Boiti

Boiti (24)

woensdag, 20 mei 2015 22:13

Leentjes hemelreis

Geschreven door

Ay baya, arme lezer, ik heb met je te doen... weer een boiti over een beest! Maar het probleem is: er zijn er hier zo veel! En we hebben ze hier eigenlijk allemaal lief; van slang en sapakara tot luipaard en luiaard. En om die laatste gaat het dit keer.
 
Anoeska (onze gastvrouw op het resort) en ik kwamen bekaf met giga-aankopen uit de stad, en zagen toen, zo‘n vijftig meter van ons erf, een bundeltje grijs en wit op de weg liggen. Dus: stoppen en uitstappen. Het diertje, nog jong zo te zien, lag roerloos en leek domweg doodgereden (sorry, hoor, maar wie remt nou níét voorveen overstekende luiaard?!). Maar bij aanraking bewoog het een beetje en dus besloten we hem/haar mee te nemen.

Ik had het in de auto onder de oksels (met de rug naar me toe), de armpjes graaiden in het luchtledige en het piepte van ellende. De honden daarentegen jubelden ons op de parkeerplaats bij het grote huis een hartelijk welkom tegemoet en moesten dus eerst weggeborgen worden; toen kon ik pas met Leentje of Lola naar binnen.

We legden hem op het matje aan de voet van de trap. En daar lag ze dan. Wederom roerloos. En een beetje bloedend uit een zwart neusgaatje. Latifah, het dochtertje van Anoeska, vertelde dat ze met de schoolbus op weg naar huis, het dier al een uur eerder op de weg had zien liggen. Ze had nog aan juf
gevraagd of ze hem mocht oppakken, maar nee, juf besliste anders. Dus die kleine, jonge luiaard, met dat aandoenlijk nutteloze staartje en die gebeeldhouwde glimlach op zijn getormenteerde gezichtje heeft minimaal een uur weerloos op het kokende asfalt gelegen zonder dat iemand een poot uitstak, en dat op zo‘n relatief druk bereden weg; hoe harteloos kan je zijn?! Til hem dan tenminste naar de berm en zet hem in de schaduw!

We zijn hier een soort uitvaartcentrum voor luiaards die Monique Pool en haar team van Green Heritage Fund in de stad opvangt: zij brengt opgekalefaterde dieren naar Saramacca en we zetten ze met zijn allen met de motorsloep Pikin Gudu aan de overkant in het bos uit, dus we belden
eerst met hen. Water met een pipetje, was het advies en jawel, Leentje dronk gulzig uit de injectiespuit zonder naald (hij moet uitgedroogd zijn geweest, na dat verblijf op het asfalt).

Normaal gesproken zouden de medewerkers het dier komen ophalen, maar, probleempje, een van hun luiaards was ontsnapt, had de wijk genomen naar de manjaboom van de buren en daar zaten twee joekels van honden geduldig aan de stam te wachten. Op mijn beurt zat ik op dat moment ook niet op hun komst te wachten, ik was oprecht bang dat die grijze pluizebol het komende uur gewoon niet zou overleven. Volgende actie: bel Audrey Steenland, de dierenarts die ook een soort luiaardenverzorgingscursus on the job heeft gevolgd.

Audrey was niet optimistisch toen ik haar de situatie beschreef. Maar: “Vermeng het water met honing; wanneer het dier in shock is, kan suiker helpen. Voed het elke 20 minuten. Is ze oververhit, leg dan een natte handdoek over haar heen...

Enfin, Leentje slobberde ook het honingwater dorstig naar binnen. En René vond de oude kooi van onze papegaai Japi, zette die weer op, stak er een houten stok doorheen en toen we Leen er op de handdoek in legden, lichtte hij tot mijn onuitsprekelijke opluchting voorzichtig een arm op en greep naar een tralie, om later met twee van zijn drieteensklauwen te graaien naar de stok, zodat hij er half en half aan hing en toch op een handdoekje lag: het ging zomaar de goede kant op!

Avond: elke twintig minuten naar de keuken beneden. Lola slaapt, maar drinkt nog steeds honingwater als ik het haar opdring. Ze gaapt onweerstaanbaar en laat dan een roze tong zien (goed teken! Blauw = heel, héél slecht). Ze hangt nu aan drie armen en we ondersteunen haar rug met handdoeken, want ze schijnen in het wild weliswaar ondersteboven aan een tak te hangen, maar dan wel met een onderliggende tak bij wijze van ruggensteuntje.

Helaas, die ene arm ligt nog steeds lam langs haar zij. Misschien toch gebroken? En daar speelt het moederkloekisme weer bij me op: want wat als die poot niet gezet kan worden? No way laat ik Lola afmaken! Dan blijft ze maar bij ons! De stem van Monique spookt door mijn hoofd: ‘Ik moet nu een gedomesticeerde luiaard het bos weer inpraten! Kan je je voorstellen?

Het dier sliep bij die mevrouw op het dekbed, hij kreeg zelfs kleertjes aan!‘ Ik bloos met terugwerkende kracht, want hoewel ik nog geen wandelende tak in een jurk zou hijsen, kan ik het niet laten om Leentje/Lola al een plaats in ons bestaan toe te bedelen. Hij is ook zo onweerstaanbaar schattig en hulpeloos... Nog een paar pipetjes en we gaan de nacht in. Hij gaat het, tot ieders verbijstering, hoogstwaarschijnlijk overleven; ik droom van Leentje in een buggy.

De volgende ochtend: Leen Leeft, maar Leen wil niet eten. Geen anga lampu-bloempjes, geen bospapayabladeren, niks. Hij hangt landerig en lusteloos
met zijn achterpoten aan de stok geklemd op zijn rug op de bodem van de kooi, de bovenarmen gespreid. Domme Noor vindt dat er wel relaxt uitzien, maar bij het Green Heritage Fund worden ze niet vrolijk van de foto die ik ze stuur. Monique schrijft: ‘Sorry dat ik het moet zeggen, maar het ziet eruit alsof het dier aan het doodgaan is‘. Ay Baya, tje poti.

Kleine Lola blijft nog uren slapen, met dat kopje tussen die wollige armen geklemd. En opeens, in de namiddag is ze wakker. Klaarwakker. Kruipt van voren naar achteren langs haar stok, verkent alle tralies, zoekt een gaatje. René en ik, we denken: nu of nooit!

Met Leen in de roze kooi op de achterbank rijden we naar een favoriet bos, terwijl Leen hunkerend naar het voorbijschietend groen staart. Een paar honderd meter het pad op zetten we de kooi neer en doen het dakdeksel open. Leen kijkt omhoog en strekt een arm uit: ‚Boom!‘ zie je hem denken: ‚Booooom, ik wil naar Bóóóóm...!‘ Een tweede arm rekt zich aarzelend tot die ook houvast vindt, terwijl zijn oogjes het bladerdak scannen op busipapaya, zijn Huismerk. Binnen een ommezien heeft hij zich, gezond en moeiteloos, uit de tralies gewerkt en klimt in een tak. En dan omarmt hij de dikke stam, op weg naar de bladerrijke top.

Hij kijkt naar beneden als we teruglopen naar onze Hilux. Afscheid? Of opluchting dat we uit haar leventje verdwijnen? Ik blijf nog dralen en Leen, halverwege die stam, ook. Kom op Dommie, over twee uur is het donker, ga eten!

Ik ga je zeggen: Leen of Lola, die gaat het redden. Zoals Monique direct schreef nadat ik haar een foto van Leentjes hemelreis stuurde: ‘Geweldig! Dat is de beste oplossing, in het bos helen ze het snelst.

maandag, 20 april 2015 15:46

Scharretje

Geschreven door

We hebben er een nieuwe vogel bij: Scharretje. Vorige week kwam vriend oom Roy met een mij onbekende Indiaan het terrein oprijden. Ze openden de achterdeur van de auto en daar zat een verfomfaaide blauwgele raaf in een bespottelijk klein kooitje verschrikkelijk boos te wezen.

De jongen kon zijn vogel niet onderhouden, zei hij. En dat was te zien: een staart van likmevestje, gekortwiekt aan beide vleugels, mager; gewoon een scharrig beest. Volgens de jongen kwam dat omdat het dier nog maar een maand of drie vier was, maar ik had er zo mijn ideeën over. Enfin, we zetten de kooi op een tafeltje naast de volière van Romeo en zagen het zaakje aan. Door rond dollende honden stortte de kooi twee keer op het gras, wat nog meer nijdig gekrijs teweeg bracht. Dus zetten we het kooitje maar ìn de volière, met het muizendeurtje open. Romeo hing inmiddels angstig ondersteboven in een hoekje. Pas toen we, een paar uur later, wat zonnebloempitten vlak voor het deurtje zetten, kwam Scharretje naar buiten. Want dat bleek het toverwoord: eten! Veel eten! Eindeloos eten! De hele dag door!

Inmiddels zijn we een kleine week verder. Romeo (die door het schrille contrast nog mooier, ja, majesteitelijker lijkt geworden) is uit zijn hoekje gekomen. Soms zitten ze gemoedelijk zij aan zij op een stokje, dan weer hangen ze onder elkaar en happen ze dreigend in de lucht. En steevast elke ochtend zit Scharretje al bij zonsopkomst ongeduldig op het voederplankje te wachten tot hij kan aanvallen.

Zo’n zes jaar geleden had de familie Huisman de Mi Gudu afgehuurd. Bij een rondwandeling door het beminnelijke Inheemsendorp Corneliskondre troffen we drie kuikens aan die iemand uit het nest had gehaald en wel voor een habbekrats wilde verkopen. Het betrof twee blauwgele ara’s, broertje en zusje, en een toekan, zo verschrikkelijk lelijk dat we hem niet konden weerstaan. Bovendien trof Clifton, onze gastheer aan boord, bij een andere Indiaan ook nog een paar schaars gevederde vriendjes aan, zodat we met een heel avifauna weer aan boord gingen. We moesten toen nog zeker drie dagen varen, dus we hielden de vogels in de gesloten stuurhut (ze klommen natuurlijk uit de dozen waarin we ze hadden opgeborgen), zodat schipper René letterlijk schaatsend door de vogelstront moest navigeren.

Eenmaal terug op boiti hebben we de vogels op het balkon in provisorische kooien opgevoed tot de eerste volière klaar was: Romeo en Julia aan de ene kant en Tokkie, de toekan, aan de andere, met een gaaswand ertussen.

Vooral Romeo ontpopte zich als een soort Houdini die steeds weer wist uit te breken. Dan reed ik halsoverkop naar de buren waar hij verdwaasd in het gras zat, gooide een doek over hem heen en bracht hem gauw weer terug naar Julia, die zichtbaar opgelucht reageerde. Zij was trouwens mijn onbetwiste lievelingetje, knuffelziek, vredelievend, ontzettend aanhankelijk. Terwijl Romeo toch meer een humeurige etter was, die beet naar de hand die hem als kuiken gevoed had.

Er was veelvuldige burenruzie tussen de toekan en de raven, dus kregen de laatsten een nieuwe kooi. Maar ook dat gaas bleek niet bestand tegen de krachtige snavel van Romeo. Dan trof ik ze, gezellig babbelend, buiten de kooi aan, hangend in het kippengaas. En lokte ik ze weer naar binnen terwijl René haastig het gat lapte. Maar op een dag, ze hingen weer eens buiten, was de situatie anders. Mi Gudu was uit gevaren, en plotseling dook er, vlak bij de steiger een motorbootje op waar ze zo van schrokken dat ze angstig wegvlogen.

Omdat ik ze als kleintjes had gekregen, hebben ze nooit geleerd om te landen. En dat was dus hun handicap. Want, omdat ze evenmin geleerd hadden om eten uit de natuur te halen (zoals het fruit geschild en gesneden op hun bordje lag, zo hangt het nou eenmaal niet in het wild) wilden ze dolgraag terug beeldend en sprekend neer naar hun veilige omgeving. Maar ze wisten niet hoe...

Dagen gingen voorbij, ik riep ze, lokte ze, ze sliepen in een hoge boom vlakbij het huis, ik zag ze over het dak scheren, zelfs naar het bos aan de overkant van de rivier vliegen, ik werd bijna gek van ongerustheid, maar komen deden ze niet. En toen, op een ochtend, hoorden we een knal. En we wisten: ze hebben er eentje doodgeschoten. Voor in de pindasoep. En inderdaad, toen was er nog maar eentje over en ik wist niet wie.

Nog diezelfde dag, alle gasten waren uit de appartementen vertrokken en er heerste volkomen rust op het terrein, heb ik de vogel met veel pijn en moeite weer in zijn kooi gekregen. En al gauw bleek: ze hadden mijn schatje te grazen genomen, die lieverd had natuurlijk vol van vertrouwen als een soort sitting duck op een takkie gezeten....

Toen was Romeo alleen en nog steeds humeurig. Maar sinds hij sociaal afhankelijk van de anderen werd, trok hij bij. Nu blaft hij, roept hij alle mensen en honden bij naam, zegt: ‘Godverdomme Bella!’ (Wat ik riep toen de pup Bella alle slippers opvrat) en gaat hij vast op zijn voederplankje liggen, zodat ik hem op zijn buik kan kroelen.

Hij is sindsdien nog een keer ontsnapt. Toen gleed hij uit op zijn dak en moest hij van de weeromstuit zijn vleugels wel uitslaan. Inmiddels konden we wel om hem lachen; zoals hij op een tak landde, door vol in de boom te vliegen en dan net zo lang met zijn klauwen om zich heen te graaien tot hij houvast had… De mannen maakten van de gelegenheid gebruik om naar de stad te rijden en het dikste gaas te zoeken wat voorhanden was. (Waarop Romeo, eenmaal in zijn nieuwe huis, het haakje van zijn deur wist los te wurmen en weer triomfantelijk aan zijn buitenmuur hing).

Maar we bleven hem een eenzame raaf vinden. Vandaar dus dat we Schreeuwende Scharretje er dan maar bijnamen. En nu kan ik maar niet uitvogelen (om in de sfeer te blijven) of hij blij is met zijn nieuwe gezelschap. Ze blèren onophoudelijk naar elkaar, maar ja, dat is wat raven doen. En stel dat het een vrouwtje is en ze samen een gelukkig paartje zouden kunnen vormen... dat wil je hem toch niet onthouden... Maar wát als hij Scharretje gewoon een vervelende indringer vindt?

Het vervelende is, Romeo lult je de oren van het hoofd. Maar hij zègt niks. En wat is dan wijsheid?

donderdag, 26 maart 2015 22:17

Requiem voor Sam

Geschreven door

Onze allerliefste Sam is gestorven. Mijn eigen Sammetje Pammetje Boterhammetje (Sam was een sucker voor Chinese puntbroodjes). De enige hond die echt kon lachen als je thuiskwam. Die bij vreemden spontaan zijn machtige kop op schoot legde voor een knuffel. En die je volgde, waar je ook ging. De aardigste, mooiste, liefste hond van de wereld. Tot op het laatst heb ik gehoopt dat hij uit eigen beweging zou vertrekken. Maar toen hij, mager als een skelet, niet meer op kon staan, en nog maar muizenhapjes uit mijn hand nam, keek iedereen me beschuldigend aan. Ja, hallo, waarom moet ik dan juist de knoop doorhakken?!

Onze dierenarts woont op Saramacca en ze kwam de laatste tijd al om de twee weken naar hem kijken. Ze reageerde vol begrip, zou binnen twee uur bij ons langs komen (op zich al een zegen: geen doodzieke hond in de auto tillen, een uur naar de stad hobbelen, hem daar onder zware stress op de behandeltafel sjorren en dan dat fatale spuitje geven). Twee uur. Sam lag op ons terras en Anoeska (onze vriendin en gastvrouw van Bloemendaal) en ik lagen in die geleende tijd bij hem te snuffen en te strelen. Overal zaten bulten, een had hij opengekrabd en er kwam bloed uit. Veel bloed.

Toen we Astrids auto hoorden, was iedereen er, ons hele personeel (nou ja, vier in totaal op dat moment). Astrid onderzocht onze bejaarde mati, zag de blauwige bulten in zijn liesstreek en mompelde: ‘Ik denk dat hij ook bloedkanker heeft, als ik die abcessen zie.’ Dat hij nierpatiënt was, wist ik al drie jaar maar deze laatste diagnose rechtvaardigde eens te meer wat er zou gaan gebeuren.

Ze gaf hem het beruchte spuitje waardoor hij zou gaan soezen. Op het terras. Toen brak er een sibi busi los: donder, bliksem en regen, zodat we hem alsnog naar binnen moesten tillen. Hij was te vermagerd, Astrid kon het dodelijke gif niet in zijn ader spuiten. Het moest rechtstreeks in zijn hart. En – daar heb ik nog steeds verschrikkelijke spijt van – ik dorst er niet naar te kijken. Ik had bij hem moeten zitten, met die grote kop veilig op mijn schoot. En op dat laatste, zeer pijnlijke, moment, heb ik hem in de steek gelaten.

Sammetje. Hij was onze eerste hond ever. Al geboren voordat we definitief emigreerden. Hij kwam uit een goed nest, zou een soort Mechelse herder worden, in elk geval heel groot. René doopte hem in gedachte dus al Sthalinnn, maar toen we hem kwamen ophalen, zat er een heel verlegen blond kereltje en konden we niet anders dan zijn zusje (een duidelijk Dobermannvrouwtje, hun moeder was niet eenkennig geweest) er ook maar bij te nemen. Ik wist eigenlijk op het moment dat ik hem zag dat hij Sam moest heten. En zijn sexy, superintelligente zusje, dat was toch een Lola?!

We woonden in Paramaribo-Noord, aan een zandpad, René bouwde dag en nacht aan het schip, en ik zat met twee pups die het puntje van de toiletrol pakten en dan met de slinger het hele huis doorrenden. Die met oudjaar zo schrokken van een bombel, dat we in de carport het dievenijzer rond de hydrofoor moesten losknippen om de angstige Sam te bevrijden. Het was de tijd dat de Marron Sampie met zijn bende de stad onveilig maakte en zich schuldig maakte aan roofmoord op onschuldige oudjes. Dan ging ik met mijn pup wandelen op dat zandpad en als hij te ver weg galoppeerde riep ik hem: ‘Sam! Sampie, kom!’ Waarna overal in de straat luiken dichtklapten en deuren in het slot gleden.

Zijn zusje ging na eindeloos doktersbezoek, laboratoriumonderzoek en tobben een half jaar later dood: leukemie. Toen was Sam puppie in z’n uppie. Maar inmiddels wel een aantrekkelijke Man. Er was een oude, hevig vergrijsde teef die hem de kunsten van de liefde wel wilde bijbrengen. Dus opende ik de poort voor haar en vloog Sam, hevig in paniek, naar het uiterste puntje van ons erf: op die oude fiets wilde hij het nadrukkelijk NIET leren. Maar hij had nog een aanbidster: het buurhondje. Formaat Groot Konijn. Haar passie was zo hevig dat ze een gang onder het hek groef en volgens Daisy, onze dienst die dat weekeinde over Sam waakte, na de Daad, nog een half uur in het luchtledige aan Sam’s geslacht heeft gebungeld. Het nest heeft haar uiteindelijk het leven gekost; haar pups waren veel te groot.

We namen zijn dochter Jessy er bij. Zijn zoon (die, alweer volgens René, SamSon had moeten heten, bleef achter de dichtgestorte tunnel naar ons familiegeluk kijken). Mi Gudu kwam in de vaart,we zagen, letterlijk en passant, de schoonheid van Saramacca en na een hevige verbouwing verhuisden we hier naar toe. Ik had me zo verkneukeld: opeens zouden die jongens zeeën van ruimte krijgen! Ze sprongen in mijn auto: geinig, potje rijden! Op de asfaltparkeerplaats hier zakten ze aarzelend langs de treeplank naar buiten. Verhuiswagen, wasmachine, dozen, dozen, overal dozen, sjouwers ook, waar je maar keek, hollen, commando’s... en twee onzekere viervoeters, teruggekropen op de achterbank van de Hi Lux. Agorafobie (pleinvrees): ‘Baas: genoeg met die flauwekul, nou gaan we weer naar huis!’ Het heeft dagen geduurd voor ze in volle vaart de sapakara-jacht over het terrein aandurfden. En al die tijd was Jessy Sams toegewijde dienares.

Terug naar die hartverscheurende dag. Onze Dino had al een graf voor Sam gegraven, vlak bij ons huis. En voordat de rigor mortis in zou treden, wikkelden we Sammie in een handdoek en legden hem te rusten, met veel van zijn botjes, bloemetjes, tranen en steeds meer zand. Terwijl die kleintjes van dertig kilo elk, alweer ketend en juichend over elkaar heen buitelden... op dat graf. Waarop Jessy zo woedend werd dat ze het drietal grommend en bijtend verjoeg, ons onthutst achterlatend.

We dachten even dat Jessy nu opteerde voor the leader of the pack. Maar nee. Dat was niet haalbaar. Ze is alleen plotseling ontzettend eenzaam. Wil af en toe ook even boven bij ons liggen. Met artrose-pootjes strompelt ze dan over de trap, en met dat grijze waas van staar over haar ogen (ze is ook al een jaar of negen) ziet ze lijdzaam toe hoe die kids zich boven ook al zo ontzettend misdragen.

Op Sam zijn graf staat zijn etensbak, met daarin een blauw bloeiend plantje wat (volgens mij) ‘ Mannentrouw’ heet en aan zijn hoofdeinde hebben we een boompje geplant, een jarakandra, die mooi paars bloeit. Wel drie keer per jaar... Als ik langs het graf loop, babbel ik even tegen hem. Erg kinderachtig, ik weet het. Maar ik mis hem zo. Mijn Sam.

zaterdag, 28 februari 2015 18:51

Bikkelen in Boschhuis

Geschreven door

Toen wij hier bijna elf jaar geleden onze verblijfsvergunning wilden aanvragen, moest je met je hele doopceel (geboortebewijs, Verklaring van Goed Gedrag, bewijs van uitschrijving van een Nederlandse gemeente, trouwakte en welke andere debiliteitsverklaring dan ook) melden bij de Vreemdelingendienst aan de Grote Combéweg; een hokje van vijf bij vijf, zonder ventilatie en met zestig dolgedraaide Chinezen die je met puntige ellebogen ver van het enige loket prikten en duwden.

Minister Santokhi bracht enige lucht in die ellende. De Vreemdelingendienst verhuisde naar een ruim kantoor (naast de vreemdelingenpolitie, ook al een verbetering) aan de Coppenamestraat, tegenover het CBB. Je kreeg er volgnummertjes, de website meldde hoe hoog je op de ranglijst stond (van ‘strookje’ naar eerste, tweede of derde tijdelijke verblijfsvergunning) en: je had een stoel! Mi Gado, je mocht drie uur op een stoel zitten tot je aan de beurt was voor je zoveelste ‘Sorry, uw stukken zijn verlegd’! Ik geloof dat ze denken dat de halve wereldbevolking er letterlijk alles voor over heeft om permanent in dit Eldorado neer te strijken...

Wim en Sjaan zijn wat wij professioneel noemen ‘Binnenvallers’; ze kwamen op een dag, zo’n tweeënhalf jaar geleden, ons terrein oprijden, keken om zich heen en besloten dat het resort ze beviel. Dus bleven ze logeren. Ooit hadden ze samen afgesproken dat ze naar een warm land zouden verhuizen als het werk in Nederland gedaan was. Dat moment kwam eerder dan ze beiden hadden verwacht; ze konden alle twee met een gouden handdruk arbeid en vaderland achter zich laten. En (ik wil niet opscheppen over dit land of dit district) toen was de keuze snel gemaakt: Saramacca! Ze vonden een schattig boschhuis aan het eind van een lange boschweg, vredig verscholen in het groen, met een boschspin hier, een luiaard daar, overvliegende Kulekule-papegaaitjes en een boomgaard vol pompelmoezen die te bitter waren voor consumptie. Toen hun huis in het verre Europa eindelijk was verkocht en alle spullen in de veertig voet container geladen, kwamen ze in mei hier. Geen stroom. Geen telefoon. Want alles moet op zonnepanelen.

Een heel huishouden op zonne-energie; dat is hier nog niet eerder vertoond (maar gaat er natuurlijk wel aankomen als welke regering dan ook gedwongen wordt marktconforme
prijzen voor energie door te voeren). Maar goed, dat zat dus allemaal in die hele bigi bigi container!

Met een klein zonnepaneeltje, wat 12 volt lampje en de ruggensteun van een generator zijn ze een verbouwing ingedoken waar je alleen maar ontzag voor kunt hebben. Met, natuurlijk, arbeiders die weliswaar doorgaans goed werk leveren, maar vooral stronteigenwijs zijn en dus met de grinder dwars door het beton de waterleiding doorraggen (‘zo doen we dat altijd’), zodat alles weer uitgebikt moet worden. En elke avond bij een warung dezelfde bami, nasi of teloh halen, afgewisseld door een gebakken eitje, zuurkool of spekpannenkoek, allemaal op dat ene komfoortje.

En dat dan dus in het schemerduister, want hoeveel licht geeft een 12 volt lampje nou helemaal? Bijna alles ondergingen ze blijmoedig – wij konden alleen meeleven en een incidentele solidariteitsmaaltijd (tortilla, of boerenkool) in de strijd werpen. Toen het huis, de garage annex werkplaats en het gastenhuis min of meer in beeld kwamen, lieten ze dan eindelijk vanuit Nederland de verhuiscontainer komen. Bij de douane hier moet je je verblijfsvergunning tonen, anders hangt de OB-strop van veertig procent (of welk ander willekeurig percentage dan ook) voor je neus te bungelen. Natuurlijk hadden ze de hele papierwinkel al maanden geleden ingeleverd, en natuurlijk hadden ze een futuboi ingehuurd die het proces zou begeleiden (en liefst zou versnellen), maar de container kwam en vergunning no de.

Opslag van een container op Nieuwe Haven: vijftig USdollar per dag. Maar: een paar dagen later, juich, juich, de zo felbegeerde tijdelijke verblijfsvergunning lag klaar! Sjaan: ‘‘We hadden het papier in handen, we voelden het document in onze vingers! Zegt die dame van de vreemdelingenpolitie: ‘Goed dat ik dat nu zie: uw naam is niet correct gespeld, mevrouw. Dat moet eerst gecorrigeerd worden.’ Hoe lang dat zou gaan duren? Nou, dat kon wel acht weken in beslag nemen!’’ Weet u nog? Die vijftig USdollar per dag? Toen leek vooral Sjaan bijna te breken. In het donker van de avond bij het Boschhuis zei ze huilend tegen Wim: ‘Ik wil naar huis’. En Wim – altijd stoer – zei: ‘ Dit is ons huis!’ Elke dag naar de Coppenamestraat: ‘ We begrijpen uw probleem mevrouw, maar de machine die dit moet corrigeren, is kapot.’ Machine?! Wat is dat nou voor kulverhaal? Wat voor hightech wondermachine kan dat wel wezen? Misschien dat jullie het al begrepen hadden, ik was zover nog niet. Het betreft hier een TIEPmachine. Waar dagen op gewacht moest worden. Totdat de TIEPmachine een negental x’jes door de foutief geschreven naam kon hameren.

Dan ben je dus alweer moeiteloos vierhonderd USdollar verder. Feit is dat de werknemers op Vreemdelingendienst allerliefst waren en zich ook halfdoodgeneerden. En feit is dat de voorspelling over die acht weken wachttijd niet uitkwam: de typemachine werd al enkele dagen later gerepareerd, de kruisjes gezet, de correcte naam erbij getypt en eindelijk kon de container komen, over dat hobbelige boschpad.

Na bijna vijf maanden verbouwen is er een paleisje ontstaan, met een beeldig, rond gastenverblijfje dat uitkijkt over de boomgaard, en een werkplaats waar de ware klusser slechts van kan dromen. Nu wordt er hard gewerkt aan een stellage voor de zonnepanelen. En daar is niet alleen om ecologische of economische motieven voor gekozen. Want die twee hadden al lang door hoe het in Suriname gaat: als de EBS eenmaal de stroom heeft doorgetrokken naar achteren, zal het slechts een kwestie van tijd zijn voordat hun hele laantje
aan weerszijden opengestoten en bebouwd wordt. En dat willen ze voorkomen. Want een boschhuis in een nieuwbouw villawijk, da’s niks natuurlijk.

donderdag, 15 januari 2015 00:00

Kalkoen in de boom

Geschreven door

Wanneer de gasten er aardigheid in hebben, varen we in de Pikin Gudu (onze kleine, overdekte motorsloep), heel vroeg in de ochtend, over de door dichte nevelen gekoesterde Saramaccarivier. De natuur laat zich niet dwingen, wordt er gezegd, maar bijna altijd spotten
Harry, de schipper, en de gasten op dat vroege uur verschillende groepen aapjes, vooral keskesi en monkimonki (met rode snoetjes van de bessen waar ze van snoepen), maar ook regelmati een fors babun-mannetje of een stel door de takken buitelende kwata-apen; er vliegen toekans over, een luiaardmoeder met haar jong kruipt onverschillig voor alle aandacht naar de boomtop, soms zie je de zeekoe naar adem happen... Zo dicht bij de stad is hier heel veel levendigheid, met het oerbos aan de overkant.

Na een korte vakantie op de Antillen haalden Harry en zijn vrouw Hetty ons – heel lief – ‘s nachts op van Zanderij. Ze hadden wijntjes en biertjes in de koelbox en al babbelend tuften we door het donker via de vertrouwde boropasi’s naar huis. Harry zat aan het stuur en vertelde, laverend langs de asfaltkraters van de zandtrucks, dat hij met zijn gezelschap een paar dagen terug een harpijarend had gespot, vlak bij ons resort. Dat was begin augustus.

Duh?! Een gonini?! Ik viel bijna van de achterbank! De harpijarend is de grootste roofvogel van Noorden Zuid-Amerika, en er zijn ornithologen die hem de grootste ter wereld noemen. Hij heeft een vleugelspanwijdte van twee meter en klauwen waarmee hij een aap, luiaard en zelfs een jonge jaguar zo uit de takken grijpt, of een konkoni van het bospad. Dan stort hij zich met vijftig kilometer per uur naar beneden en vliegt in één moeite door met zijn prooi weer hoog in de boomtop, naar zijn nest of naar een tak, waar hij zijn maaltje verslindt.

Maar hij is inmiddels in de regio zeer zeldzaam geworden en er wordt op websites nauwkeurig bijgehouden wie, wanneer, waar en hoe lang men het dier heeft gesignaleerd. Data waar je niet vrolijk van wordt; door boskap, door (niet zozeer in Suriname) inheemsen die hem schieten om de donsveren voor hun hoofdtooi, of door landbouwers die hem de kippen of biggetjes op het erf misgunnen, is zijn soort sterk uitgedund.

Ik dacht: die vogel moeten we op onze Facebookpagina van Bloemendaal hebben! Volgens Harry hadden de spotters ook beloofd om de foto’s op te sturen, maar ja, hoe gaat dat: je komt thuis, de kleren in de was, kinderen weer naar school, de baas klopt op de deur; allemaal dyugudyugu en switi Sranan drijft steeds verder weg.

Wie waren het dan precies? Want alle appartementen waren vol geweest, die periode... Ik ben gaan mailen, direct naar gasten en via reisbureaus. We hadden het steeds bij het verkeerde eind, tot eindelijk onze toenmalige logé Vincent Kwaks zich meldde. Met een duidelijke foto en zelfs met een filmpje van vier minuten. Dat hebben we direct geplaatst, blozend van trots. Maar was het toeval, was hij (of zij, het verschil schijnt, net als bij ara’s, nauwelijks waarneembaar) op doortocht? Even op bezoek? Of was het toch een blijvertje?

Een van onze zeer gewaardeerde schoonmaaksters vertelde een paar weken later dat haar man een harpij had gesignaleerd en naar de schuur was gerend om zijn geweer te halen. Godzijgedankt was de vogel gevlogen voor hij hem kon neerhalen, maar de minachting (en ook de angst) voor deze machtige vogel spreekt vele boekdelen.

In 2002 waren René en ik hier voor het eerst, op huwelijksreis. Onze Hindostaanse hotelbaas nam ons mee voor een plezierreisje op de Commewijnerivier, hij had zijn familie uit Nederland op bezoek en het zou knallen! En knallen deed het: met grove hagel schoten oom en neef alle sabaku’s die ze konden raken de plomp in; wat zit er nou voor vlees aan een reigertje?! Maar nee: jagen is sport, de prooi is voor de piranha’s. De Nederlandse echtgenote riep naar haar man: ‘nog een zo’n schot en ik vertel alles aan je dochters!’ Daarna was de jacht snel afgelopen.

Een half jaar later gingen we met zijn vrouw en hun zoon naar een nieuw verworven erf in het district. De zoon (hij zal zestien zijn geweest) schoot spontaan een valkachtige aka uit een boomtop: sport toch?! Het dier viel gewond op de grond; niemand nam de moeite hem uit zijn lijden te verlossen. Met die mentaliteit is onze gonini dus geen lang leven beschoren. Sterker, met deze mentaliteit schiet je je hele toeristische toekomst weg, want buitenlanders komen hier voor het bos, maar vooral voor zijn bewoners.

Gisteren waren hier Hollandse kennissen van een vriend uit Paramaribo. The Big Five, zo noemen ze zich en zo gaan ze als vriendengroep elk jaar met elkaar een weekje op reis. En bigi zijn ze! Allemaal tegen de twee meter. Ze huurden onze sloep en kwamen na twee uur terug, buitelend over hun ervaringen: ‘D’r zat een kalkoen in de boom!’ Ik zeg: ‘een kip!’ ‘Nee, serieus, we hebben een grote roofvogel gezien!’ Wij, blasé: ‘Zwart zeker? Tingifowru, is een gier, barst het hier van...’ ‘Nee, hij had een kuifje en zwart was hij niet.’

Aarzeling bekroop ons. Ze hadden foto’s gemaakt, die ze ons toonden. En ja hoor, weer was God met de onnozelen: het was onze gonini! Ze hadden onze harpijarend gezien! Hij leeft nog! En op hun foto ziet hij er vorstelijker uit dan ooit... Hij is beschermd, want bedreigd, staat op de rode lijst van de IUCN (International Union for Conservation and Natural Resources). Waar hadden ze hem gespot? Richting Uitkijk, drie of vier bochten bij ons vandaan. Maar wel aan deze oever, dus aan de rand van de bewoonde wereld: ga daar weg, mooie vogel! Trek je terug in het oerbos! Houd je onzichtbaar en overleef! Ok dan, laat je nog één keer zien. Alleen aan mij. En dan: wegwezen!

maandag, 15 december 2014 00:00

Teletreur

Geschreven door

Het gebeurde voor het eerst zo’n half jaar geleden. Ik pakte in de vroege ochtend de telefoon: lijn dood, morsdood. Even denk je: storinkje, even laten rusten, komt vanzelf weer goed. Maar dat doet het natuurlijk nooit. Dus mobiel de klachtenlijn gebeld, de storing werd genoteerd. Na twee dagen weer bellen, nu ook met meneer N., iemand van het hogere echelon (want we hebben zo’n gigantisch miserabele staat van dienst, vooral met ons internet, dat we tegenwoordig te allen tijde met de machtigste bazen van Telesur mogen bellen). We kregen te horen dat er koperdieven op actief waren. Allemachtig! Wat zit er nou helemaal voor koper in een telefoondraad?! Weer een dag later zijn we maar eens ter plekke poolshoogte gaan nemen. En inderdaad: langs plantage Misgunst was over een lengte van vier palen de luchtleiding verdwenen, je zag de afgehakte staartjes nog bij de kop van de palen smartelijk in de ochtendwind heen en weer kwispelen. Vier palen met een onderlinge afstand van, zeg, vijftien meter, da’s 45 meter, hoe moeilijk is het om daar een stukkie tussen te knopen?!

Dus ik belde (mobiel) met meneer P. van de technische dienst en legde hem (inmiddels al bijna in tranen) mijn vraag voor. Wilt u weten hoe moeilijk dat kan zijn? Nou, moeilijk: meneer P. vertelde dat men dit soort draad niet meer in voorraad had. En in een noodscenario was helaas niet voorzien. Natuurlijk, ingraven zou beter zijn, maar dat nam tijd in beslag, veel tijd.

Hoe ze het hebben opgelost, weet ik nog steeds niet, maar na verloop van tijd hadden we toch weer een zoemtoon en aarzelend internet. Maar niet voor lang. Een week of wat later was het weer raak. Onze buurman Kenneth heeft zelfs zo’n rover betrapt. Omdat zijn hondje Bessie maar bleef blaffen. Helaas kon hij zijn houwer niet snel genoeg vinden en ging de dief er vandoor zodat zelfs de politie hem die nacht niet meer kon vinden. We zijn inmiddels de tel kwijt geraakt. Soms was het zelfs zo dat je na dagenlang wachten eindelijk weer kon bellen en de ochtend daarop om vijf uur met trillende handen naar de telefoon greep: alweer dood. Wij werden er moedeloos van en Telesur natuurlijk ook. Maar we runnen hier een bedrijf, zowel de gasten als de touroperators reageren over de mail en het was nota bene hoogseizoen! Dus reden we met de laptop elke dag anderhalve kilometer naar onze vriendin Gerrie om daar op onze laptop de correspondentie af te handelen. Sterker nog: soms moesten we onze gasten meenemen (‘Zo kom je nog eens ergens!’), zodat ze bij haar hun rekening konden internetbankieren.

Afgelopen zondagochtend was het weer zo ver. Nu konden we ook niet meer bij buurvrouw terecht: iedereen in de omgeving was getroffen door een Dode Lijn. We gingen eerst zelf de situatie maar weer verkennen en ja hoor, precies op dat stukje waar geen huizen staan waren over vijf palen de draden weggehakt. Waarom niet alle vijf die palen met scheermesjesprikkeldraad omwikkeld? Waarom hangen er zolang geen beveiligingscamera’s zodat het geboefte eindelijk een gezicht krijgt? Waarom worden de bedrijven die oude metalen opkopen niet gecontroleerd?

Even voorbij ons huis is een heel stuk oerwoud waar helemaal niemand woont. Kennelijk hebben de dieven daar ook regelmatig toegeslagen. Toen zagen we de mannen van Telesur: binnen anderhalve dag hadden ze over de hele lengte van de stille straat de telefoonlijn begraven; zo snel ging dat! Waarom blijven ze dan hier telkens weer trouwhartig die spaghettislierten in de lucht hangen (zo laag dat je er aan kunt hangen als je op je tenen staat!)?

Nog diezelfde ochtend sms’ten we meneer I., hoofd van het Internet. Hij antwoordde direct dat hij met ons meeleefde en alles in het werk zou stellen om ons in elk geval internet te geven. Nu heeft Telesur het systeem van AnyDATA (waarmee je zonder telefoon kan internetten) afgeschaft, maar speciaal voor ons zijn ze nog eens naarstig gaan zoeken en jawel, in een hoekje van de zolder, diep verscholen onder het spinrag, lag nog zo’n apparaatje. En speciaal voor ons hebben de techneuten van de Zonnebloemstraat hem nieuw leven ingeblazen. In de wolken waren we: halsoverkop sprongen we in de auto en reden regelrecht naar de stad. Juichend kwamen we thuis, juichend werden we door ons personeel binnengehaald: we hebben een modem, we hebben een modem! Uiteindelijk kregen we hem aan de praat en voor simpel e-mailen en internetten volstond hij prima.

Het leek een ware sport te worden: de ene week aansluiten, het volgende weekeinde kappen. Zelfs als er aan de weg een feest werd gegeven en het wemelde van de gasten, wisten de dieven nog toe te slaan. Inmiddels was de politie wakker geworden en werd er gepatrouilleerd (met zwaailicht in dienstauto, zodat iemand op wacht kon staan en tijdig waarschuwen) zodat ze het draad niet effectief mee konden nemen, maar toch... Het schijnt trouwens dat half Saramacca weet wie het zijn, maar niemand durft de politie te bellen omdat men bedreigd wordt met zwaar lichamelijk letsel.

En opeens stonden er vorige week overal op de weg van die schattige kleine pocklaines gleuven te graven! Telesur had er eindelijk de buik van vol. Ze gingen de draad begraven. We zijn er in gaan staan om de diepte te meten; de gleuf kwam bijna tot mijn heup... Heimelijk ben ik bang dat ze die draad ook nog eens gaan uitgraven, maar hij zit echt diep! Dan moet je zelf ook met een pocklain komen en dat zal toch wel opvallen, zo midden in de nacht? Toch?

Ik maakte gauw een foto met mijn telefoon. ‘Waarom maakt u die foto?!’ baste het achter mij. Ik voelde me betrapt, alsof ik op een militaire luchtbasis stiekem gevechtstoestellen aan het kieken was... ‘Voor Parbode’, antwoordde ik schuldbewust. Ah! Of ik dan zijn bedrijf even wilde noemen, want dit werk werd door Telesur uitbesteed en HI-Telcom klaarde de klus (inderdaad met verbijsterende voortvarendheid) en graaft trouwens ook de transmissielijn van Staatsolie naar het onderstation op Highway. Waarvan akte.

Ik durf het bijna niet te geloven, maar binnenkort is iedereen van de sores af. Toch koesteren we heimelijk dat kleine AnyDATA apparaatje, die kleine vriend geef ik voorlopig niet meer af! Noem het bijgeloof. Maar hij blijft ons internetappeltje voor de dorst!

donderdag, 19 februari 2015 19:52

Hartverscheurende tekenen

Geschreven door

Leonoor Wagenaar stond in 2006 aan de wieg van dit blad. Twee jaar bleef ze hoofdredacteur om vervolgens met haar man en hun zelfgebouwde riviercruiseschip Mi Gudu naar de oevers van de Saramaccarivier te verhuizen, waar ze het resort Bloemendaal op zetten.

Boiti is een paradijsje aan de rivier; wanneer tegen een uur of zes dat gouden strijklicht gefilterd door de bomen schijnt, wandel ik regelmatig (al er geen gasten zijn) met de honden over het erf. Dan inspecteren we de goddelijke Tessa-manya’s van de twee bomen (zaailingen uit de eerste Parbode- redactietuin aan de H.J. de Vriesstraat) die ik samen met vriendin Tessa geplant heb toen we hier net kwamen wonen. Zes jaar geleden, maar het zijn al woudreuzen! Dan snoei ik hier en daar een doorgeschoten bougainville, babbel wat tegen mijn dierbare borstelboompje, geef wat dorstige grondorchideetjes water...

Een weelderige oase, tot je dienst, maar soms wil Boiti echt naar Buiten, weg van Su, bijvoorbeeld naar een echte zee, het liefst eentje met die azuren kleurschakeringen van de Caraïben. En wanneer wil je dat dan precies? Juist! Wanneer de feestdag nadert die je al heel lang geen feest meer vindt. Wat valt er te vieren aan weer een jaar ouder? In je pubertijd leek het een persoonlijke mijlpaal, nu is er geen bal meer aan. Dus Aruba: here we come.

Nou wil ik niemand vervelen met een reisverslag, daar maakt de halve wereld zich al schuldig aan, maar deze reis stuitten we op Iets wat ik niemand wil onthouden. Aruba dus. Via Zoover een alleraardigst ressort geboekt (Paradera), min of meer op het midden van het eiland, dus, rijdend naar de kust, floep, in de fuik van de Amerikaanse giga hotels – en dan bedoel ik giga! Een hele wijk vakantiewolkenkrabbers! Gelukkig laagseizoen, Amerikanen komen vooral rond de kerstdagen, maar niettemin: afgezien van de mosselen die er werden geserveerd, en waar wij als Suri-bakra’s een moord voor plegen, hadden we er verder niet veel te zoeken. Dus tuffen met het autootje (de reisgids van de Antillen was helaas – in de haast van het inpakken – thuis tussen de kussens van de bank gegleden, maar ik betwijfel of het ons uitsluitsel had kunnen geven over dat Iets) op de bonnefooi naarhet oosten. Richting Baby Beach, op het puntje van het eiland. Tot aan Oranjestad: brede boulevards en snorrend verkeer, daarna zakte de drukte op de weg al snel af. En af. En af. Op het laatst werd het een soort verlaten desert road zoals je ze soms ziet in Amerikaanse road movies.

Aan het einde van de snelweg is het nog een heel gezoek naar de juiste route, want van God verlaten; geen toerist meer te bekennen, eigenlijk sowieso geen mens meer op straat. Verlaten gehuchten, gesloten luiken voor de ramen, geen verkeer... En geen bewegwijzering, maar een waaier van zijweggetjes. Dus op goed geluk maar doorrijden door een woud van cactussen; Kadushi en Kadushi di Pushi; geen van tweeën aanlokkelijke verleidsters. Dichter bij een wilde kust staat, doodeenzaam, een man met een parasol, hij verkoopt gekoelde kokosnoten. Maar aan wie?

Dan hebben we de onstuimige, onmogelijk te bezwemmen golven aan onze linkerzijde en dalen we het paadje af naar het rotsige strand. En opeens zie ik, tussen een soort scharrig helmgras, met die fel blauwgroene zee op de achtergrond, een verweerd kruis. En links daarvan, nog een paaltje, waarvan het horizontale latje al schuin hangt. Verbijsterd kijken we samen verder: honderden gedenktekens! Kruisjes, zelfs hele tombes. Een paaltje waaromheen een verschoten en zwaar gehavend vaal roze T-shirt wappert, een klapperend kruis met aan de voet een voetbal waarvan de kleur niet meer te achterhalen valt... Een monument: ‘uit het oog, maar nooit uit het hart’, overal tussen al die kleine heuvels zie je ze: door de zeewind weggevreten hartverscheurende tekenen van een heel pijnlijk afscheid.

Baby Beach... liggen hier gestorven kindertjes? Nee! Nederland zou toch niet akkoord gaan met zo’n… ja, wat? Illegale begraafplaats voor baby’s? De Nederlandse Wet op de Lijk Begraving staat dat toch niet toe?! Zijn het dan gedenktekens voor kinderen die elders begraven liggen? En waarbij je hier, bij de rollende golven nog een beetje om ze kunt rouwen? En het gaat maar door: voor we daadwerkelijk bij het strand zijn aangeland, hebben we al een halve kilometer dodenakker gepasseerd. Het is luguber, macaber, griezelig. Maar ook ontroerend, aangrijpend, al hebben we verder nog steeds geen idee, en er loopt geen levende ziel aan wie we het kunnen vragen. Ik denk dat het die eenzame verlatenheid is, in combinatie met de, door de niet aflatende zeewind, verweerde houten, ingezakte houten epitafen, die het geheel zo treurig en troosteloos maken.

Als we uiteindelijk rechtsomkeert maken, stap ik nog een keer uit, voor een laatste foto. Een klein, stenen monument, (vlak bij die verschoten voetbal die we op de heenweg al zagen) met een ingelijst fotootje. Dichterbij gekomen zie ik wie erop staat: een uitbundige jonge dalmatiër! Iemands diep betreurde hond! Mi Gado, dus toch! Het is een dierenbegraafplaats! Op het mooiste, maar eenzaamste stukje van de wereld mogen de bewoners van Aruba hun dierbare geliefde viervoeters naar een schitterende laatste rustplaats brengen! Niks illegaal! Mag van Baasje overheid!

Persoonlijk heb ik zoiets nog nergens op de wereld gezien. En wat zou het mooi zijn in dit onmetelijke Su! Toen tien jaar geleden mijn eerste, vijf maanden oude teefje, aan leukemie doodging, moesten we haar, na sectie, in onze eigen tuin begraven. En zeg niet dat haar broertje zich om haar zielenrust zou bekommeren; hij groef haar gewoon weer op. Wat was dat wekenlang een niet te dempen stinkkuil! Tegenwoordig kan je je huisdier laten cremeren, er is veel veranderd in dit land. Maar toch... Een mooi plekje, misschien op de savanne, achter Zanderij? En dan niet van die kommervolle grafmonumenten met hun lusteloze badkamertegeltjes, maar simpele houten kruisen. Desnoods met een T-shirt aan.

woensdag, 01 oktober 2014 00:00

Kabiden

Geschreven door

Leonoor Wagenaar stond in 2006 aan de wieg van dit blad. Twee
jaar bleef ze hoofdredacteur om vervolgens met haar man en hun
zelfgebouwde riviercruiseschip Mi Gudu naar de oevers van de saramaccarivier
te verhuizen, waar ze het resort Bloemendaal op zetten.

Er was telefonisch gereserveerd door mevrouw Aboikoni; een klinkende surinaamse naam met een gedistingeerde blanke stem. Vervolgens rolde een busje onze oprijlaan af en rolden daar alleen maar blanken uit... Hoezo Aboikoni? We dachten nog dommig dat de chauffeur een lokale taxichauffeur was, maar nee: de chauffeur was dus sylvester Aboikoni (55), kleinzoon van het roemruchte en vooral charismatische grootopperhoofd Jozef Daniel (beter bekend als Agbugo), neef en oom van de daaropvolgende granmans Aboikoni en zelf dus ook lid van de matjuwlo, de familie-lo die traditioneel de stamhoofden van de saramaccaners voortbrengt; een hele eer! De blanke dame bleek zijn echtgenote Diane, met wie hij alweer jaren samen is en drie zoons heeft waarvan de oudste al 31 is en Quincy, de jongste van 11, zelfs is meegekomen. De andere bakra’s zijn vrienden die op suriname-sleeptouw werden genomen. “Die vakantie was al lang geleden geboekt”, zegt hij met dat bronzen stemgeluid, “maar toen de laatste granman, Belfon Aboikoni, onlangs overleed, moest ik eerder naar hier komen. inmiddels ben ik al drie keer op en neer geweest naar Asidonhopo, waar het lichaam ‘rust’, zoals wij dan zeggen. over het water, ja, en dan is het dorp ver, helemaal bij de Gran Rio. ik durf niet zo goed in zo’n vliegtuigje, dus dan maar steeds weer in de korjaal. Maar gaan moest ik; destijds ben ik door Belfon in nederland benoemd tot Kapitein, Kabiden zeggen de mensen in het bos, en dan word je geacht deel te nemen aan de verschillende rituelen. “Hij is eind juni gestorven, maar wordt pas maanden later begraven. in die tussentijd ‘slaapt’ hij dus bovengronds. Dat gaat niet stinken, hoor, de saramaccaners hebben zich al lang geleden de kunst en de kennis van het balsemen eigen gemaakt. in die tussenliggende periode is het een komen en gaan van dignitarissen, ministers en gewoon volk, iedereen komt wel een bezoekje afleggen. Er heerst een feestelijke stemming met veel dyugudyugu, veel bedrijvigheid: er moeten hutten gebouwd worden voor de begrafenisgasten, jagers gaan dagenlang het bos in, vissers moeten grote voorraden vis roken... en op de dag van de begrafenis stromen de mensen helemaal toe! Duizenden van over de hele rivier, plus politie, vrienden... Dat is echt een happening, een geweldige levendige gebeurtenis! Maar wanneer hij ten slotte naar zijn laatste rustplaats wordt gebracht, dan mag niet iedereen mee. Alleen de olomans en de grafdelvers. ik? Ja, ik zou mee kunnen. ik durf alleen nog niet te zeggen of ik, vanwege mijn werk, kan gaan. “ik ben geboren in Kapasikele, een vluchtdorp dat nu op de bodem van het stuwmeer ligt. We zijn er uit weggetrokken toen ik nog maar heel klein was. Die pijn zit bij velen heel diep, nog steeds, er is met de aanleg van de Brokopondo-dam veel verloren gegaan; graven, bidplaatsen… Maar we hadden geen stem, moesten wegtrekken voor het water, terwijl we er eigenlijk in de nieuwe dorpen geen enkel profijt van kregen. De stroom was voor de stad en de grote bedrijven, ons werd het niet gegund. Vanaf mijn zevende woonden we in Paramaribo, maar als kind kwam ik eigenlijk het meest in santigron. Daar kwam mijn moeder vandaan. santigron, het is wel een bosnegerdorp, maar geen vluchtdorp zoals die aan de Boven-surinamerivier. santigron werd eigenlijk ingericht voor marrons die dichter bij de stad wilden wonen en in de houtkap geld wilden verdienen, een soort werkomgeving zeg maar, er wonen ook heel veel verschillende lo’s bij elkaar. “Het is dus niet zo dat ik als kind mijn opa in Asidonhopo opzocht. Maar hij was wel dol op zijn kleinkinderen, dus als hij in de stad was, dan hield hij zich veel met ons bezig. nou had hij natuurlijk veel kleinkinderen, omdat hij met meerdere vrouwen was getrouwd, ik zou uit mijn hoofd zo gauw niet eens weten hoeveel. Maar in ons huis... je moet je voorstellen, hij had grote waardigheid, werd als een wijs man gerespecteerd door het koningshuis en belangrijke staatshoofden, reisde naar nederland, ja, zelfs naar Afrika. En zo gedroeg hij zich ook: prachtige kleren, een mooie hoed, een diepe, typische Aboikoni-stem - ze zeggen dat ik die van hem geërfd heb, maar goed - de man was een instituut. Dus als hij in de stad was, dan sloot hij zich met ons op in een aparte kamer, en daar werd hij dan echt opa. Met van die twinkelende ogen vertelde hij korte verhaaltjes, Anansitori, stukjes geschiedenis, van hoe onze voorouders gevlucht waren van de plantages. Daar kon hij zichzelf zijn, maar in het openbaar verloor hij nooit die waardigheid. En we waren geweldig trots op hem! Als hij dan weer op de televisie was... sang! “ik ben heel jong al naar nederland gekomen om te studeren. Tja, en toen ontmoette ik Diane en dus begrijp je het wel, ik ben gebleven en heb er een gezin gesticht. Wel kwamen we elk jaar naar hier. Diane spreekt ook sranan en ze verstaat saramaccaans. Toen mijn opa overleed, kon ik helaas door mijn studie niet overkomen, maar ook in nederland werden er flink wat rituelen gehouden, dus ik heb hem feestelijk kunnen gedenken. “Eigenlijk kom ik dus pas de laatste jaren, vooral nadat ik tot Kabiden was benoemd, steeds vaker naar Asidonhopo. om de rituelen te leren, de verhalen te horen en de geschiedenis te leren. Want bij ons staat er niets op schrift; alles wat we weten en hebben meegemaakt, wordt bij overlevering doorgegeven. “Met Belfon, de laatste granman, had ik een goede band. We wonen in Eindhoven en in 2009 was hij bij mij voor de viering van de Marrondag. We hebben bij ons ook een grote gemeenschap, vooral in en rond Utrecht, dicht bij de Zeister Zendings Gemeenschap. in totaal wordt het aantal geschat op zo’n 20.000 en de granman zei: ‘Al die mensen hebben ook hun vragen, noden en problemen, zij willen ook een kapitein, en hun eigen basja’. ik schrok: ‘Ho, ho, wacht even, ik heb bijna mijn hele leven in Europa gewoond, weet niks van al die rituelen... laat me eerst mijn leermeester bellen...’ Mijn leermeester, dat is mijn oom, de broer van mijn vader. ik legde het hem voor en moest hem na anderhalf uur terugbellen. in die periode zou hij bidden tot de voorouders. Vervolgens zei hij: ‘Jongen, het is jou gegeven, jij hoort kapitein te zijn.’ Het gekke van het hele verhaal is dat toen mijn vader stierf, hij wilde dat de kapiteinsstok naar mij ging. sindsdien hebben we die altijd in huis gehad, daar zit toch iets van voorbestemming in. nu reis ik altijd met mijn stok. Helaas ligt hij op dit moment in het hotel in de stad, anders had ik je hem graag laten zien. Maar goed, zo kwam het dat ik in 2008 ben geïnstalleerd. Twee jaar later kwam Belfon zelf naar nederland en vonden de rituelen, waaronder de witifutu, plaats. samen met drie andere kapiteins en verschillende basja’s, allen verspreid over het hele land, begeleiden we nu de groep in nederland, gaan naar dede oso’s, organiseren we alle mogelijke activiteiten en rituelen. We staan de mensen spiritueel bij tijdens geboortes, overlijden, ruzies, ziekten. in mijn huis heb ik nu ook een kamer als tempel ingericht, daar kan ik in contact komen met mijn voorouders. Dat lukt, ja, ze antwoorden in signalen. “ik merk dat er onder de jongeren minder animo is voor onze cultuur. Dat is jammer, maar dat zijn ontwikkelingen die je niet kunt tegenhouden. Maar het grappige is dat bij mij de belangstelling juist is toegenomen: pas als je weg, bent ga je de waarde ervan inzien, besef je uit welke rijke traditie je voortkomt...”

dinsdag, 01 juli 2014 00:00

Sukkeltje

Geschreven door

Leonoor Wagenaar stond in 2006 aan de wieg van dit blad. Twee
jaar bleef ze hoofdredacteur om vervolgens met haar man en hun
zelfgebouwde riviercruiseschip Mi Gudu naar de oevers van de Saramaccarivier
te verhuizen, waar ze het resort Bloemendaal op zetten.

Zaterdagmiddag. Ik was toevallig even boven toen ik een harde knal hoorde. De welbekende ‘Knal van Dom Vogeltje tegen Raam’. Dan moet je snel wezen, want de kat ligt altijd op de loer en onze grootste hond Wolfje is er ook altijd als de kippen bij om een weerloos diertje om zeep te helpen. Maar ik was de eerste die hem vond. Eerder dood dan levend, en veel te jong om al uit huis te gaan. Aan zijn oogjes zag ik dat hij nog leefde, maar hij lag volkomen slap in mijn hand. Moest ik hem uit zijn lijden verlossen of was hij gewoon in shock? Voor de zekerheid legde ik hem maar in een doosje op het balkon. En na een uur of wat zat hij heel wankel op zijn pootjes. Ik gaf hem een stuk papaja en dat was een schot in de roos; hij begon er driftig van te eten. Omdat Sukkeltje een soort rood petje droeg, ben ik in het vogelboek bij de spechten gaan kijken. En hij leek het meeste op een papayafowru. Vandaar dus. Brood lustte hij niet, druif en ananas evenmin, dus hij deed zijn naam echt eer aan! Geleidelijk aan maakte hij kleine stapjes in zijn doos, maar hij rolde om de haverklap van z‘n sokken en lag dan met zijn pootjes in de lucht te trappelen tot ik hem maar weer een zetje gaf. Dan waggelde hij verder, ondersteund door zijn twee vleugeltjes (die dus niet gebroken waren). Maar fladderen deed hij nog niet, zodat René zich afvroeg of zijn moeder hem misschien met opzet tegen het raam gekwakt had. Sukkeltje verhuisde eerst naar de hondenkennel, maar dat was geen succes. Dus toen kwam er een grote vogelkooi met stokjes. En dat bracht een geweldige ommekeer teweeg. Want afgezien van eten, op en neer waggelen en omvallen, bleef Sukkeltje maar verlangend naar die stokjes staren... Daar op te kunnen zitten, dat moet toch het einde zijn! Helaas, hij kwam er met geen mogelijkheid zelfs maar in de buurt. En als ik hem er voorzichtig opzette, bleef hij even versuft zitten om dan langzaam ondersteboven te zakken, terwijl zijn pootjes zich nog verkrampt om het stokje klemden en zijn rode petje over de bodem sleepte. Vijf dagen verstreken. Soms zag ik hem fladderen. Maar als ik hem op mijn geopende hand buiten hield, vloog hij niet weg. En als ik de deur van het kooitje openzette, klom hij voorzichtig in de opening, keek peinzend om zich heen en duikelde dan toch maar weer naar achteren. Maar gisteren had Sukkeltje zijn millenniumdoel bereikt. Toen we thuiskwamen, zat hij trots en parmantig op een stokje! Weliswaar niet door er naartoe te vliegen; ik zag hem wat later verticaal tegen het gaas op klauteren (als een echte kleine specht!) en dan opzij stappen, op dat felbegeerde stokje. Maar hij zat er toch maar! En op de stoel naast hem zat zijn trouwe bezoeker, kater Tigri, die de dyugudyugu belangstellend gadesloeg, terwijl hij rustig zijn nagels vijlde in afwachting van deze exquise amuse-gueule. En weer een dag later vloog hij er daadwerkelijk op. Om te bewijzen hoe behendig hij inmiddels was geworden, fladderde hij zelfs van het ene naar het andere stokje. Met zijn stijgende zelfvertrouwen kwam bij ons beiden ook het besef dat hij rijp was voor de echte buitenwereld. Vandaag besloot ik om hem dan maar vrij te laten. Maar eerst nog een foto (die ik natuurlijk had moeten nemen toen hij ondersteboven aan zijn stokje hing, maar op zo‘n moment denk je daar even niet aan). Dus gewapend met de camera naar boven: kooitje leeg! Hij moet, vanaf zijn stokje naar boven kijkend, dat gaatje in de nok hebben gezien. Toch niet zo‘n heel groot sukkeltje.

Een dag later
Sukkeltje is terug! Vrienden waren vanmorgen heel vroeg met de Pikin Gudu gaan varen en bij het uitstappen zag Roy het vogeltje klein, kwetsbaar en angstig in het gras zitten. Hij zette het op een boomstronk en onze gastvrouw Anouska schalde opgelucht: ‘Sukkeltje is terug!‘ Waarschijnlijk heeft hij daar, na zijn abseilen gisterochtend, gewoon 24 uur roerloos en papaja-loos zitten wachten. We hebben alles weer van stal gehaald; de kooi gerepareerd, waterbakje gevuld en nou zit hij zich ongans te eten en staart hij wederom begerig naar het stokje dat weer net zo ongrijpbaar lijkt als voorheen. Geen idee hoe dit moet aflopen.

Vele dagen later
Het gaat nog steeds uitstekend met onze kleine Sukkel. Hij baddert uitbundig in zijn drinkbakje en is zelfs begonnen met zingen! Nou ja, zingen... het is meer het monotone geratel van een wekker, ik moest echt naar zijn geopende snavel kijken om zeker te weten dat het geluid van hem kwam. Ik kan niet echt zeggen dat hij aan ons gewend raakt; hij vliegt als een bezetene door zijn kooi als er iemand voor staat. Maar dat moet ook; straks, in het wild, moet hij juist bang voor ons zijn. Rest nog het probleem van zijn eenzijdige dieet. Maar vriend Roy bood een oplossing: proteïnerijk vogelzaad. Dat smeerde ik op zijn fruit en daar pikt hij nou behoedzaam omheen.

Vanmorgen
En toen was ie echt weg, pardoes langs mijn hand gefladderd. Van zijn vliegkunst was ik nog steeds niet onder de indruk, maar het lukte hem wel om van de bougainville beneden naar de krerekrere naast de volière van Romeo (onze blauwgele raaf) te hobbelen. Een paar keer hoorde ik zijn wekkertje nog afgaan. Toen werd het stil. We zoeken om het uur ons terrein af, maar hij lijkt het te redden. Onwillekeurig kijk ik nog wel naar de papaja in zijn kooitje. Het deurtje staat open, maar het fruit blijft onaangeroerd. Terwijl, nou ja, ons Sukkeltje kan toch altijd vrijblijvend even komen bijtanken...?

zondag, 01 juni 2014 00:00

De buurman communiceert niet

Geschreven door

Leonoor Wagenaar stond in 2006 aan de wieg van dit blad. Twee jaar bleef ze hoofdredacteur om vervolgens met haar man en hun zelfgebouwde riviercruiseschip Mi Gudu naar de oevers van de Saramaccarivier te verhuizen, waar ze het resort Bloemendaal op zetten.

Wanneer wonen op ‘boiti’ een ‘buiten’ op Saramacca betreft, dan loop je het risico om in een soort buru-oorlog verzeild te raken, a clash of the Titans; zeer rood aangelopen, heethoofdige Titans. Toen we hier in 2008 kwamen, galmden de woedende woorden van voormalig eigenaar Van Dijk nog na: buurman had die duiker aan de rivier niet willen plaatsen, of juist wel, maar dan een veel te smalle duiker, buurman had de trens dichtgegooid, dus het water kon nergens heen en die districtscommissaris, ah, dommer had je niet voor mogelijk gehouden, die dacht ook dat water alleen uit de kraan kwam. Tegen de tijd dat wij onze hectare voorzichtig begonnen te verkennen, bleek onze buru-voorganger ook geen onbesproken blad; de oprit voor het huisje aan de wegkant had hij dicht gestort, dwars door de trens heen, en aan de overkant van de weg had hij de afwatering ook al met zand opgevuld zodat zijn vee makkelijk naar het weiland kon hobbelen. Met die buurman konden we het toen nog redelijk vinden, zeker toen we de verdronken boomgaard moesten kappen en ophogen met zijn dure zand; we leken wel maatjes! Maar dat waren we natuurlijk niet. We hadden een vendetta gehad. Een buru-vendetta. Dat gelul over die duiker en die afwatering bleek maar al te waar toen na zware regens in mei 2013 het water van Boven-Suriname in grote hoeveelheden door de swampen stroomde, op zoek naar de bevrijding van de Saramaccarivier. Die vloed werd aan de asfaltweg gestremd door alle illegaal (want zonder vergunning) geplaatste duikers, die veel te smal bleken voor de stortvloed. En wat er wel door de duiker van buurman stuwde, vond verder geen uitweg. We zijn nog met hem gaan praten, of we niet zelf een beetje de trens open konden poeren. Nou dat mocht. Maar soelaas bood het natuurlijk niet. En intussen steeg het water. Ons erf ligt lager en al mijn mooie, zelf gekweekt anga lampu’s dreigden te verdrinken. Samen met het zwembad trouwens. En de rest van de aanplant. En terwijl iedereen een beetje met houwers in die slome sloot stond te kappen, kwam de resortraadvoorzitter zeggen dat we tot rampgebied waren verklaard en de poclaine onderweg was om een geul te graven. Saved by the bell! Buurman (die daar trouwens niet woont en met het land ook niets doet) klom nog hevig foeterend op het zwaar materieel (‘Want die Van Dijk... en het is zijn schuld...’), maar dat kon niet verhinderen dat er naast ons een soort Panamakanaal gegraven werd en het water dagenlang kolkend de rivier instortte, met medeneming van grote stukken dierbare aarde. Een paar maanden kreeg de natuur gelegenheid om de getormenteerde aarde te bedekken met een zachte mantel van groene begroeiing, En toen ronkten de poclaines weer. Dit keer om, schots en scheef, palen in de rivier te meppen met de bak van een loader. Wat hing ons nu weer boven het hoofd? Geen idee. Want buurman communiceert niet. Die zaterdag wisten we het, toen een armetierig speedbootje zwoegend en kreunend een reusachtige dekschuit naar de oever sleepte... hij had die rottende praam gekocht! De rottende praam die al sinds mensenheugenis ligt te roesten in de ondiepte bij de ingestorte zagerij van Uitkijk. Weer werd dat arme land met veel vertoon omgewoeld tot die schuit bij hoogtij het land kon worden opgetrokken, waarna hij in een nieuw gecreëerde binnenhaven plonsde. Het mag duidelijk zijn dat wij, op onze ‘Oase aan de Saramaccarivier’, grote problemen kregen met de gasten van ons resort, zeker nadat het aggregaat werd geïnstalleerd en het Grote Lassen begon. Want die dekschuit was natuurlijk zo lek als een mandje en waar eerst een plaatje werd gelast, viel direct ernaast weer het volgende gat. En bezoekers die overwogen om een week te blijven logeren, vertrokken na twee nachten met watjes in hun oren... hoe frustrerend kan zoiets zijn?! Uiteindelijk lukte het ons om met de zoon van de buurman afspraken te maken; we probeerden over en weer rekening met elkaar te houden. Kennelijk had zijn pa een houtconcessie aan de Coesewijnerivier en was hij van plan de stammen ‘in planken gezaagd’ met die dekschuit, (die inmiddels een grote buitenboormotor en een dakje had gekregen) naar Saramacca te brengen en hier dan over te laden op vrachtwagens. Even deed nog het gerucht de ronde dat hij het hier hiernaast wilde verzagen, maar een telefoontje met de districtscommissaris leerde dat hij die vergunning voor een houtzagerij niet had gekregen. De Here zij geprezen: dan hadden we ons bedrijfje ook per ommegaande kunnen opdoeken. Het werd weer stil op het landje naast ons. Tot vorige week. Het onkruid was alweer zo hoog opgeschoten dat we echt op onze tenen moesten gluren wat ze nou weer van plan waren. Er kwam weer zwaar rollend materieel, veel hollende mannetjes, er werd een giga laadbak op de dekschuit geduwd, twee tractoren, een generator en een loader... we tastten in het duister. Want je weet, buurman communiceert niet. Uiteindelijk hebben ze die praam met alle rommel erop met hoog water de rivier in geduwd en warempel: het geheel bleef drijven! En om elf uur ‘s avonds, toen de honden als gekken begonnen te blaffen, zagen we dat ze met man en macht probeerden om die buitenboordmotor te starten voor die volle bak onze Mi Gudu zou rammen. Dat lukte; puffend een hijgend tuften ze stroomafwaarts, volgens René met een snelheid: ‘nog trager dan jij gaat als je aan het shoppen bent in de stad.’ Dat staat kennelijk ergens voor… Daarna hebben we op alle mogelijke manieren het nieuws geprobeerd te volgen, tot aan de mofokoranti aan toe. Of een dekschuit was verzwolgen door de golven van Coppenamepunt, of een dekschuit met de verraderlijke stroming de pijlers van de Coppenamebrug had geramd... niets van dat al. Ik geloof warempel dat ze het hebben gered, met hun buitenboordmotor. Toch wel stoer, wat een stelletje cowboys! Nu maar hopen dat ze ons buurlandje verder met rust laten. Of hebben ze nog meer wilde plannen? Geen idee. Want je weet inmiddels: buurman communiceert niet.

Pagina 2 van 2