Leonoor Wagenaar

Leonoor Wagenaar

donderdag, 15 januari 2015 00:00

Kalkoen in de boom

Wanneer de gasten er aardigheid in hebben, varen we in de Pikin Gudu (onze kleine, overdekte motorsloep), heel vroeg in de ochtend, over de door dichte nevelen gekoesterde Saramaccarivier. De natuur laat zich niet dwingen, wordt er gezegd, maar bijna altijd spotten
Harry, de schipper, en de gasten op dat vroege uur verschillende groepen aapjes, vooral keskesi en monkimonki (met rode snoetjes van de bessen waar ze van snoepen), maar ook regelmati een fors babun-mannetje of een stel door de takken buitelende kwata-apen; er vliegen toekans over, een luiaardmoeder met haar jong kruipt onverschillig voor alle aandacht naar de boomtop, soms zie je de zeekoe naar adem happen... Zo dicht bij de stad is hier heel veel levendigheid, met het oerbos aan de overkant.

Na een korte vakantie op de Antillen haalden Harry en zijn vrouw Hetty ons – heel lief – ‘s nachts op van Zanderij. Ze hadden wijntjes en biertjes in de koelbox en al babbelend tuften we door het donker via de vertrouwde boropasi’s naar huis. Harry zat aan het stuur en vertelde, laverend langs de asfaltkraters van de zandtrucks, dat hij met zijn gezelschap een paar dagen terug een harpijarend had gespot, vlak bij ons resort. Dat was begin augustus.

Duh?! Een gonini?! Ik viel bijna van de achterbank! De harpijarend is de grootste roofvogel van Noorden Zuid-Amerika, en er zijn ornithologen die hem de grootste ter wereld noemen. Hij heeft een vleugelspanwijdte van twee meter en klauwen waarmee hij een aap, luiaard en zelfs een jonge jaguar zo uit de takken grijpt, of een konkoni van het bospad. Dan stort hij zich met vijftig kilometer per uur naar beneden en vliegt in één moeite door met zijn prooi weer hoog in de boomtop, naar zijn nest of naar een tak, waar hij zijn maaltje verslindt.

Maar hij is inmiddels in de regio zeer zeldzaam geworden en er wordt op websites nauwkeurig bijgehouden wie, wanneer, waar en hoe lang men het dier heeft gesignaleerd. Data waar je niet vrolijk van wordt; door boskap, door (niet zozeer in Suriname) inheemsen die hem schieten om de donsveren voor hun hoofdtooi, of door landbouwers die hem de kippen of biggetjes op het erf misgunnen, is zijn soort sterk uitgedund.

Ik dacht: die vogel moeten we op onze Facebookpagina van Bloemendaal hebben! Volgens Harry hadden de spotters ook beloofd om de foto’s op te sturen, maar ja, hoe gaat dat: je komt thuis, de kleren in de was, kinderen weer naar school, de baas klopt op de deur; allemaal dyugudyugu en switi Sranan drijft steeds verder weg.

Wie waren het dan precies? Want alle appartementen waren vol geweest, die periode... Ik ben gaan mailen, direct naar gasten en via reisbureaus. We hadden het steeds bij het verkeerde eind, tot eindelijk onze toenmalige logé Vincent Kwaks zich meldde. Met een duidelijke foto en zelfs met een filmpje van vier minuten. Dat hebben we direct geplaatst, blozend van trots. Maar was het toeval, was hij (of zij, het verschil schijnt, net als bij ara’s, nauwelijks waarneembaar) op doortocht? Even op bezoek? Of was het toch een blijvertje?

Een van onze zeer gewaardeerde schoonmaaksters vertelde een paar weken later dat haar man een harpij had gesignaleerd en naar de schuur was gerend om zijn geweer te halen. Godzijgedankt was de vogel gevlogen voor hij hem kon neerhalen, maar de minachting (en ook de angst) voor deze machtige vogel spreekt vele boekdelen.

In 2002 waren René en ik hier voor het eerst, op huwelijksreis. Onze Hindostaanse hotelbaas nam ons mee voor een plezierreisje op de Commewijnerivier, hij had zijn familie uit Nederland op bezoek en het zou knallen! En knallen deed het: met grove hagel schoten oom en neef alle sabaku’s die ze konden raken de plomp in; wat zit er nou voor vlees aan een reigertje?! Maar nee: jagen is sport, de prooi is voor de piranha’s. De Nederlandse echtgenote riep naar haar man: ‘nog een zo’n schot en ik vertel alles aan je dochters!’ Daarna was de jacht snel afgelopen.

Een half jaar later gingen we met zijn vrouw en hun zoon naar een nieuw verworven erf in het district. De zoon (hij zal zestien zijn geweest) schoot spontaan een valkachtige aka uit een boomtop: sport toch?! Het dier viel gewond op de grond; niemand nam de moeite hem uit zijn lijden te verlossen. Met die mentaliteit is onze gonini dus geen lang leven beschoren. Sterker, met deze mentaliteit schiet je je hele toeristische toekomst weg, want buitenlanders komen hier voor het bos, maar vooral voor zijn bewoners.

Gisteren waren hier Hollandse kennissen van een vriend uit Paramaribo. The Big Five, zo noemen ze zich en zo gaan ze als vriendengroep elk jaar met elkaar een weekje op reis. En bigi zijn ze! Allemaal tegen de twee meter. Ze huurden onze sloep en kwamen na twee uur terug, buitelend over hun ervaringen: ‘D’r zat een kalkoen in de boom!’ Ik zeg: ‘een kip!’ ‘Nee, serieus, we hebben een grote roofvogel gezien!’ Wij, blasé: ‘Zwart zeker? Tingifowru, is een gier, barst het hier van...’ ‘Nee, hij had een kuifje en zwart was hij niet.’

Aarzeling bekroop ons. Ze hadden foto’s gemaakt, die ze ons toonden. En ja hoor, weer was God met de onnozelen: het was onze gonini! Ze hadden onze harpijarend gezien! Hij leeft nog! En op hun foto ziet hij er vorstelijker uit dan ooit... Hij is beschermd, want bedreigd, staat op de rode lijst van de IUCN (International Union for Conservation and Natural Resources). Waar hadden ze hem gespot? Richting Uitkijk, drie of vier bochten bij ons vandaan. Maar wel aan deze oever, dus aan de rand van de bewoonde wereld: ga daar weg, mooie vogel! Trek je terug in het oerbos! Houd je onzichtbaar en overleef! Ok dan, laat je nog één keer zien. Alleen aan mij. En dan: wegwezen!

maandag, 15 december 2014 00:00

Teletreur

Het gebeurde voor het eerst zo’n half jaar geleden. Ik pakte in de vroege ochtend de telefoon: lijn dood, morsdood. Even denk je: storinkje, even laten rusten, komt vanzelf weer goed. Maar dat doet het natuurlijk nooit. Dus mobiel de klachtenlijn gebeld, de storing werd genoteerd. Na twee dagen weer bellen, nu ook met meneer N., iemand van het hogere echelon (want we hebben zo’n gigantisch miserabele staat van dienst, vooral met ons internet, dat we tegenwoordig te allen tijde met de machtigste bazen van Telesur mogen bellen). We kregen te horen dat er koperdieven op actief waren. Allemachtig! Wat zit er nou helemaal voor koper in een telefoondraad?! Weer een dag later zijn we maar eens ter plekke poolshoogte gaan nemen. En inderdaad: langs plantage Misgunst was over een lengte van vier palen de luchtleiding verdwenen, je zag de afgehakte staartjes nog bij de kop van de palen smartelijk in de ochtendwind heen en weer kwispelen. Vier palen met een onderlinge afstand van, zeg, vijftien meter, da’s 45 meter, hoe moeilijk is het om daar een stukkie tussen te knopen?!

Dus ik belde (mobiel) met meneer P. van de technische dienst en legde hem (inmiddels al bijna in tranen) mijn vraag voor. Wilt u weten hoe moeilijk dat kan zijn? Nou, moeilijk: meneer P. vertelde dat men dit soort draad niet meer in voorraad had. En in een noodscenario was helaas niet voorzien. Natuurlijk, ingraven zou beter zijn, maar dat nam tijd in beslag, veel tijd.

Hoe ze het hebben opgelost, weet ik nog steeds niet, maar na verloop van tijd hadden we toch weer een zoemtoon en aarzelend internet. Maar niet voor lang. Een week of wat later was het weer raak. Onze buurman Kenneth heeft zelfs zo’n rover betrapt. Omdat zijn hondje Bessie maar bleef blaffen. Helaas kon hij zijn houwer niet snel genoeg vinden en ging de dief er vandoor zodat zelfs de politie hem die nacht niet meer kon vinden. We zijn inmiddels de tel kwijt geraakt. Soms was het zelfs zo dat je na dagenlang wachten eindelijk weer kon bellen en de ochtend daarop om vijf uur met trillende handen naar de telefoon greep: alweer dood. Wij werden er moedeloos van en Telesur natuurlijk ook. Maar we runnen hier een bedrijf, zowel de gasten als de touroperators reageren over de mail en het was nota bene hoogseizoen! Dus reden we met de laptop elke dag anderhalve kilometer naar onze vriendin Gerrie om daar op onze laptop de correspondentie af te handelen. Sterker nog: soms moesten we onze gasten meenemen (‘Zo kom je nog eens ergens!’), zodat ze bij haar hun rekening konden internetbankieren.

Afgelopen zondagochtend was het weer zo ver. Nu konden we ook niet meer bij buurvrouw terecht: iedereen in de omgeving was getroffen door een Dode Lijn. We gingen eerst zelf de situatie maar weer verkennen en ja hoor, precies op dat stukje waar geen huizen staan waren over vijf palen de draden weggehakt. Waarom niet alle vijf die palen met scheermesjesprikkeldraad omwikkeld? Waarom hangen er zolang geen beveiligingscamera’s zodat het geboefte eindelijk een gezicht krijgt? Waarom worden de bedrijven die oude metalen opkopen niet gecontroleerd?

Even voorbij ons huis is een heel stuk oerwoud waar helemaal niemand woont. Kennelijk hebben de dieven daar ook regelmatig toegeslagen. Toen zagen we de mannen van Telesur: binnen anderhalve dag hadden ze over de hele lengte van de stille straat de telefoonlijn begraven; zo snel ging dat! Waarom blijven ze dan hier telkens weer trouwhartig die spaghettislierten in de lucht hangen (zo laag dat je er aan kunt hangen als je op je tenen staat!)?

Nog diezelfde ochtend sms’ten we meneer I., hoofd van het Internet. Hij antwoordde direct dat hij met ons meeleefde en alles in het werk zou stellen om ons in elk geval internet te geven. Nu heeft Telesur het systeem van AnyDATA (waarmee je zonder telefoon kan internetten) afgeschaft, maar speciaal voor ons zijn ze nog eens naarstig gaan zoeken en jawel, in een hoekje van de zolder, diep verscholen onder het spinrag, lag nog zo’n apparaatje. En speciaal voor ons hebben de techneuten van de Zonnebloemstraat hem nieuw leven ingeblazen. In de wolken waren we: halsoverkop sprongen we in de auto en reden regelrecht naar de stad. Juichend kwamen we thuis, juichend werden we door ons personeel binnengehaald: we hebben een modem, we hebben een modem! Uiteindelijk kregen we hem aan de praat en voor simpel e-mailen en internetten volstond hij prima.

Het leek een ware sport te worden: de ene week aansluiten, het volgende weekeinde kappen. Zelfs als er aan de weg een feest werd gegeven en het wemelde van de gasten, wisten de dieven nog toe te slaan. Inmiddels was de politie wakker geworden en werd er gepatrouilleerd (met zwaailicht in dienstauto, zodat iemand op wacht kon staan en tijdig waarschuwen) zodat ze het draad niet effectief mee konden nemen, maar toch... Het schijnt trouwens dat half Saramacca weet wie het zijn, maar niemand durft de politie te bellen omdat men bedreigd wordt met zwaar lichamelijk letsel.

En opeens stonden er vorige week overal op de weg van die schattige kleine pocklaines gleuven te graven! Telesur had er eindelijk de buik van vol. Ze gingen de draad begraven. We zijn er in gaan staan om de diepte te meten; de gleuf kwam bijna tot mijn heup... Heimelijk ben ik bang dat ze die draad ook nog eens gaan uitgraven, maar hij zit echt diep! Dan moet je zelf ook met een pocklain komen en dat zal toch wel opvallen, zo midden in de nacht? Toch?

Ik maakte gauw een foto met mijn telefoon. ‘Waarom maakt u die foto?!’ baste het achter mij. Ik voelde me betrapt, alsof ik op een militaire luchtbasis stiekem gevechtstoestellen aan het kieken was... ‘Voor Parbode’, antwoordde ik schuldbewust. Ah! Of ik dan zijn bedrijf even wilde noemen, want dit werk werd door Telesur uitbesteed en HI-Telcom klaarde de klus (inderdaad met verbijsterende voortvarendheid) en graaft trouwens ook de transmissielijn van Staatsolie naar het onderstation op Highway. Waarvan akte.

Ik durf het bijna niet te geloven, maar binnenkort is iedereen van de sores af. Toch koesteren we heimelijk dat kleine AnyDATA apparaatje, die kleine vriend geef ik voorlopig niet meer af! Noem het bijgeloof. Maar hij blijft ons internetappeltje voor de dorst!

donderdag, 19 februari 2015 19:52

Hartverscheurende tekenen

Leonoor Wagenaar stond in 2006 aan de wieg van dit blad. Twee jaar bleef ze hoofdredacteur om vervolgens met haar man en hun zelfgebouwde riviercruiseschip Mi Gudu naar de oevers van de Saramaccarivier te verhuizen, waar ze het resort Bloemendaal op zetten.

Boiti is een paradijsje aan de rivier; wanneer tegen een uur of zes dat gouden strijklicht gefilterd door de bomen schijnt, wandel ik regelmatig (al er geen gasten zijn) met de honden over het erf. Dan inspecteren we de goddelijke Tessa-manya’s van de twee bomen (zaailingen uit de eerste Parbode- redactietuin aan de H.J. de Vriesstraat) die ik samen met vriendin Tessa geplant heb toen we hier net kwamen wonen. Zes jaar geleden, maar het zijn al woudreuzen! Dan snoei ik hier en daar een doorgeschoten bougainville, babbel wat tegen mijn dierbare borstelboompje, geef wat dorstige grondorchideetjes water...

Een weelderige oase, tot je dienst, maar soms wil Boiti echt naar Buiten, weg van Su, bijvoorbeeld naar een echte zee, het liefst eentje met die azuren kleurschakeringen van de Caraïben. En wanneer wil je dat dan precies? Juist! Wanneer de feestdag nadert die je al heel lang geen feest meer vindt. Wat valt er te vieren aan weer een jaar ouder? In je pubertijd leek het een persoonlijke mijlpaal, nu is er geen bal meer aan. Dus Aruba: here we come.

Nou wil ik niemand vervelen met een reisverslag, daar maakt de halve wereld zich al schuldig aan, maar deze reis stuitten we op Iets wat ik niemand wil onthouden. Aruba dus. Via Zoover een alleraardigst ressort geboekt (Paradera), min of meer op het midden van het eiland, dus, rijdend naar de kust, floep, in de fuik van de Amerikaanse giga hotels – en dan bedoel ik giga! Een hele wijk vakantiewolkenkrabbers! Gelukkig laagseizoen, Amerikanen komen vooral rond de kerstdagen, maar niettemin: afgezien van de mosselen die er werden geserveerd, en waar wij als Suri-bakra’s een moord voor plegen, hadden we er verder niet veel te zoeken. Dus tuffen met het autootje (de reisgids van de Antillen was helaas – in de haast van het inpakken – thuis tussen de kussens van de bank gegleden, maar ik betwijfel of het ons uitsluitsel had kunnen geven over dat Iets) op de bonnefooi naarhet oosten. Richting Baby Beach, op het puntje van het eiland. Tot aan Oranjestad: brede boulevards en snorrend verkeer, daarna zakte de drukte op de weg al snel af. En af. En af. Op het laatst werd het een soort verlaten desert road zoals je ze soms ziet in Amerikaanse road movies.

Aan het einde van de snelweg is het nog een heel gezoek naar de juiste route, want van God verlaten; geen toerist meer te bekennen, eigenlijk sowieso geen mens meer op straat. Verlaten gehuchten, gesloten luiken voor de ramen, geen verkeer... En geen bewegwijzering, maar een waaier van zijweggetjes. Dus op goed geluk maar doorrijden door een woud van cactussen; Kadushi en Kadushi di Pushi; geen van tweeën aanlokkelijke verleidsters. Dichter bij een wilde kust staat, doodeenzaam, een man met een parasol, hij verkoopt gekoelde kokosnoten. Maar aan wie?

Dan hebben we de onstuimige, onmogelijk te bezwemmen golven aan onze linkerzijde en dalen we het paadje af naar het rotsige strand. En opeens zie ik, tussen een soort scharrig helmgras, met die fel blauwgroene zee op de achtergrond, een verweerd kruis. En links daarvan, nog een paaltje, waarvan het horizontale latje al schuin hangt. Verbijsterd kijken we samen verder: honderden gedenktekens! Kruisjes, zelfs hele tombes. Een paaltje waaromheen een verschoten en zwaar gehavend vaal roze T-shirt wappert, een klapperend kruis met aan de voet een voetbal waarvan de kleur niet meer te achterhalen valt... Een monument: ‘uit het oog, maar nooit uit het hart’, overal tussen al die kleine heuvels zie je ze: door de zeewind weggevreten hartverscheurende tekenen van een heel pijnlijk afscheid.

Baby Beach... liggen hier gestorven kindertjes? Nee! Nederland zou toch niet akkoord gaan met zo’n… ja, wat? Illegale begraafplaats voor baby’s? De Nederlandse Wet op de Lijk Begraving staat dat toch niet toe?! Zijn het dan gedenktekens voor kinderen die elders begraven liggen? En waarbij je hier, bij de rollende golven nog een beetje om ze kunt rouwen? En het gaat maar door: voor we daadwerkelijk bij het strand zijn aangeland, hebben we al een halve kilometer dodenakker gepasseerd. Het is luguber, macaber, griezelig. Maar ook ontroerend, aangrijpend, al hebben we verder nog steeds geen idee, en er loopt geen levende ziel aan wie we het kunnen vragen. Ik denk dat het die eenzame verlatenheid is, in combinatie met de, door de niet aflatende zeewind, verweerde houten, ingezakte houten epitafen, die het geheel zo treurig en troosteloos maken.

Als we uiteindelijk rechtsomkeert maken, stap ik nog een keer uit, voor een laatste foto. Een klein, stenen monument, (vlak bij die verschoten voetbal die we op de heenweg al zagen) met een ingelijst fotootje. Dichterbij gekomen zie ik wie erop staat: een uitbundige jonge dalmatiër! Iemands diep betreurde hond! Mi Gado, dus toch! Het is een dierenbegraafplaats! Op het mooiste, maar eenzaamste stukje van de wereld mogen de bewoners van Aruba hun dierbare geliefde viervoeters naar een schitterende laatste rustplaats brengen! Niks illegaal! Mag van Baasje overheid!

Persoonlijk heb ik zoiets nog nergens op de wereld gezien. En wat zou het mooi zijn in dit onmetelijke Su! Toen tien jaar geleden mijn eerste, vijf maanden oude teefje, aan leukemie doodging, moesten we haar, na sectie, in onze eigen tuin begraven. En zeg niet dat haar broertje zich om haar zielenrust zou bekommeren; hij groef haar gewoon weer op. Wat was dat wekenlang een niet te dempen stinkkuil! Tegenwoordig kan je je huisdier laten cremeren, er is veel veranderd in dit land. Maar toch... Een mooi plekje, misschien op de savanne, achter Zanderij? En dan niet van die kommervolle grafmonumenten met hun lusteloze badkamertegeltjes, maar simpele houten kruisen. Desnoods met een T-shirt aan.

zaterdag, 20 maart 2010 20:03

Starring: Mi Gudu!

 Ooit een stretched Hummer gezien? Die blijken te bestáán! Nou vind ik een stretched limousine al geheel uit zijn verband getrokken; een soort lachspiegelmobiel uit een stripverhaal, maar een Hummer die als een kauwgumsliert uit elkaar is getrokken: géén gezicht.  Mi Gudu speelde een rolletje in het programma Valentines Surpiseparty dat ATV bij elkaar gebietst had. Daar hadden we al eerder aan meegedaan, toen het schip nog op de Surinamerivier lag. De bedoeling was toen een sunset diner op een varend cruiseschip, maar doordat het draaiboek volledig uitgelopen was, kwam het stel pas tegen elf uur aan kakken Tegen die tijd was het laag water, dus Mi Gudu lag vast in de modder. Het regende, er woei een ijzige wind en het diner was lichtelijk verpieterd. Dus die uitzending had, wat ons betreft, de glamour van onwelriekend zeewier.Comments ()
dinsdag, 01 juni 2010 21:54

Schijtebakken op een stokje

migudu1.jpg

 

Leonoor Wagenaar was vanaf de oprichting tot juni 2008 hoofdredacteur van Parbode. Met haar man René Segerius geniet ze van de rust op Saramacca. Samen beheren ze het zelfgebouwde cruiseschip Mi Gudu en vakantiewoningen. Haar columns en andere wetenswaardigheden zijn tevens te lezen op www.migudu.net.

 

Comments ()
vrijdag, 16 oktober 2009 16:26

Rumble in the jungle

 

Leonoor Wagenaar was vanaf de oprichting tot juni 2008 hoofdredacteur van Parbode. Tijdens de bouw van het inmiddels voltooide cruiseschip Mi Gudu, met haar man René Segerius, schreef ze een column in het Amsterdamse dagblad Het Parool. Voor Parbode pakt ze de pen weer op. De columns en andere wetenswaardigheden zijn tevens te lezen op www.migudu.net.

Comments ()
vrijdag, 15 mei 2009 23:22

Poezenliefde

migudu1.jpgLeonoor Wagenaar was vanaf de oprichting tot juni 2008 hoofdredacteur van Parbode. Maar de werkelijke reden voor haar verhuizing enkele jaren geleden naar Suriname was dat zij en vooral haar man René Segerius hier een cruiseschip wilden bouwen. Daarover schreef ze een column in de Amsterdamse krant Het Parool, die ophield toen de Mi Gudu in de vaart werd genomen. Nu krijgen deze columns een vervolg in Parbode (en op www.migudu.net). Comments ()
zaterdag, 23 januari 2010 14:46

Op safari in de tuin

 Leonoor Wagenaar was vanaf de oprichting tot juni 2008 hoofdredacteur van Parbode. Tijdens de bouw van het inmiddels voltooide cruiseschip Mi Gudu, met haar man René Segerius, schreef ze een column in het Amsterdamse dagblad Het Parool. Voor Parbode pakt ze de pen weer op.
De columns en andere wetenswaardigheden zijn tevens te lezen op www.migudu.net.Comments ()
zaterdag, 19 juni 2010 20:43

Muziek in het district

migudu1.jpg
Leonoor Wagenaar was vanaf de oprichting tot juni 2008 hoofdredacteur van Parbode. Met haar man René Segerius geniet ze van de rust op Saramacca. Samen beheren ze het zelfgebouwde cruiseschip Mi Gudu en vakantiewoningen. Haar columns en andere wetenswaardigheden zijn tevens te lezen op www.migudu.net.

Comments ()
dinsdag, 08 september 2009 13:28

Mi Gudu, 42

migudu1.jpgLeonoor Wagenaar was vanaf de oprichting tot juni 2008 hoofdredacteur van Parbode. Tijdens de bouw van het inmiddels voltooide cruiseschip Mi Gudu, met haar man René Segerius, schreef ze een column in het Amsterdamse dagblad Het Parool. Voor Parbode pakt ze de pen weer op. De columns en andere wetenswaardigheden zijn tevens te lezen op www.migudu.net.

Comments ()
Pagina 1 van 9