan staalplaten te laten snijden; ik ergerde me zo verschrikkelijk aan die neerbuigende houding, dat ik uiteindelijk niet meer mee mocht. Nadat René’s varende woonschip in Amsterdam verkocht was, mochten we in de zomer van 2003 met een goed gevulde beurs in een soort horecaluilekkerland ons fornuis uitzoeken, en de gekoelde werkbank, en de vriezer, o ja en zo’n hangende sproeikop voor de wasbak leek ons ook heel handig. friteuse? Ach, doet u maar. Inclusief afzuigkap, dan, hè? Professionele afwasmachine die in 2 minuten de vaat doet? Pak maar in, hoor. En ach, die ijsblokjesmachine, was die niet schattig?!

We bestelden de Daf-motor in Dordrecht en kwamen geregeld kijken hoe die helemaal uit elkaar gehaald en in elkaar gezet werd; pas in de winter trokken we er weer in mijn bejaarde auto’tje naar toe om hem, terwijl we stonden te rillen van de kou, onder een afdak aan een kanaal te zien en horen snorren. En al die spullen, tot aan de patrijspoorten aan toe, kregen we pas weer in Suriname te zien, btw-vrij verscheept door al die bedrijven.

We gingen bouwen aan de Saramaccadoorsteek, bij het staalbedrijf waar onze nieuwbakken vriend Maarten van der Jagt op dat moment bedrijfsleider was. Vanaf het moment dat de containers arriveerden, brak voor René een spannende en zware tijd aan; elke ochtend om zeven uur in de Hilux de hele stad doorkruisen om met zijn bescheiden bouwploeg systematisch dat waanzinnig grote schip te gaan bouwen. In een periode waarin het regenseizoen het liet afweten en René zo veel zweette dat hij als een dronkenman liep te zwalken en van de duizeligheid niet meer dorst te rijden: stokerskramp, zo diagnostiseerden ervaren machinisten die zich nog de verhalen herinnerden over hoe de machines van stoomboten in de loeihitte door stokers aanhoudend volgeschept moesten worden. Remedie: zout, zout en nog eens zout.

En ik? tja, dat was ik in die hele drukte van de voorbereidingen eigenlijk even vergeten: wat moest ik zo lang doen?! Van drukbezette journaliste werd ik opeens getransformeerd tot een lanterfanterende huisvrouw die met andere Nederlandse vriendinnen overdag rondhing op oase of ging winkelen in die duffe Domineestraat. Niet echt bevredigend... Wat was ik blij dat ik in december van dat jaar de aanbieding kreeg om hoofdredacteur van Paramaribo Post te worden! En dat, toen dat blad na een half jaar ophield te bestaan, ik een mail van ene Jaap Hoogendam uit Nederland kreeg met het voorstel een nieuw opiniemaandblad op te zetten! tien jaar geleden alweer dat we, binnen drie weken, het eerste nummer met Alice Amafo op de cover aan de wereld konden presenteren. Het grappige is dat we kort na dat debuut onze eerste proefvaart binnendoor naar Nickerie konden maken; ik heb er uitvoerig in Parbode verslag van gedaan.

Wat hebben we in die tijd veel lol gehad, zowel met het schip als op de redactie! Gouden jaren waren het!

Maar ach, met Parbode heb ik al jaren nog maar nauwelijks bemoeienis; toen we verhuisden naar de Saramaccarivier was de afstand te groot voor een betrokken hoofdredacteurschap. En Mi Gudu is eigenlijk ook al een gesloten hoofdstuk, ook al lag ze hier zo vertrouwd voor de deur. Dus ik vermoed dat haar vertrek pijnloos zal zijn, hoewel afscheid nemen altijd weemoedig maakt.

dinsdag, 22 maart 2016 08:48

Dank Danette, Dank

Geschreven door

A fgelopen zondag vormde ons zwembadterras de achtergrond van een wel heel bijzonder feestje: kersverse pleegouders met hun door Danette de Bye uit de vergetelheid gesleepte kweekjes, hadden Danette een surprise birthday party bezorgd, om haar nog eens extra in het zonnetje te zetten en te bedanken voor al die jonge leventjes die ze de kleintjes heeft teruggegeven.

Een jaar of tien geleden, ik had toen nog een vaste column in het Amsterdamse dagblad Het Parool, schreef ik over De Byes Beestenbende. Want Danette, echtgenote van chirurg John de Bye, runde toen samen met haar twee zoons op het erf aan de Anamoestraat een ware dierentuin met otters, keskesi, babuns, kwatta-apen, een wasbeertje en Milou, een zeldzame margay-kat. Maar haar zoons gingen voor studie naar nederland en zelf werd ze ernstig ziek - borstkanker. Dus ging de hele ménagerie met hokken, voederbakken, speeltjes en wat dies meer zij naar de Paramaribo Zoo. En werd het heel stil in huize de Bye.

Een jaar of twee later, ze zat nog in de nabehandeling, kwam haar man op een dag thuis: ‘Er ligt bij ons een ziek jongetje dat al bij zijn geboorte in het ziekenhuis is achtergelaten. Ik heb hem nu vier keer geopereerd, hij heeft een aangeboren darmafwijking, maar als hij daarvan herstelt, kan hij nergens naar toe. Dus blijft hij maar daar, de kinderarts geeft hem gratis luiers en medicijnen, de verpleegsters zorgen voor afgedragen kleertjes, maar verder heeft hij niets. En nou zei hij vanmorgen tegen me: neem me mee naar je huis, no?!’ Danette: ‘John huilt zelden of nooit, maar toen hij me dit vertelde, huilde hij. Het was 18 december 2008 en die dag heb ik abrupt de beslissing genomen: ik wil hem wel hebben! Al veel eerder had ik rondgebazuind: als ik een kind vind, dan is het van mij, ik zeg niets tegen de politie en hou hem bij me! En nu kruiste deze jongen van twee mijn pad...

‘Ik ben direct naar Sweetheart gereden om een speelgoedhond voor hem te kopen, toen door naar ‘s Lands. Hij lag daar te midden van kinderen die doorlopend bezoek kregen. Voor hém kwam nooit iemand. Hij was zo verbaasd: ‘Komt tante echt voor mij?’ ‘Ja, en vanmiddag kom ik weer!’ ‘Echt?!’ Daarna ging ik met het ziekenhuis praten om hem mee te kunnen nemen. En om zijn naam te veranderen; hij heette Jordano, sindsdien is het Giordy. ‘Mijn volgende stop was Beyrouth Bazaar: kleren kopen voor mijn jongen. En een bedje, babystoel, flesjes, alles, alles, je kunt het je gewoon niet voorstellen, alles in één winkel! En de volgende dag is hij bij ons gekomen. Zijn ouders? Ja, ze leven nog, zwaar aan de drugs, ze wonen ergens in een zijstraat van Kwatta, met nog een stel kinderen. Sanitair is er niet; ze doen hun ding gewoon op een krant en gooien het hele zaakje uit het raam...

‘Die eerste periode moesten we elke drie maanden naar nederland vliegen om zijn darmen te laten spoelen. Maar de laatste jaren gaat het hem goed, hij moet nog een poedertje per dag drinken en zijn buik ziet eruit als een oorlogsslagveld, maar hij is een gezond, heel vrolijk jongetje.

‘En Zahir is na de geboorte gewoon op straat gelegd, in een steeg naast een omu Sneisi, vlak bij het Diakonessenziekenhuis. Ik hoorde het op het nieuws en ben hem direct gaan zoeken. Hij bleek in het Academisch Ziekenhuis te liggen en ik heb contact gezocht, want ik had al besloten: die baby ga ik houden tot er goede ouders zijn gevonden. Ik moest het natuurlijk wel aan Bureau familierechtelijke Zaken (Bufaz) melden en zij zouden ook op zoek gaan naar geschikte ouders. Hij is nu drie jaar en heeft een fantastisch leven!’

Daarna kwam een jongetje, resultaat van een door een Creool verkrachte Inheemse vrouw uit het diepe zuiden van Suriname: ‘Hij was te vroeg geboren en moest in het ziekenhuis in de couveuse. De moeder nam hem daarna mee, maar twee weken later bracht ze hem terug: haar jongetje was zwaar verwaarloosd: ondervoed, uitgedroogd, zat onder de schurft, dat hoopje ellende kreeg ik. En kijk hem nu: een half jaar oud, zo’n mooie jongen; ik heb zelf de ouders gezocht en ze zijn dolblij met elkaar!’ Zo moederde Danette zich de afgelopen jaren door drie jongetjes en twee meisjes.

‘Vondelingen en afgestane kinderen gaan normaal gesproken naar een kindertehuis. En wat is dan verder je leven? Want in tehuizen geldt de regel dat het kind daar twee jaar onafgebroken moet blijven wachten of de ouders hem of haar toch nog komen zoeken. twee jaar! En als de dagen daarna verstrijken en het kind inmiddels drie, vier jaar oud is, dan willen ze hem niet meer. ouders zoeken nu eenmaal bij voorkeur een baby’tje. En voor je het weet slijt een kind dan zijn hele jeugd in zo’n afschuwelijk huis. Afschuwelijk, ja, ik ben zelf mijn leven in een tehuis begonnen, vanaf ik pasgeboren was tot aan mijn vierde jaar, en ik heb nog zoveel nare herinneringen...”

toch wil ze nu stoppen. ‘Bufaz speelt een soort powerplay. Aan de ene kant zijn ze blij met me, want het kost ze geen cent. Ik heb alles in huis, bedjes, weegschaal, noem maar op. En ik ben steeds zes maanden lang dag en nacht met zo’n kind in de weer. toch gunnen ze me geen inspraak in de plaatsing. Dat willen ze helemaal zelf bepalen. Zes maanden is ook te lang, je gaat je te veel hechten. Maximaal drie maanden en dan moet een kind naar zijn nieuwe thuis. En Bufaz blijft onverzettelijk. Dus, nee, zoals de zaken nu lopen, houd ik dit niet meer vol.’ Begrijpelijk. Maar intens jammer. Want kijk toch: die stralend gelukkige jonge ouders die sinds maandag hun kleine Gaia mogen vertroetelen... Kijk toch hoe uitgelaten al die kinderen in het zwembad plonsen, hoe vertederd hun ouders toekijken... Waarachtig, afgelopen zondag hadden we hier een heel ontroerend feestje.

donderdag, 28 januari 2016 22:35

Belastinghel

Geschreven door

Bloemendaal We hebben inmiddels goes solar! al zonneboilers, zowel op ons eigen huis als op de appartementen, maar we willen helemaal op zonneenergie overstappen. Deels vanwege de energietarieven die nu en in de toekomst alleen maar spectaculair zullen stijgen, maar deels ook omdat we nu echt eco willen worden (en dan niet het eco van Eco Resort, want daar slaat het voorvoegsel op economisch = goedkoper dan torarica). Dus hebben we ons hele dak laten verstevigen.

De huidige regering liet doorschemeren dat door haar toedoen al die panelen en accu’s wellicht invoerrechtenvrij zouden mogen worden geïmporteerd, maar een rondje bellen met alle mogelijke douaneen belastingdiensten leerde me dat die wet allang bestond! Al sinds 1996! (WWW.DNA.SR, artikel 39, lid 1 M). Volgens de beambten hoefden wij alleen maar een verzoek tot vrijstelling plus een pro-formafactuur in te leveren bij de tamarindelaan. Zo gezegd zo gedaan. fout, want die vrijstelling is alleen op het Kerkplein te verkrijgen (Indirecte Belastingen). Dus nog een setje gemaakt en óp naar mevrouw oerajakana op het Kerkplein. Daar bleek dat we nog behoorlijk wat ‘onderliggende stukken’ ontbeerden: uittreksel KKf, ja, dat had ik ook nog wel kunnen bedenken. Maar dan: een Verklaring van Registratie van de Inspecteur der Directe Belastingen én een Verklaring van geen Bezwaar van de ontvanger der Directe Belastingen. Mijn maag kromp samen, een confrontatie met het Surinaamse belastingsysteem: maak dan je borst maar nat!

En ja hoor, eenmaal op het hoofdkantoor begon de warboel-carrousel direct weer te draaien. Een fictieve belastingschuld uit 2004 van srd 30.000, waartegen door onze accountant al zo’n keer of vier bezwaar was aangetekend, maar die ons als een hebi blijft achtervolgen, plus een aangifte over dit jaar van maar liefst 18.000 srd (wie had die aangifte dan gedaan, waar stond onze handtekening, hoe kwamen ze aan dat bedrag?). Dus van een Verklaring van Geen Bezwaar kon geen sprake zijn. op naar kantoor Mahonylaan, om nóg eens bezwaar te maken tegen onze hebi. Dat mocht handgeschreven – op een papiertje dat we tezamen met een heel pak printvellen bij Sanousch aan de overkant haalden en in de auto uitschreven.

En dan de aanslag van dit jaar. Koortsachtig werkte Anoeska de dagen daarop om alles in orde te maken zodat we de oB tot november konden afhandelen. Dan zouden ze toch wel tevreden zijn? Eerst naar de bank, daarna naar de cambio en op een mooie donderdag vorige week gingen Anoeska en René met een bom duiten op zak samen ten strijde. Er stond een lange rij voor de kassa, maar lange rijen zijn we hier wel gewend. Eindelijk waren ze aan de beurt. Ze mochten de loonbelasting van dit jaar betalen, maar de oB? nee, dat moest maar met een cheque (en wij werken niet met cheques), dat geldbedrag was veel te groot. Dus, licht briesend, naar de balie. nu werden ze verwezen naar een kamertje, waar ze te horen kregen dat de loonbelasting 2014 nog niet betaald was. René ontplofte! Want die had hij namelijk hoogstpersoonlijk vorig jaar op het districtskantoor overgedragen. Ja, dan moest hij maar naar de afdeling loonbelasting boven in het gebouw. René, nu oververhit, weigerde stelselmatig waarop een belastingdame naar boven snelde en terug kwam met de mededeling dat het geld inderdaad was overgemaakt, maar dat de aangifte kennelijk niet was meegekomen uit het district. hun probleem – niet het onze.

Goed, en dan nu de oB. Een hele zak met geld. Dat maakte het personeel zenuwachtig, dus of Anoeska de deur dicht wilde doen? Maar die sloot niet, waarna er een heuse bewaker voor die deur werd gepost. En er kwam een telmachine aan te pas, waar al die biljetten doorheen moesten. Zo. Eindelijk betaald! Dan zijn we nu toch af van die spookaanslag van 18.000? nou nee, want het betrof een aanslag over de maand januari, niet over het hele jaar... Maar wie dat bedrag dan ooit ingevuld had? Wij toch zeker niet, want dan zouden we hebben verwacht dat we in die maand (nota bene op ons resort de stilste maand van het jaar) maar liefst srd 255.000,00 (zo’n slordige 56.000,00 euro) zouden gaan verdienen (Anoeska: ‘Ben je nou gek of kan je niet helpen?!).

Enfin, de oB was nu tenminste betaald. Alleen moest Anoeska nu weer naar de kassa voor haar 25 srd wisselgeld en voor de kwitanties. En eindelijk, terug in het kamertje (het ‘Zweethok’) kregen mijn dappere ridders dan hun Verklaring van Geen Bezwaar, de blijdschap kon niet groter zijn! Dus terug naar het Kerkplein. Waar een mevrouw enthousiast te hulp schoot: ‘Ah, de aanvraag van Mi Gudu! We hebben uw Verzoek Vrijstelling al in behandeling genomen hoor, het wachten was alleen op de onderliggende stukken, nu hebben we alles compleet. Volgende week mag u ons al bellen, ik verwacht de zaak binnen twee weken rond te hebben. Dan kunt u fijn uw panelen bestellen....’ Want de Belastingdienst heeft vele gezichten, en dat van Kerkplein is nou net het gezicht dat je het liefst zou willen zoenen!

maandag, 25 januari 2016 17:54

Hoog bezoek

Geschreven door

Zelf zit ik niet zo vaak in de werkplaats; da’s toch meer de plek waar de mannen hakken en zagen op de Robland (een soort hééééle grote keukenmachine voor de timmerman) om na afloop in een kringetje op krukjes tegenover mekaar eindeloos djogo’s te zitten hijsen. Maar nu waren onze nieuwverworven wereldreiziger-kennissen op bezoek om – op onze uitnodiging – wat zaakjes voor hun wereldreislandrover te verherzagen. Dus werd er oorverdovend gezaagd en zaten René en ik, samen met die Karin-Marijke in de werkplaats telkens de afweging te maken om te zwijgen of schril schreeuwend een conversatie te voeren.

tot ik schuin vanuit mijn rechterooghoek opeens een reusachtig zwart-bruin-wit gevaarte van zo’n tweeëneenhalve meter lengte het asfalt van onze parkeerplaats op zag hobbelen, toen nog nieuwsgierig besnuffeld door Wolfje en zijn zus tyche, twee uit de kluiten gewassen herders. Mijn reactie was er een van ongeloof, verering en paniek; want een reuzenmiereneter zomaar op mijn nederige erf? Waar danken we zoveel eer aan?! Maar diezelfde reuzenmiereneter kan met zijn machtige voorpoten een hond moeiteloos doden.

In mijn ‘Jezus Christus, kijk!!!’ lag mijn hele gemoedsrust besloten en iedereen sprong op om in te grijpen. Lag het aan onze reactie dat de honden opeens fel werden? Bloed roken? Wilden aanvallen?

De miereneter, met die wonderlijke snuit en die onwaarschijnlijk mooie, lange zwarte sluierstaart, kreeg het benauwd en zette al zijn rugharen stijf overeind. En met veel gillen kregen we onze vier honden weer onder appèl; alsof je een knop omzette (Wolf en tyche zijn nazaten van een echte Canadese timberwolf; het was hun overgrootvader, maar toch, op zulke momenten is het voor hen lastig kiezen tussen de roep van de jacht en de stem van de baas).

En toen zaten er dus twee honden braaf in de kennel en twee braaf binnen in het woonhuis. En kwam ik nog sullig met onze nieuwe camera – bungelend op mijn buik als een Japanse Wallentoerist – weer naar buiten, terwijl de miereneter al lang en breed naar het hoge wied van de buurman was uitgeweken. Geen foto dus. Van dit zeer hoge bezoek. tenminste, zo zagen René en ik dat.

Want onze bevriende wereldreizigers, die al tien jaar met die landrover over gods aardkloot dwalen, hadden ze natuurlijk overal al gezien, en onze schipper Harry spotte een moeder met kleintje op haar rug langs de berm van de oost-Westverbinding... Maar Baas René en ik zien nooit wat, en dan loopt hij zomaar over je erf!

twaalf jaar wonen we nu in dit prachtland – nooit een miereneter gezien, de grote noch de kleine. Jááá, in Guyana een keertje; we waren met een groepje vrienden in twee auto’s een rondje aan het rijden, dus via Guyana naar Brazilië, inschepen in de haven van Manaus en met de boot eerst een tussenstop in Santa Rem maken en dan verder over de Amazone tuffen om door de nog nasmeulende resten van verbrand oerwoud tenslotte via Frans-Guyana weer naar huis te crossen – erg veel kilometers vreten!

Maar goed, Guyana is een fantastisch land; je rijdt eerst door het reservaat Iwokrama. Dat park (wat geen park, maar gewoon een giga lap jungle is) beslaat een geweldig deel van het achterland en anders dan in Su krijgen stropers er geen kans om toe te slaan (je nummerbord wordt genoteerd bij aankomst en als je te lang in het bos verblijft, moet bij de laatste slagboom onverbiddelijk de achterklep open – en o wee als daar een lijkje in ligt!). Achter die jungle is er een wonderschoon, heuvelachtig savannegebied waar het wemelt van de wilde dieren. En overal zie je spookachtige mierenburchten in de grilligste vormen...

na een verschrikkelijk leuke tussenstop in Rock View Lodge, passeerden we op weg naar de Braziliaanse grens een fourwheeldrivende tegenligger met zo’n raar klimrek op de bumper (bullbar, of ‘roe bar’ voor de Australiërs, die vooral kangoeroes aanrijden), in gierende vaart. De klap echode nog na en om de bocht lag hij daar, in volle glorie, gestrekt over het asfalt, de fiere staart waaierde nog na in de heftige wind, mijn eerste reuzemiereneter, eigenlijk nog helemaal heel... Maar wel morsdood. Vriend M., die zowel slager van beroep is als minnaar van exotische dieren, overwoog in alle ernst om de machtige klauwen te amputeren, alsmede zijn beeldige staart. Maar hoe dat drie weken in de tropen te conserveren? nou ja. Hij zag er gelukkig van af. Maar ik begreep hem wel een beetje, want hoe wonderbaarlijk dat dier er ook uitziet, hij is echt van overweldigende schoonheid. En van niet te onderschatten gevaar.

Maart 2014, het was op Weg naar Zee, zag een passagier in de auto op een lummelige zondag een miereneter en zette direct de achtervolging in met zijn houwer: het dier zou kalfjes roven. Ja, deuh... hij heeft niet eens tanden! toch moest de man het met de dood bekopen. Want echt, hij eet alleen mieren. Maar breng je hem in het nauw (het is een keer eerder gebeurd, in 2007, met een oppasser in de dierentuin van Buenos Aires) dan verheft hij zich op zijn achterpoten en trekt met een haal van die machtige klauwen je hele binnenvering d’r uit. En daarom reageerde ik, reageerden we allemaal zo hysterisch. Waarna de honden dus echt begonnen te happen, en dat doemscenario dichterbij kwam

Monique Pool, de CNN-heldin die zich zo inzet voor de luiaard en diens verwante soortgenoten, de miereneter en het gordeldier, dacht dat ons exemplaar misschien vanaf de overkant is komen aanzetten, want wat doet zo’n dier in dit landbouwgebied? Gelukkig hebben we hem, de dagen erna, niet langs de kant van de weg gevonden, dat lot is hem tot dusver bespaard gebleven. Maar het schijnt dat sommige van onze buren er wel een smakelijke stoofpot in zien. Dus moeten we maar hopen dat hij, na die turbulente ontmoeting met de honden, gewoon de rivier weer in is gesprongen en lekker naar het veilige bos is gezwommen

dinsdag, 22 december 2015 09:57

Repelsteeltje

Geschreven door

eindelijk, toen alle gasten vertrokken waren en we in het licht van de bijna volle maan met de honden nog even struinden over dit gigantische erf, hebben we haar dan ten langen leste betrapt terwijl zij schielijk maar in al haar schoonheid bijna lichtgevend stond te bloeien in de diepdonkere nacht. Verlegen, want maagdelijk, niet voor een mensenoog bestemd, slechts voor die ene mot die zo door haar geuren en schoonheid bedwelmd zou worden dat hij bereid zou zijn om haar stuifmeel ter meerdere eer en glorie te verspreiden. ademloos hebben we de bloem bewonderd, gefotografeerd en – ten slotte - geplukt om haar binnen in een vaasje te koesteren. tot ze in het licht van de morgenzon verlepte als een frêle diva waar alle leven uitgezogen was.

Goed, goed, deze intro is wellicht een tikkeltje hoogdravend. Maar het was verrassend en heel cool om opeens te zien hoe die dooiige plant haar geheimen zo onwillig prijs gaf aan die volslagen argeloze passanten die kwispelend dan wel lichtelijk aangeschoten op weg waren naar de laatste appartementen om de hydrofoor uit te zetten.

We hebben de twee vetplanten een jaar of wat geleden van vriendin en schrijfster ellen Ombre gekregen, met de verzekering dat ze ‘s nachts zouden bloeien. Maar verder dan een handvol verlepte dweiltjes in de vroege morgenzon zijn we nooit gekomen. ellen had haar perceel aan de anton Dragtenweg verkocht toen ze bijna opgeslorpt dreigde te worden door een giga hotel met casino en aanverwanten. Haar beeldige tuin, die tot aan de surinamerivier reikte, gaf ze dus prijs, maar haar potplanten wilde ze van de ondergang redden en dus bedacht ze ons in haar vegetatietestament.

toen de lading (ik geloof vier potten met piëdestal) wuivend in de laadbak van onze Hilux vanaf ellen arriveerden, verklaarde Bloemendaalgastvrouw anoeska, vervuld van afgrijzen, dat ze een jeugdtrauma aan de soort had overgehouden. ‘Voor biologie moesten we hem stekken door een blad ervan in een boek te leggen en het zo te drogen. Vanaf de uiteinden van het blad zouden dan wortels gaan groeien, daarom wordt hij Wonderblad genoemd. Maar op de een of andere manier mislukte het project bij mij en kreeg ik een 2 van mijn biologieleraar. Bovendien had ik dat stomme blad in een van mijn schoolboeken gelegd, en dat werd een ongelofelijke smeerboel. Dus kreeg ik ook nog eens op mijn kop van het schoolhoofd, en moest ik alle schade van mijn zakgeld betalen!’

Dus wat die klere-planten dan eigenlijk in die veel te chique potten op van die sierlijke pilaartjes moesten...? Maar nu zij haar oogstrelende en neuskietelende geheim heeft prijsgegeven, zijn we allemaal als een blad aan de boom omgeslagen. repelsteeltje is de oogappel van het terrein geworden!

Zo heeft Dino vanmiddag de potten en hun zuiltjes opnieuw geschilderd in prachtig crème-wit. en nu ons dak vernieuwd en verstevigd wordt (voor de op handen zijnde zonnepanelen; Bloemendaal goes solar!) en er van de oude vliering zakken en zakken vleermuisstront zijn weggeschept, worden de twee troetelplantjes daarmee bemest. Want vleermuizen zijn een regelrechte ramp, maar hun stront mevrouwtje, oh la la! Crème de la crème!

elke nacht, zo tussen elf en één uur, (wanneer onze gasten zich te slapen hebben gelegd), gaat een van ons de lichten in en rondom het zwembad uitdoen. Doorgaans met onze twee teefjes die ‘s avonds binnen mogen blijven, de andere honden slapen in hun kennel. Maar nu schuifelt rené opgewonden met zijn hondjes naar buiten: ‘noor, noor, we gaan even Malediefjes plukken hoor, of kijken of de lelietjes van Dames nog bloeien‘ (oudgehuwden als we zijn, verhaspelen we over en weer vrijwel elk zelfstandig naamwoord).

Maar goed, we noemden de bloem dus nog steeds repelsteeltje.

Want Google geeft op Wonderblad geen sjoege, en als je Queen of the Night intikt (dat was de naam die ellen Ombre ze meegaf) krijg je een paarse tulp, een zwarte chowchow en een paar bloeiende cactussen die niet in de buurt komen van onze Parel van de nacht.

Dus hebben we de bloem op de Facebookpagina van Bloemendaal gezet, met als gevolg een hele stroom likes (waar we op dat moment dus niet veel aan hadden) en – ten slotte – de bevrijdende mail van Marieke Visser. in ruil voor een stekkie (moeten we weer een van onze dure boeken gaan bevlekken!) gaf zij de identiteit van onze bloem prijs: een link naar de night Blooming Orchid Cactus, Cereus, epiphyllum oxypetalum, ‘also known as Dutchman‘s pipe or queen of the night‘.

en als je erop klikt, blijft er niks geheimzinnigs meer van de magische bloem over: hoe je hem moet stekken, verzorgen, dat ie binnen en buiten kan gedijen, de hele santenkraam!

Dat was nou ook weer niet de bedoeling. Dus houden wij het, hier op Bloemendaal, gewoon stiekem op repelsteeltje, onze eigen heimelijke nachtbloeier.

maandag, 23 november 2015 19:06

Hartzeer om Rudy

Geschreven door

onlangs kwam onze gast Mariska schoorvoetend naar ons toegelopen. of we het niet een beetje raar vonden, zoals ze met hun vogeltje in de weer waren. Raar? Dat je een piepklein vogeltje, met nog zo’n babyglimlach in de hoeken van zijn snaveltje en een griezelig kaal nekje, het leven redt? Hem dan meeneemt, dag en nacht om de tien minuten bijvoedert en hem ten slotte ook nog eens Rudy noemt? Raar? Hier? op dit dierendweepzieke resort?! Welkom op Bloemendaal!

Roderick en Mariska hadden maar gelijk 24 nachten bij ons geboekt. Dit zou hun uitvalsbasis worden voor het maken van de vele tripjes die ze uitstippelden. en tripjes maakten ze! Dagje Brownsberg, dagje Babunhol, dagje overbridge en... dagje Paramaribo.

Roderick: “Het had verschrikkelijk geregend en gewaaid; een echte sibibusi, die we afwachtten terwijl we in de auto schuilden. toen het zonnetje weer doorbrak, maakten we een wandeling door de Palmentuin. en daar, op het pad, lag een klein zielig hoopje; Mariska was er per ongeluk bijna op gaan staan. Het was een piepjong blauwtje, of blawforki zoals ze hier ook zeggen. onder het zand, meer dood dan levend. ik zei: ‘Het wemelt hier van de boomkip en de sapakara’s, dat overleeft hij nooit’. Dus namen we hem mee. in de auto hadden we een plastic koektrommeltje. ik frommelde de mouw van een trui tot een soort nestje en daar legden we hem in. We zouden die middag uit eten gaan, maar de vogel gooide ons hele plan in de war: we gingen op zoek naar een dierenwinkel. en vonden er een. Waarschijnlijk de enige dierenwinkel in heel Paramaribo die geen vogelkooitjes verkoopt! Maar wel krachtvoer en dat was al heel wat.

“thuis gekomen zetten we Rudy op een krant in de wasmand. en we gaven hem om de tien minuten wat te eten, dat moesten we nog echt naar binnen proppen... Waarom we hem Rudy noemden? Hij moest een Surinaamse naam hebben, vonden wij. en we kennen in Nederland maar één Surinamer. Die heet Rudy. vandaar.

“De volgende dag moesten we jullie gaan opbiechten dat we een vogel hadden, terwijl huisdieren hier niet zijn toegestaan... ik was echt zenuwachtig, maar gelukkig reageerde iedereen heel enthousiast, we kregen allemaal tips en adviezen. vooral over zijn eten, want blauwtjes eten vooral fruit, dus we moesten zijn dieet wijzigen. Nu krijgt hij een papje van papaja, bacove, honing en krachtvoer. en hij vindt het heerlijk. Dus gilde hij om de tien minuten dat hij weer honger had. Daarom was het ook zo fijn dat we jullie poezenkennel mochten lenen, want we wilden naar Coronie en hij moest natuurlijk mee... We deden de radio uit, zodat we zijn gepiep goed konden horen. en de airco, ja, hij zou er ziek van worden, dus die ging ook uit.”

Maar ja vakantie is vakantie en die moet wel gevierd worden. Mariska: “Die tweedaagse trip naar Bigi Pan, die was al geboekt, dus daar konden we niet meer onderuit. Gelukkig wilden jullie babysitten, maar ik vond het vreselijk om hem af te staan! en wat hebben we hem enorm gemist... We kwamen thuis in het donker, en dan slaapt een vogel natuurlijk al. Maar we waren zo opgewonden dat we hem wakker hebben gemaakt. Werd hij toch een potje chagrijnig!

“en de Raleigvallen, die konden we ook niet meer afzeggen. Bovendien, we hadden dat papiertje niet zo goed gelezen, bleek dat we nog een extra dag geboekt hadden! Nog een hele dag zonder Rudy! en dat terwijl er in de bus een jongen zat, die nam zijn vogeltje gewoon mee... De hele heenreis heb ik Roderick verweten dat we hem thuis hadden gelaten!” Roderick: “Maar op die boot... dat zou toch veel te heet voor hem geweest zijn...”

Mariska: “Pas vanmorgen zagen we hem weer en hij was zo opgewonden! fladderde van plezier op en neer in zijn kooitje. De babysit zei: ‘Doe eens rustig, Rudy!’ Ze was dat gedrag helemaal niet van hem gewend... inmiddels vliegt hij, als we binnen zijn, tussen ons heen en weer, van mijn hand naar die van Roderick en weer terug, soms rust hij even uit op m’n hoofd, zo leuk...”

Roderick: “in het begin dacht ik nog: het is een wild vogeltje, die hoort thuis in de wilde natuur. Maar inmiddels denk ik: dat wordt niks met hem, zo tam als ie al is... trouwens, hoe gaat hij zelf zijn eten vinden?!” Mariska: “Nou, ik wist eigenlijk al meteen dat ik hem wilde houden. Dus heb ik mijn moeder gevraagd of ze de vliegmaatschappij wilde bellen, en de douane... en wij zijn naar erik Graanoogst gegaan, de internationale vogelhandelaar die ook Bird Paradise op de Javaweg heeft opgezet. Hij vertelde dat blauwtjes in Nederland ook worden verkocht. voor driehonderd euro. Nou, als je er zo veel voor moet betalen, heb ik dat geld er ook wel voor over om Rudy bij ons te krijgen. Graanoogst wilde de hele papierwinkel wel voor ons regelen. Maar het grote probleem is: de vliegmaatschappijen willen geen vogels vervoeren. van de douane op Schiphol heb ik inmiddels ook begrepen dat ze er niet onwelwillend tegenover staan, maar hoe krijg ik hem in een vliegtuig?!

“Dus ben ik allemaal agenten via de mail gaan vragen. en er is er misschien eentje die me kan helpen. Dan moeten we eerst wel met Rudy naar de dierenarts, naar LBB en we moeten een andere kooi voor hem kopen, een echte reiskooi.

“Kijk, wij moeten aan het eind van de week terug naar Nederland. Daar is echt niks aan te doen. en Rudy is nog te jong om negen uur zonder voedsel te kunnen reizen. Hij moet eerst echt zelf kunnen eten. ik weet dat hij bij jullie zolang in goede handen is, we hoeven ons geen zorgen om hem te maken. Maar toch, zodra hij kan eten, als het ook maar even mogelijk is – en ik laat geen middel onbeproefd – dan komt hij zo snel mogelijk bij ons. Want we horen bij elkaar, wij tweetjes en Rudy!”

woensdag, 21 oktober 2015 12:54

Scharlaken rode borstpartij

Geschreven door

De reden voor het bezoek aan Eric Graanoogst was tweeledig. Aanleiding een: voor de meer ondernemende gasten van ons resortje bieden we een pakket aan: romantische picknick aan boord van de motorsloep Pikin Gudu, historische wandeling door Groningen, ritje door landelijk Saramacca, boswandelingetje, vroege vaart op het scheepje, zodat je alle aapjes, toekans, zeekoeien en een incidentele luiaard in de bosschage aan de oever kan bewonderen. Inclusief alle maaltijden best een leuk aanbod, maar: het pakketje is open voor uitbreiding. anleiding twee: onze dierbare vriend M. heeft schitterende volières met nog mooiere vogels, allen lokaal. toekans, uilen en er werd - totaal toevallig - toen we bij hem zaten te eten een licht gewonde harpijarend afgeleverd. Die kwam terecht in de kooi waar al zo’n kwaadaardig maar beeldschoon bakbeest zat.

De laatste keer dat ik bij hem op bezoek was, vertelde hij dat hij zowel de arenden als de rotshaantjes had weggegeven aan zijn vriend en mede-vogelgek Eric Graanoogst. Die naam kende ik, hij is (legaal) internationaal handelaar van inheemse vogels, maar het zou toch niet zo ver gaan dat hij die prachtexemplaren naar het buitenland zou verkwanselen? Nee, nee, werd me verzekerd, integendeel, hij was bezig om van zijn terrein een soort parkje te maken. De dieren werden goed gehuisvest, er zouden paadjes komen, en een grotere kooi...

Ik heb Graanoogst in het verleden een paar keer gebeld of ik niet met gasten langs kon komen, of ik zelfs zijn attractie niet in ons pakket zou kunnen opnemen. Maar nee, hij kon ons nog niet ontvangen, hij was nog zo druk bezig. Nou, vorige week heeft onze schipper Harry, die daar met zijn vrouw en schoonmoeder al jaren kind aan huis is, gebeld: we komen and we don’t take no for an answer.

Het is ergens op de Javaweg (in de buurt van Lelydorp), je ziet het niet als je uit je autoraampje hangt. We kwamen ook binnen via de verkeerde entree, bij de kwattaaap van het gezin, en de kooien met schreeuwende ara’s, geelblauw en betoverend rood-groen, krijsend of ze daar lol in hebben (wat natuurlijk ook het geval is) en opeens was daar de baas. Hij is de meest hoffelijke en beminnelijke ornitholoog denkbaar. En trots. trots op een kooi van vijftig bij dertig meter in omtrek, met een hoogte van acht meter. Met een loopbrug van zo’n drie meter de lucht in, een soort canopy over lage boomkruinen. Alles overdekt met gaas uit Nederland (garantie: 25 jaar). En met binnen zo’n zestig koppels van vogeltjes uit het binnenland, in de bontste kleuren en de elegantste uitmonstering. Het geheel wordt gecompleteerd met keurige paadjes, waarlangs bessenboompjes die de vogeltjes in alle seizoenen van voedsel voorzien. Daarnaast en eromheen is er een milde, gecontroleerde jungle met palulu en jungle king (een ontzagwekkende variant van de bokkenpoot).

We gingen samen de deur door en twee aanbiddelijke bambi’s wachtten ons op, hertjes op tere, hoge, wankele pootjes, waarvan het ene dier nog wat schuw, maar het ander zo aanhalig is dat ze ons door het struikgewas de hele wandeling bleef volgen. Goed, we zijn nu binnen die volière, en ik zie... niks. Eric Graanoogst wijst: ‘Daar! Die kardinaal, het is nog een jonkie, dat oranje wordt felrood als hij geslachtsrijp is!’ En: ‘Hoor je die kolibrie?! Hij moet echt vlakbij zijn, we hebben vier soorten, maar oei, wat zijn ze snel! Kijk! Kijk, daar gaat-ie.!’ Aanvankelijk zie ik vooral rode achterlichtjes. Zoveel blad... Maar Graanoogst heeft het geduld van de natuurvorser en wacht tot ik, tussen de blaadjes door, een fluorescerend blauw buikje zie, een scharlaken rode borstpartij, een gele ondervleugel. ‘Vogelspotters gaan hier op een bankje zitten, de hele dag, met zo’n toeter van een zoomlens, en uiteindelijk komen alle soorten wel voorbij.’

En dat zijn dan vogels die bij ons allemaal weleens op het erf broeden, zoals de banabeki, de blauw forki (2 soorten) en – per ongeluk - een grietjebie (die is letterlijk door de mazen van het net naar binnen geglipt), maar dus ook hele bijzondere soorten, felgekleurd en alleen te vinden in het diepe binnenland; uiteindelijk zie je ze allemaal langs komen. Betoverend.

Na eindeloos dralen, wijzen, verbazen, lopen we naar buiten. Aan de achterkant, waar het grondwerk voor de volgende giga-kooi al in gang is gezet, met kuilen voor vijvers en poelen, wijst Graanoogst op de volgende volière, die voor de rode ibis, 25 bij vijftig meter in omvang... En binnenkort komt zijn laatste mega volière, die voor de wel heel uitzonderlijke rode rotshaan. Volgens Graanoogst zal LBB hem ontheffing geven voor het houden van die zeldzame en zeer beschermde vogels, omdat hij zo professioneel aan de voorwaarden voldoet.

Nu al kom je ogen tekort. De kooi voor de twee harpijarenden; bij vriend M. konden ze van tak naar tak hippen, hier vliegen ze meters met die fabelachtig machtige vleugels. Voor het eerst hoor ik hun kreet, zachter dan verwacht, en ik probeer die in mijn geheugen te prenten, zodat ik onze Saramacca Gonini beter kan spotten...

Er is een schitterende kooi met vooral rood-groene raven (ara’s), Ze vliegen heen een weer, terwijl de avondzon hun veren in vlammen zet. Ik vraag of het eigen kweek is, in verband met de export. Maar nee. Hij wil wel een fokprogramma beginnen. (De borstveertjes moeten dan, versgeplukt, naar Nederland worden gestuurd om het geslacht te bepalen.) ‘Maar dan, als er een eitje gelegd is, moet LBB dat controleren, het jong dat eruit komt moet geregistreerd worden, en ja, dan mag ik het dier aan het buitenland verkopen.’

Zo streng, zo zorgvuldig gereguleerd, je zou er optimistisch van worden. Graanoogst: ‘Maar als het jachtseizoen is geopend, dan zijn raven vogelvrij. Dan schieten onze nieuwste immigranten, de Chinezen, ze bij Coppenamepunt of bij Batavia bij honderden uit de lucht. En wat in de zwamp valt; ze nemen niet de moeite om die op te rapen, ze vissen slechts wat er nog drijft in de rivier...

‘Mijn vader was een jager. Ik heb het vlees van ara’s gegeten. taai vlees, maar als je het lang kookt, met tayerblad en sopropo... Ja, dat was lekker. Maar sinds ik op deze manier met die dieren omga... ik heb al in geen twintig jaar meer vogelvlees gegeten.’

Pagina 1 van 2