Parbode

Parbode

maandag, 01 juli 2013 00:00

Zoveel weegt geluk 8

Zoveel weegt geluk is een roman, die in afleveringen
verschijnt en wordt geschreven door Henry Does

Zoveel weegt geluk

Rio is zestien jaar oud als hij met zijn moeder Celia zijn geboorteland verlaat, een dag nadat zijn vader, Rolando Leano, een van de slachtoffers werd van een politieke massamoord. Veertien jaar later keert Rio voor het eerst weer terug. Ditmaal voor zijn huwelijksfeest. Zijn verloofde is Aria, dochter en enig kind van de gevreesde President Dano, die de massamoord op zijn geweten heeft. President Dano laat de camera’s van de staatstelevisie op de huwelijksceremonie aanrukken om ‘de ultieme nationale verzoening’ te etaleren. Dan is de geest uit de fles...

Aflevering 8

pistol

Aria moest vandaag nog haar vader zien en spreken. Op het terras van El Restaurante del Musica Revolucionaria, tijdens de lunch met Rio en haar moeder, sloeg de stemming plots om. Ondanks de felle zon, voelde het onder de schaduwrijke, donkerrode parasol, koel aan in de zeebries. De gegrilde redsnapper met een verse, veelkleurige salade en warm cassavebrood, had uitstekend gesmaakt. Zij nipten gedrieën nog na aan een koude piña colada virgin. Het gesprek was gemoedelijk en allen waren verheugd over het idee van een huwelijksfeest in kleine familiekring. Koste wat kost zou de publiciteit worden vermeden. Uit respect voor zijn geliefde, zou Rio de felicitaties van haar vader, ondanks het verleden, in ontvangst nemen. Hij zou hem niet omhelzen en volstaan met hand schudden. Meer kon hij niet, uit respect voor zijn vermoorde vader en voor zijn moeder. Althans, zo had hij het aan Aria, haar moeder en zichzelf uitgelegd. Hij noemde het, glimlachend, ‘affectief koorddansen’. Aria’s moeder had met haar man, president Dano, die gevoelige voorwaarde van Rio besproken en zijn begrip proberen te wekken. Zij slurpte haar laatste beetje piña colada met een afwezige blik op. Zij schoof met een plechtig gebaar het langwerpige, blauwe, lege glas voor zich uit, terwijl ze pontificaal met een grote zucht, de aandacht vroeg. ‘He was not amused!’ Haar verslag van het moeizame gesprek met haar man, deed Aria de moed in de schoenen zakken. ‘Waarom zegt hij niks?! Het is toch mijn huwelijk?!’, riep ze haar moeder verontwaardigd toe. Rio plaatste zachtjes zijn hand op haar schouders en streelde haar. ‘Het komt goed Aria, misschien moet hij nog wennen aan het idee.’ Aria’s moeder keek snel, alsof ze niet betrapt wilde worden, naar het troostende gebaar van haar aanstaande schoonzoon. Haar gedachten dwaalden af. Die attente opmerkzaamheid, die aandacht van de man voor de gevoelens van zijn geliefde, daar hunkerde zij zelf zo lang al naar. Maar haar wegdromen was van korte duur. ‘Ik ga het hem zelf vragen, of beter gezegd, ik ga hem zelf vertellen wat ik wil!’, zei Aria, nog steeds in een pinnige bui. ‘Van jou pikt hij meer, maar vergeet niet wat hij altijd roept: ‘Revolutie eerst!’, zei haar moeder, met een iets radeloze gelaatsuitdrukking, haar hoofd langzaam schuddend. Enkele uren later, in de Lounge van het staatshotel, nam Aria afscheid. ‘Lieve Rio, sorry voor het gedoe. Je kunt je toch bezig houden, terwijl ik naar hem toe ga?’ Rio knikte en liet haar zijn nieuwe boek Zijn in werk zien. ‘Het boek, mijn trouwe vriend’, lachtte hij. Op de lange weg naar het oerwoudrijke binnenland, hoog zittend in haar auto, hard rijdend, airco aan en zonwerende ruiten dicht, voelde Aria zich stoer en wat bang tegelijk. Haar vader had veel vijanden en had haar gewaarschuwd nooit alleen naar zijn vakantieverblijf in het bos toe te komen. Het was een eenzame weg, waar bovendien vaker gewapende roofovervallen plaatshadden. Dit binnenland had iets van het Wilde Westen, opkomende gouddorpjes van binnen- en buitenlandse gelukzoekers, hoeren en sjacherende handelaren. Soms pikten ook politiemannen en militairen een graantje mee. Cocaïne en alcohol dienden als pijnstillers en vluchthaven voor de desolaatheid van de hebzucht en vervreemding. Aria had de muziek uit, om vooral zoveel mogelijk eventueel onheil te kunnen horen. Het was haar verteld, dat soms plots een vrachtwagen uit het oerwoud kon verschijnen, om je tot stoppen te dwingen. Ze keek naar de stoelzitting naast haar. Daar had ze haar geladen, zilverkleurige Smith & Wesson-revolver op gelegd. Toen ze achttien jaar oud werd, kreeg ze dat, tot ongenoegen van moeder, cadeau van vader. ‘Als iemand jou wat wil aandoen, schiet je hem verrot’, had hij in haar oor gefluisterd. De spreuk die hij, in gouden schreefletters, op de loop had laten graveren, liet er geen misverstand over bestaan. ‘I’m not afraid, I’m dangerous! Pres Dano, je vader.’ Ze had schietlessen gehad, keurig met gehoorbeschermers op, om lawaaidoofheid te voorkomen. Maar dit was de eerste keer dat ze met haar Smith & Wesson de straat op ging. Plots hoorde zij een raar geluid. Niet ver voor haar, zag ze een grote boom, met veel gekraak, omvallen. Het wegdek was grotendeels bedekt. Ze trapte hard op de rem, de banden maakten een akelig, schurend geluid. Aria schrok zich rot, maar bleef alert kijken wat er voor haar gebeurde. Zij zag twee jongemannen, met zwarte bivakmutsen op, van achter de omgevallen boom, naar haar toe rennen. Ze wilde doorrijden, maar een van de mannen ging pal voor haar auto staan. Ze hadden beiden een groot kapmes in de hand. De man voor haar auto gebaarde driftig met het kapmes, dat zij uit moest stappen. Zijn kompaan kwam aan haar raamzijde staan en schreeuwde geagiteerd: ‘Maak je raam open!’ Aria trilde van angst, maar had op de training Military Self Defence geleerd dat ze zich nooit moest laten wegvoeren. Met één vloeiende beweging liet ze, via een druk op de knop, de ruit omlaag gaan, pakte ze haar revolver en richtte die op de belager die bij haar raam stond. Om te overtuigen sprak ze met luidde stem. ‘Zeg aan je vriend om op te schuiven voor mijn auto, anders heb je zo geen hoofd meer!’ Hij hoefde dat niet eens te zeggen, want de man voor de auto hoorde dat ook, en stapte voor haar auto weg. ‘Hij is mijn broer’, mompelde de man die zij onder schot hield. Aria trapte zo hard als zij kon op het gaspedaal en stoof weg. Ze keek naar haar nog trillende handen op het stuur, keek even in de achteruitspiegel naar haar zwetend gezicht en zuchtte enkele keren. Als mijn vader niet zo moeilijk was, had ik deze angst niet hoeven meemaken, redeneerde zij nog even. De zonsondergang had zich al aangekondigd. Geelgroene en roodoranje luchtschilderingen trokken haar aandacht. Waren dat de kleuren van haar toekomst met Rio? Ze was zo vol van haar huwelijk, niets mocht roet in het eten gooien. Het leek alsof zij nu wat minder angstig was, alsof ze meer zelfvertrouwen had gekregen door haar actie met haar Smith & Wesson. Ze nam de revolver op haar schoot en zette de favoriete bolero-cd van Rio op, de muziek die hij leerde kennen van zijn vader. Ze had het er tot nu toe erg moeilijk mee, de gedachte dat haar vader, de vader van haar geliefde had vermoord. Een nachtmerrie over die moord had haar eens zwetend doen opspringen uit bed. In de verte zag ze een groene pantserwagen met rood zwaailicht. Naarmate ze dichterbij kwam, zag ze dat er een checkpoint stond. Aan weerszijden van de slagboom stonden jonge militairen met camouflagepak en jonge mannen in burger, met machinepistolen om hun schouders. Allen rookten, sommigen hadden bier in de hand. Terwijl ze haar snelheid minderde kwam een van de mannen, in een rood hemd, de weg op. Hij maakte een stopgebaar en kwam naast haar auto staan. Zij deed de ruit omlaag. ‘Zo, mooie dame, waar gaat de reis naartoe?’ Zijn ogen gleden brutaal naar haar decolleté. ‘Ik ben Aria, de dochter van president Dano.’ Aria keek hem recht in de ogen aan en zag hem schrikken. Hij hakkelde over zijn woorden: ‘Uh..uh…kkuunt dddooorrrijden’. Aria keek op haar Tom Tom. Het vakantieverblijf van vader was nog maar twee minuten hier vandaan. Ze deed de muziek uit, uit respect voor Rio, en reed door, gespannen over het gesprek met haar vader.

Comments ()
maandag, 01 juli 2013 00:00

Elisabeth Samson

 

Kunsthistoricus Bart Krieger
bespreekt elke maand een kunstwerk

Elisabeth Samson

Elisabeth Samson

Kunstwerken zijn op verschillende manieren te ‘lezen’. Met het oog, het hart en het hoofd. Het oog levert een objectieve beschrijving op, het hart een emotionele subjectieve en het hoofd kan het geheel in context plaatsen en hier betekenis aan geven. Deze maand uit de serie Out of History: het portret Elisabeth Samson (2013) door Iris Kensmil.

Wat zien we?
Een portret van een vrouw, gehuld in een witte jurk. Ze draagt een hoed, staart voor zich uit en laat haar rechterhand op de rug van een stoel rusten. Achter haar hangen twee schilderijen, schijnbaar bloemstillevens. De impressionistische stijl en het kleurgebruik doen denken aan bijvoorbeeld ‘De waterlelies’ van de Franse meester Monet. De voorstelling is op te vatten als een explosie van kleur, waarbij contouren vervagen.

Elisabeth Samson 1

Wat voelen we?
De vrouw is ‘dressed for the occasion’, gezien het feit dat ze een hoed draagt, staat ze op het punt uit te gaan. Het silhouette van de jurk verraadt vervlogen tijden. We voelen trots en rijkdom, misschien ook uiterlijke schijn? De starende, lege blik van de vrouw is beklemmend en staat in schril contrast met de weelde en kleur die van de rest van het schilderij uit gaat.

Wat denken we?
De titel helpt ons op weg. Het is een hedendaags portret van Elisabeth Samson (1715-1771), de eerste vrije zwarte vrouw die in 1767 met een blanke man trouwde in Paramaribo. Dit huwelijk werd eerst gedwarsboomd door de Raden van Politie, destijds het hoogste gezag in Suriname. Maar de strijdlustige Elisabeth liet de Raad links liggen en richtte zich direct tot de Staten Generaal van Nederland. En met succes, want na drie jaar gaven de Staten Generaal groen licht. Saillant detail is dat in de tussentijd de man die ze wilde trouwen, was overleden, maar Elisabeth had inmiddels een ander blank exemplaar bereid gevonden met haar in het huwelijksbootje te stappen. Met deze wetenschap lijkt Elisabeth hier door Kensmil afgebeeld in een witte ‘trouwjurk’.

Betekenis?
Toch kun je in dit geval onmogelijk spreken van een blozende bruid. Zit haar misschien iets dwars? Het gaat hier immers om het begin van het mengen van de verschillende rassen, die in juridisch, economisch en sociaal-maatschappelijk opzicht lijnrecht tegenover elkaar stonden. Een goede zaak, toch? Maar er is meer te vertellen over Elisabeth Samson, een vrouw over wie veel geschreven is, door onder andere Cynthia McLeod. Samson was namelijk in de eerste plaats een slimme zakenvrouw en wist van niets uit te groeien tot één van de rijkste koffieexporteurs van Suriname, waarvoor ze veel plantages moest kopen of erven en vervolgens runnen. En al het werk op die plantages werd gedaan door slaven. Vandaar dat Kensmil haar misschien heeft afgebeeld op het moment dat ze als een zwarte Eva haar zonden overpeinst.

 

Iris Kensmil
(1970)
studeerde aan de Academie Minerva in Groningen. Sinds 1995 had ze meerdere exposities in Nederland en ook in Marrakesh en Paramaribo. Het eerste deel van haar jeugd groeide ze op in Suriname. De emancipatiestrijd van de zwarte bevolking staat centraal in haar expressieve schilderijen. Kensmil was in 2010 artist-in-residence bij het International Studio and Curatorial Program in New York, waar ze ook de emancipatie van zwarten bestudeerde. Naast de Verenigde Staten vond ze inspiratie in Afrika, Suriname en Jamaica.

 

 

Comments ()
maandag, 01 juli 2013 00:00

Elisabeth Samson

Kunsthistoricus Bart Krieger
bespreekt elke maand een kunstwerk

Elisabeth Samson

Elisabeth Samson

Kunstwerken zijn op verschillende manieren te ‘lezen’. Met het oog, het hart en het hoofd. Het oog levert een objectieve beschrijving op, het hart een emotionele subjectieve en het hoofd kan het geheel in context plaatsen en hier betekenis aan geven. Deze maand uit de serie Out of History: het portret Elisabeth Samson (2013) door Iris Kensmil.

Wat zien we?
Een portret van een vrouw, gehuld in een witte jurk. Ze draagt een hoed, staart voor zich uit en laat haar rechterhand op de rug van een stoel rusten. Achter haar hangen twee schilderijen, schijnbaar bloemstillevens. De impressionistische stijl en het kleurgebruik doen denken aan bijvoorbeeld ‘De waterlelies’ van de Franse meester Monet. De voorstelling is op te vatten als een explosie van kleur, waarbij contouren vervagen.

Elisabeth Samson 1

Wat voelen we?
De vrouw is ‘dressed for the occasion’, gezien het feit dat ze een hoed draagt, staat ze op het punt uit te gaan. Het silhouette van de jurk verraadt vervlogen tijden. We voelen trots en rijkdom, misschien ook uiterlijke schijn? De starende, lege blik van de vrouw is beklemmend en staat in schril contrast met de weelde en kleur die van de rest van het schilderij uit gaat.

Wat denken we?
De titel helpt ons op weg. Het is een hedendaags portret van Elisabeth Samson (1715-1771), de eerste vrije zwarte vrouw die in 1767 met een blanke man trouwde in Paramaribo. Dit huwelijk werd eerst gedwarsboomd door de Raden van Politie, destijds het hoogste gezag in Suriname. Maar de strijdlustige Elisabeth liet de Raad links liggen en richtte zich direct tot de Staten Generaal van Nederland. En met succes, want na drie jaar gaven de Staten Generaal groen licht. Saillant detail is dat in de tussentijd de man die ze wilde trouwen, was overleden, maar Elisabeth had inmiddels een ander blank exemplaar bereid gevonden met haar in het huwelijksbootje te stappen. Met deze wetenschap lijkt Elisabeth hier door Kensmil afgebeeld in een witte ‘trouwjurk’.

Betekenis?
Toch kun je in dit geval onmogelijk spreken van een blozende bruid. Zit haar misschien iets dwars? Het gaat hier immers om het begin van het mengen van de verschillende rassen, die in juridisch, economisch en sociaal-maatschappelijk opzicht lijnrecht tegenover elkaar stonden. Een goede zaak, toch? Maar er is meer te vertellen over Elisabeth Samson, een vrouw over wie veel geschreven is, door onder andere Cynthia McLeod. Samson was namelijk in de eerste plaats een slimme zakenvrouw en wist van niets uit te groeien tot één van de rijkste koffieexporteurs van Suriname, waarvoor ze veel plantages moest kopen of erven en vervolgens runnen. En al het werk op die plantages werd gedaan door slaven. Vandaar dat Kensmil haar misschien heeft afgebeeld op het moment dat ze als een zwarte Eva haar zonden overpeinst.

Iris Kensmil
(1970)
studeerde aan de Academie Minerva in Groningen. Sinds 1995 had ze meerdere exposities in Nederland en ook in Marrakesh en Paramaribo. Het eerste deel van haar jeugd groeide ze op in Suriname. De emancipatiestrijd van de zwarte bevolking staat centraal in haar expressieve schilderijen. Kensmil was in 2010 artist-in-residence bij het International Studio and Curatorial Program in New York, waar ze ook de emancipatie van zwarten bestudeerde. Naast de Verenigde Staten vond ze inspiratie in Afrika, Suriname en Jamaica.

Comments ()
maandag, 01 juli 2013 00:00

De boeven van de SWM

Dat de Surinaamsche Waterleidingmaatschappij (SWM) verliesgevend is, dat weten we. Dat de wel erg lage tarieven voor water dringend verhoogd moeten worden, begrijpen we ook. Maar dat dit niet gebeurt, mag geen reden zijn om via slinkse wegen geld te stelen van de klanten.

SWMDe policy van de SWM voor de wijk waarin ik woon, is dat de rekeningen op de vijftiende van de maand ‘uitgaan’ en dat die binnen een maand betaald moeten worden. Billijk en terecht. Dus rond de achttiende staan we altijd keurig in de rij bij het SWM-loket in de Maretraite Mall. Vorige maand was er op de achttiende echter nog geen rekening, rond de 25e ook niet. ‘U krijgt hem wel thuis zodra het zover is’, verzekerde de SWM-dame. Pas op de negende van de volgende maand werd de nota opgesteld en uitgedraaid, in de week van de twintigste bij ons bezorgd.

Comments ()
maandag, 01 juli 2013 00:00

Het hilarische verhaal van de overlopers

hilarischeHet gaat ongetwijfeld de geschiedenis in als een van de leukste en meest hilarische hoofdstukken uit de periode van de regering-Bouterse: het overlopen van (Javaanse) leden van Pertjajah Luhur (PL) naar de Marrons van ABOP. Een fraai voorbeeld van etnische integratie in de politiek. Maar Paul Somohardjo van PL ziet dat niet zo. hilarischeRonnie Brunswijk zit vol verrassingen.

Comments ()

‘Ik ben God niet, ik kan je niet verlossen’

Lucia Breeveld


Lucia Anches-Breeveld, bejaardenpastor en vicepreses van de Evangelische Broedergemeente, begeleidt Surinamers al tien jaar in het heengaan. Ze ziet de confrontatie met de dood als haar plicht: “Als dit hetgeen is waarvoor ik ben uitgekozen, dan moet ik dat doen.”

Hoe bent u stervensbegeleidster geworden?
“Ik werkte al enige tijd als verpleegster bij het Bureau Openbare Gezondheidszorg. Daar moest ik vragenlijsten afnemen bij patiënten met verschillende ziektes. Op een dag kwam ik op de kamer bij een vrouw met jonge kinderen en die vrouw had geprobeerd zelfmoord te plegen. Ze zei tegen me: ‘Zuster, ik wil niet meer doodgaan’ en ik antwoordde haar: ‘Schatje, je gaat echt wel sterven hoor. Je hebt te veel gedronken. Ze kunnen niets meer voor je doen’. Toen ik in haar ogen keek, dacht ik bij mezelf: ‘Er is niemand om haar te begeleiden in de dood, niemand die met haar praat over het leven, het geloof, waar ze naar toe zal gaan.’ Toen besloot ik om te stoppen als verpleegkundige en pastor te worden.”

Zijn er veel vrouwelijke pastors in Suriname?
“Ik had al 24 jaar als verpleegster gewerkt toen ik op mijn veertigste mijn opleiding als pastor begon. Op dat ogenblik waren er drie vrouwelijke pastors. Als dochter van een predikant ging ik altijd dwars tegen hem in en toen ik vertelde aan mijn vader dat ik pastor wilde worden, zag hij dat ook niet zitten. Maar ik zei tegen hem: ‘Papa, ik voel dat ik dit moet doen, dus ik ga het ook doen’. Toen ik de opleiding voltooid had, was mijn vader al gestorven. De oude bisschop kwam toen bij me en zei: ‘Je vader heeft me gevraagd om op je te letten en te kijken hoe het met je gaat als pastor. Dus je kan altijd een beroep op me doen’. Dat vond ik geweldig, zeker omdat ik in het begin wel moeite had toen mensen stierven kort nadat ik ze had opgezocht. Zeker als bejaardenpastor word je veel met de dood geconfronteerd, want jonge mensen kunnen doodgaan, maar oude mensen moeten sterven. De bisschop overtuigde me dat dit hetgeen is waarvoor ik ben uitgekozen en dat ik me sterk moet maken om de mensen te helpen. Nu ben ik al minstens tien jaar bezig met deze begeleiding en je merkt dat mensen het nodig hebben om los te kunnen laten, om zaken op te klaren die ze ver weg hadden gestoken.”

Hoe gaat zo’n begeleiding in zijn werk?
“Als ik voor het eerst bij een nieuwe patiënt langsga, stel ik me voor en start ik een gesprek. Dat kan over van alles gaan: een tekst die bij hen aan de muur hangt bijvoorbeeld. Soms kom ik binnen en kan ik geen gesprek beginnen, dan zing ik een lied. Hoe je intro zal zijn, hangt telkens af van de situatie. Het belangrijkste is dat de patiënt tot rust komt en beseft dat je hier niet tegen kan vechten. Het is een proces dat iedereen moet doorlopen. We moeten anderen begraven tot het moment dat we zelf aan de beurt zijn. Ik leg dus meestal de focus op de patiënt zelf, maar soms moet je de familie ook betrekken bij het gebeuren. Je hebt kinderen die hun ouders niet willen laten gaan, ondanks dat ze lijden. Dan laat ik ze inzien dat ze hun ouders moeten loslaten in Gods hand. Want God gaat met je door hierna. Hij laat je niet in de steek, want Hij is een God van liefde en Hij zal je vergeven als je oprecht naar hem toe stapt. Op dat ogenblik zie je velen ontspannen. Het omgekeerde heb je ook vaak: kinderen die niet omkijken naar hun ouders. Ik zeg wel eens voor de grap dat ik vertegenwoordiger zou moeten worden van het Nederlandse televisieprogramma Spoorloos, want elke week ben ik wel op zoek naar iemand om die te herenigen met een familielid dat op sterven ligt. Het moment dat je mensen weer samenbrengt, geeft je een fantastisch goed gevoel.”

Lucia Breeveld 1

Is stervensbegeleiding bekend in Suriname?
“Niet onder die noemer. Gewoonlijk wordt een voorganger erbij gehaald, een pastor of dominee, omdat ze geloven dat die persoon dichter bij God leeft. Maar ik ben net zo zondig als alle anderen hoor. Ik heb misschien wat meer bagage en kan wat meer afstand nemen van het hele gebeuren. Als je geen emotionele binding hebt met een persoon, is het gemakkelijker om te communiceren op zijn niveau. Familieleden beginnen vaker te huilen of zeggen ongepaste dingen. Er lag eens een vrouw op sterven die de hele buurt bijeen gilde. Iemand stelde voor om mij op te bellen en de schoonzus zegt me aan de telefoon: ‘Mijn zus ligt op sterven en kan niet doodgaan’. Wat verwachten ze dan van me? Ik zeg: ‘Ik kan haar niet verlossen hoor, ik ben God niet. Ik kan jullie proberen te helpen en met jullie bidden’. Ik ben bij die vrouw langsgegaan en heb met haar gezongen en gebeden en lang met haar gepraat. En inderdaad, de volgende dag was ze dood. Wat haar vasthield weet ik niet, wat ik tegen haar gezegd heb zodat ze het vertrouwen had om los te laten evenmin. Mensen komen niet terug uit de dood om je dat te vertellen. Ik praat mensen ook niet de dood in. Ik probeer ze enkel te laten inzien dat er dingen zijn die ze tegenhouden. En als ze die kunnen loslaten, kunnen ze vredig sterven, met een ontspannen gelaat. Soms zie je mensen na hun dood met een vreselijke trek op hun gezicht, omdat ze geen vrede konden nemen en met een boosheid vertrokken zijn.”

Wat doet het met u als uw patiënten sterven?
“De ene keer doet het pijn, de andere keer doet het goed, omdat het moest gebeuren. Als een persoon lang lijdt, dan ben je blij voor hem als hij heen kan gaan. In het bejaardenpastoraat leer je niet gehecht te raken aan je patiënten omdat je continu met de dood wordt geconfronteerd. Als je met iedereen een band opbouwt en iedereen gaat dood, dan kan je je werk niet meer doen. Ik zeg altijd tegen patiënten: ‘Ik ben je dochter niet. Ik ben je nicht. Als ik je dochter ben, heb ik een bepaalde verplichting tegenover je, als je me roept moet ik er zijn. Maar wanneer ik je nicht ben, kom ik wanneer ik kan. Zo neem je afstand van de mensen.”

Zijn mensen die weten dat ze gaan sterven meer of minder bang voor de dood?
“Soms zijn ze ontzettend bang en weigeren ze om los te laten. Je hebt ook mensen die er vrede mee hebben en slechts nog enkele dingen willen zeggen tegen sommige mensen die jij dan moet gaan halen of zoeken. Soms geven mensen boodschappen aan je door, zonder dat je dat merkt. De laatste jaren vang ik die steeds meer op. Niet zo lang geleden stierf een tante van me. Ik ging drie maal in de week haar haren kammen en dan zong ik met haar. De laatste keer dat ik bij haar langs ging, was op een woensdag en bij het vertrekken bedankte ze me voor alles en ze zei ‘tot morgen’. Nu moet je weten dat ik op donderdag nooit bij haar langs ging en dat wist zij. Ze had me ook nog nooit bedankt in die tijd dat ik bij haar langs ging. Toen dacht ik bij mezelf: ‘Die vrouw gaat niet lang meer leven’. En inderdaad, de dag erna belt de zuster me op en zegt: ‘Uw tante heeft u nodig’. Ik zeg tegen haar: ‘Zeg maar gewoon dat mijn tante is heengegaan’. En inderdaad, ze was dood. Maar ze lag er zodanig vredig bij dat ik wist dat mijn taak volbracht was. Toen heb ik nog een lied gezongen, want het gehoor blijft het langst intact.”

Vindt u het belangrijk om vanuit uw positie te praten of te luisteren?
“De ene keer moet je praten, de andere keer luister je. Soms willen mensen bepaalde dingen niet zeggen en dan gooi ik een balletje op. Ik begin iets te vertellen en dan zie je dat die ander loskomt en vanzelf dingen gaat zeggen. Maar ik praat wel heel veel en probeer mensen de positieve dingen van het leven te laten zien. Je moet je rug rechten en niet gaan zitten in de hoek waar de klappen vallen. Elk ochtend houden we hier op kantoor van de EBG een ochtendzege. Elke ochtend zing ik voluit. Daaruit krijg ik kracht om te leven en dat probeer ik ook aan anderen te leren. Er zijn altijd lichtpunten, mensen moeten beseffen dat hun zorgen niet zo zwaar zijn als ze die maken. Daarom heet ik Lucia, dat betekent ‘licht’. Ik probeer altijd een licht te zijn voor anderen. Dus als ik zie dat je wegzakt, probeer ik je weer omhoog te tillen.”

Eindigt uw begeleiding bij de dood van de patiënt?
“In principe wel, maar de laatste jaren word ik ook vaak gevraagd om de begrafenis te organiseren. De uitvaartdienst is altijd heel triest, maar als die voorbij is en de kist sluit, dan zie je mensen ontspannen. Als het graf is gedicht, kan het feest echt losbarsten. Er wordt gedanst, vaak met muziek erbij. Soms loopt het helemaal uit de hand, maar dat is een manier van verwerken. Ik word ook wel de vrolijke pastor genoemd, omdat ik altijd de meest vrolijke liederen uitzoek. Ik sta ook nooit stil als ik een begrafenis begeleid. Ik beweeg altijd om mensen positief te beïnvloeden. Hoe meer je wegzakt, hoe meer je de ellende opneemt. Richt je hoofd op en wees blij dat die ander naar huis is gegaan.”

Hoe lang gaat u nog werken?
“Ik ben momenteel zestig jaar. Als predikant bij de EBG werk je tot je vijfenzestigste, maar als je eenmaal predikant bent, werk je tot je dood. Dus zolang God me kracht geeft, blijf ik werken. Mensen blijven aan je trekken. Je moet steeds met die andere op weg, tot je zelf aan de beurt bent. En dan hoop ik dat tegen die tijd er iemand zal zijn die dat laatste eindje met me wil meelopen.”


 

Comments ()
maandag, 01 juli 2013 00:00

Chandrikapersad Santokhi

Chandrikapersad Santokhi

VHP-voorzitter Chandrikapersad Santokhi maakt zich met zijn partij nu al op voor de verkiezingen van mei 2015. De kater van 2010 is inmiddels weggespoeld. Hij draait overuren om eerst in eigen huis orde op zaken te stellen, over een kleine twee jaar is Suriname aan de beurt. Dat Santokhi dit met de NDP van Desi Bouterse gaat doen, acht hij allesbehalve waarschijnlijk. “Maar in de politiek moet je nooit iets uitsluiten.”

Hij was minister van Justitie en Politie (2005-2010), wilde in 2010 president worden (een baan die door verraad binnen A Combinatie aan zijn neus voorbijging) en belandde uiteindelijk in de oppositiebanken van De Nationale Assemblee. Hoe zuur was dat voor hem? En had hij nog voldoende motivatie om door te gaan? “Allereerst: ik wilde geen president worden, ik ben voorgedragen.” Santokhi moet er zelf een beetje om lachen, maar ook hij weet dat zijn reactie politiek-correct hoort te zijn. Hij vervolgt: “Als je als oppositie in de banken gaat zitten om alleen maar te klagen, dan ben je snel uitgekeken. Van die klassieke oppositievoering wilden wij af. Als de regering met iets goed komt, ondersteunen we dat. Maar ze moeten bijvoorbeeld niet met een begrotingsvoorstel komen dat slecht is onderbouwd. Dan zijn we tegen en motiveren dat ook. Zoals bij de laatste begrotingsbehandeling. En terecht, gezien het feit dat de overheid nu veel rekeningen niet kan betalen. Kijk, als er even een dip in de economie is en een tijdelijk solvabiliteitsprobleem, dat kan. Maar als je als regering 35 tot 40 procent meer inkomsten hebt en toch grote geldproblemen krijgt, dan is er sprake van onbehoorlijk bestuur, van slecht management.”

Fouten
Santokhi benadrukt tijdens het gesprek meermalen dat zijn kritiek op de huidige regering niet betekent dat de regering-Venetiaan waarin hij minister was en andere voorgaande regeerploegen, wel een tien verdienden. “Integendeel, er zijn ook fouten gemaakt en zaken niet gerealiseerd. Dat is de praktijk. Maar we moeten niet teveel terugkijken; we hebben de afgelopen jaren veel gevochten tégen iets, tegen de militaire periode en tegen wanorde. Laten we nu vechten vóór iets. Dat is in ieder geval wat de VHP voorstaat.” Dat de VHP in 2015 regeermacht wil en voor het presidentsambt gaat, staat voor Santokhi vast. Hij wil in ieder geval geen herhaling van het debâcle van 2010, toen dat op de valreep niet lukte. “We hebben de NDP als grootste partij, zoals dat hoort, alle ruimte gegeven om een coalitie te vormen. Toen dat niet lukte, zijn we in Nieuw Front-verband met A Combinatie en de Volksalliantie gaan praten, dus de toenmalige regeringspartijen met gezamenlijk 27 zetels. We hebben uiteindelijk een samenwerkingsovereenkomst getekend. We zijn trouwens ook nog gaan praten met de KTPI van Willy Soemita. Hier, in deze kamer. Maar terwijl we bezig waren, kwam opeens Ramon Abrahams van de NDP het terrein oprijden en zei tegen Soemita ‘meekomen jij!’. Soemita stond op en ging gedwee mee.” De verbazing valt drie jaar na dato nog steeds van de ogen van Santokhi af te lezen. Maar de beoogde coalitie had in De Nationale Assemblee de KTPI niet nodig om Pertjajah Luhur-voorman Paul Somohardjo herkozen te krijgen als voorzitter. Het liep echter anders: twee leden van A Combinatie kozen voor tegenkandidaat Jennifer Geerlings-Simons van de NDP. In de dagen die volgden besloot eerst Ronnie Brunswijk toch maar met de NDP in zee te gaan, Somohardjo en de Volksalliantie kozen op het laatste moment ook eieren voor hun geld. De presidentverkiezing in datzelfde parlement, enkele weken later, werd daardoor een formaliteit: Santokhi had het nakijken. En moest bovendien toezien dat de man die hoofdverdachte is in het proces van de Decembermoorden van 1982 - nota bene een proces dat hij als minister van Justitie in 2007 eindelijk van start wist te laten gaan - met het presidentschap aan de haal ging. Dat Bouterse in 2012 ook nog eens een amnestiewet erdoor drukte die een veroordeling vanwege die moorden onmogelijk maakt, deed Santokhi’s bloed helemaal koken. ‘Het eerste dat we gaan bekijken als we weer regeermacht verkrijgen, is de amnestiewet intrekken.’ Ook het inmiddels stopgezette strafproces gaat hij weer vlottrekken, zo zei hij destijds. Maar ja, dan moet die regeermacht er wel komen. Om te bewerkstelligen dat zijn partij na de verkiezingen van 2015 uit de oppositiebanken kan verhuizen naar het pluche van de regering, is het van belang dat eerst de bezem door het eigen VHP-huis wordt gehaald. Dat besefte Santokhi ook toen hij na een woelige periode in 2011 de voorzittershamer van Ram Sardjoe overnam. Zo was het met de partijdemocratie binnen de VHP lange tijd niet best gesteld, erkent hij. “We zijn begonnen met het aanpakken van de structuren, dus de kernen, in de ressorten en de districten. Die waren er natuurlijk al, maar er zijn nooit verkiezingen gehouden. Daarnaast willen we komen tot een profiel, waarbij duidelijk is wat de partij voorstaat, niet een bepaalde persoon. Het partijprogramma voor de verkiezingen van 2015 is inmiddels klaar, dat komt binnenkort op de website te staan. We hebben twee groepen ingesteld: een politieke adviesgroep die zich buigt over politieke vraagstukken en een wetenschappelijke groep. Die houdt zich bezig met de vraag wat straks het beste is: dat we alleen de verkiezingen ingaan en wat dan de kansen zijn, of toch in een combinatie. Daar zijn we nog niet uit.”

Chandrikapersad Santokhi 1

‘H’ van Hindostaans
Wijlen voorzitter Jagernath Lachmon streefde het na, zijn opvolger Ram Sardjoe zei het te willen, Santokhi wil het echt bereiken: van de VHP een echte Surinaamse partij maken en dus het Hindostaanse imago afschudden. “Veel mensen denken dat de ‘H’ in VHP nog steeds voor Hindostaans staat. Dat is niet zo, we zijn een nationale partij voor iedereen. In het districtcoördinatieteam van Wanica bijvoorbeeld zijn zes van de veertig leden niet- Hindostaans, in andere districten zijn ook tal van andere etniciteiten terug te vinden. Natuurlijk zullen Hindostanen altijd een nadrukkelijk deel van de VHP uitmaken, maar het is niet meer zo dat mensen alleen voor de kleur in de partij stappen.” Van de toekomst van de VHP, over naar de realiteit van nu. Santokhi vindt dat de huidige regering een totaal gebrek aan visie heeft. “Dat is logisch en verklaarbaar. Je kan niet met een moeizaam tot stand gekomen coalitie opeens zeggen van ‘hé, we hebben 36 zetels, laten we nu eens een beleid gaan ontwikkelen’. Dat werkt zo niet, dat duurt jaren.” Hij noemt als voorbeeld van mislukt beleid de aanpak van de chaos in de goudsector: als minister van Justitie greep hij in door de goudvelden waar illegale gelukszoekers actief waren, schoon te vegen. Deze operatie Clean Sweep werd in 2007 overigens mede in gang gezet door een reportage in Parbode over de desastreuze gevolgen van goudwinningsactiviteiten op de Brownsberg. “Ik had een duidelijke strategie. Met Clean Sweep pakten we die goudzoekers aan, in het natraject zouden we, gezamenlijk met andere betrokken ministeries zoals Regionale Ontwikkeling, Volksgezondheid en Natuurlijke Hulpbronnen, de zaak gaan ordenen en legaliseren. Maar daar is het nooit van gekomen. Binnen de ministerraad lagen twee collega’s dwars. Ik vermoed dat andere belangen een rol speelden, maar feit is dat dit natraject er nooit van is gekomen. Deze regering lanceerde het ambitieuze plan ‘Ordening Goudsector’. Maar het enige dat is gebeurd, is dat ze naar die gebieden zijn gegaan en er hun eigen stromannen hebben neergezet om de zaak te controlen, maar in feite is er niets veranderd. Behalve dan dat ze de rommel dusdanig hebben georganiseerd dat het nu een georganiseerde rommel is. Dat is trouwens best wel knap”, lacht hij, “maar het lost niets op.”

Chandrikapersad Santokhi 2

Weg kabinet, weg adviseurs
Ook ander werk dat hij als minister bij Justitie en Politie heeft verzet, is teniet gedaan door zijn opvolgers (eerst Misiedjan, nu Belfort), constateert Santokhi. “Dat is een klacht die ik steeds van mijn medewerkers hoor. Ik noem ze nog steeds mijn medewerkers, want mijn team bestond uit de crème de la crème. Ik had zelfs een eigen kabinet van de minister! Goeie mensen, van Nederland en van Suriname. Het eerste wat mijn opvolger heeft gedaan: weg kabinet. Al de adviseurs: weg. Dat betekent dat je een beleid wil gaan voeren dat niet gericht is op duurzame ontwikkeling. “Veel zaken die al lopende waren, zijn niet verder uitgevoerd. Zoals het integraal verkeers- en nationaal veiligheidsplan. Daar zijn we zes jaar mee bezig geweest, het is ontwikkeld door nationale en internationale deskundigen en ligt klaar. Het enige dat je moet doen is het uitvoeren, maar je voert het niet uit. Wetten die voorbereid waren en zelfs bij de Staatsraad lagen, worden niet behandeld. Als ik er naar vraag, krijg ik vaak te horen dat de stukken zoek zijn.”

Bestrijding drugshandel
Van de bikkelharde aanpak van drugscriminelen, die onder Santokhi door justitie was ingezet, is eveneens weinig meer over. “We werkten nauw samen met andere landen en inlichtingendiensten. Het is prachtig gegaan. We hebben topcriminelen hier, in Nederland, Brazilië en Colombia gepakt. We hebben in Suriname FARC-mensen aangehouden. Maar er komt een nieuwe regering en wat zie je: er wordt geen nieuw beleid ontwikkeld. Alle personen die belast waren met internationale samenwerking of informatie-uitwisseling, zijn van hun positie weggehaald. Men heeft vervolgens een poging gewaagd om personen met een dubieus verleden te belasten met de drugscontroles in Suriname. Toen zijn de Amerikanen in het geweer gekomen. Die mensen zijn onder druk van de Amerikaanse antinarcotica organisatie DEA weggehaald door de regering. Maar alleen het feit al dat je ze weghaalt onder druk, zegt iets over je intenties. Want ze wisten wat de achtergronden waren van die personen. De internationale samenwerking is op verschillende niveaus teruggevallen. Er zijn sinds 2010 grote cocaïnevangsten geweest in Trinidad, Parijs, Rotterdam, Portugal, in Zuid-Afrika en in Engeland. Allemaal afkomstig uit Suriname. Maar waarom horen we niks over hoe dat is afgelopen?”

Bouterse en drugscriminaliteit
Als verantwoordelijke op Justitie, heeft Santokhi meermalen de naam van onze president gehoord in relatie tot drugsgerelateerde criminaliteit. “Ja, er zijn hier enkele zaken onderzocht en er liggen zelfs dossiers bij het Openbaar Ministerie waar zijn naam in genoemd wordt.” Dat Bouterse nog nooit in verband met een Surinaamse drugszaak voor de rechter is gesleept, duidt er op dat er nooit voldoende bewijs was, zou je als eenvoudige burger denk. Santokhi: “Dat zou ik niet willen zeggen. Ik denk dat op het moment dat men zijn naam hoorde, men zoiets had van ‘wees voorzichtig, heel voorzichtig’. Daar waar je normaal met vijftig procent bewijslast kan werken, moet je als het high profile-personen zijn niet aan komen zetten met vijftig procent, kom met tachtig of negentig procent.” Corruptie en vriendjespolitiek voeren de boventoon bij de regering-Bouterse, zo zegt Santokhi. “Ik hoor vrijwel dagelijks dat ondernemers geen enkele opdracht krijgen omdat ze gelieerd zijn aan een bepaalde partij. Ik ga niet zeggen dat in de vorige regering bepaalde bedrijven niet voorgetrokken zijn. Maar niemand kan ons erop betrappen dat we bedrijven die een andere politieke kleur hadden, systematisch uit de markt hebben gehaald en uitgesloten hebben van openbare inschrijvingen, omdat het bijvoorbeeld NDP-bedrijven zijn. Maar de laatste jaren heb ik zeker tien tot vijftien ondernemers hier gehad tegen wie recht in het gezicht is gezegd ‘Je hebt een VHP-bedrijf en je krijgt het niet’. Het gaat om personen die in de infrastructuur zitten, de nutsvoorzieningen en de vuilophaal. “Maar als je een VHP-bedrijf uitsluit: die hebben arbeiders in dienst die echt niet allemaal VHP’ers zijn, het zijn Surinamers van alle politieke kleuren. Zo’n ondernemer zal op een gegeven moment zijn arbeiders ontslag moeten geven. Die arbeiders hebben gezinnen, kinderen die op school zitten. Het heeft grote gevolgen voor het thuisfront, het gaat doorwerken in de hele maatschappij. Daarom hebben wij gezegd dat we iedereen projecten moeten geven. Het zal misschien wel eens gebeurd zijn dat een VHP-bedrijf eerder dan anderen iets gehad heeft. Maar bij Justitie heb ik grote projecten ook door door anderen laten uitvoeren. Zoals het Parket van de Procureur-Generaal, dat heeft Lincoln gehad. Ga maar kijken in de boeken van de VHP of meneer Lincoln daar voorkomt. En zo zijn er meer projecten geweest.”

Vrijheid van meningsuiting
Veel misstanden verdwijnen in de doofpot of worden doelbewust door de media onderbelicht, vermoedt Santokhi. “Ik ben een enorme voorstander van vrijheid van meningsuiting, kritische journalisten zijn nodig. Als minister van Justitie ben ik ook wel eens op de vuist gegaan met een journalist, niet letterlijk natuurlijk maar met woorden. Dat hoort erbij en moet ook kunnen. Wat er nu gebeurt, baart mij zorgen. Journalisten worden monddood gemaakt en geïntimideerd. Met als gevolg dat het steeds vaker voorkomt dat kritische delen in de berichtgeving worden weggelaten. “We dreigen terug te gaan naar de jaren tachtig. Toen bestond er angst en een cultuur van ‘sssst, niet praten!’ Daar kiezen veel mensen, ook mediawerkers, nu weer voor. Op basis van intimidatie gaan journalisten steeds voorzichtiger artikelen schrijven. Uit angst dat ze anders morgen misschien hun baan kwijtraken.” Die angst hoeven ze na mei 2015 niet meer te hebben, garandeert Santokhi. “Je zult het zien, wacht maar af: de verkiezingen van 2010 waren de laatste waarbij mensen zich hebben laten pakken. Vooral de jongeren. De NDP heeft die op een slimme manier weten te lokken, ze zouden alle kansen krijgen. Maar wie zetten ze op de ambassade in Parijs neer? Een gepensioneerde. Wie stelt deze regering aan om ons land in Turkije te vertegenwoordigen? Een gepensioneerde. Terwijl ook binnen de NDP heel veel goed opgeleide jonge Surinamers zitten die ambities hebben en het werk zouden kunnen doen. Diezelfde partij die jaren geleden riep dat het Nieuw Front bestond uit seniore leiders, heeft zelf vooral senioren sleutelposities gegeven. En ze verweten ons dat we met een bankrover (Ronnie Brunswijk. AS) in zee gingen. Kijk waar zij nu mee regeren!”

Onverteerbare gedachte?
De ambities van de VHP ten aanzien van de verkiezingen van 2015, staan vast. “We gaan voor de top van het land. Dus we willen regeerverantwoordelijk.” Maar afgaande op recente peilingen, is de NDP nog steeds de grootste partij, met de VHP als goede tweede. Veel Surinamers zien een coalitie van die twee partijen wel zitten. Gezien het verleden (met name de aanname van de amnestiewet en het stopzetten van het decemberproces) zou dat voor Santokhi onder de huidige omstandigheden een onverteerbare gedachte moeten zijn. “In de politiek moet en kan je niks uitsluiten, maar het moet ook niet zo zijn dat je een beslissing neemt die niet gedragen wordt door de partij. We gaan echter niet op voorhand zeggen dat we met een bepaalde partij niet willen regeren. Maar om concreet op de vraag in te gaan of we na de verkiezingen met de NDP een samenwerkingsverband willen aangaan: dat zal heel moeilijk worden ja. “Je moet samenwerken met partijen die gelijkgericht zijn, en die partijen zijn er. Maar als je achterban zegt dat je met de NDP moet samenwerken, moet je met die achterban gaan discussiëren hoe je bijvoorbeeld het vraagstuk van de amnestiewet gaat oplossen. Dat geldt ook voor de relatie met Nederland, waar wij een vergaande samenwerking mee voorstaan. We zijn een voorstander van naleving van recht en wet, van versterking van de rechtsstaat. Dus als je de keuze maakt om met de NDP samen te gaan werken, moeten die zaken eerst goed besproken worden. Het zijn conflicterende issues. Nu is het echter tijd voor de campagnevoering en we willen zoveel mogelijk zetels behalen met samenwerkingspartners. Als dat lukt, is die hele discussie over de NDP overbodig.”

Comments ()
maandag, 01 juli 2013 00:00

Kwakoe is terug, de ruzies ook

Kwakoe

Kwakoe komt eraan en dat gebeurt nooit geruisloos. Ook dit jaar niet. Het evenement is in handen van een deels blanke organisatie en een fanatiek deel van de Afro-Surinaamse gemeenschap accepteert dat niet. Redi musu, roepen zij.

Terug naar de zomer van 2012. Het Kwakoe Zomerfestival is op 21 juli in volle gang, de zon schijnt en in het Bijlmerpark komen in het eerste festivalweekend duizenden mensen samen om zich in een prettige chaos tegoed te doen aan gemarineerde kip van de barbecue, fladder met peper en zuur, en bekertjes schaafijs. Onder het genot van een met ijs gekoelde djogo worden tori’s verteld en afspraken gemaakt voor een aanstaande vakantie in Paramaribo. De mensen lachen en genieten, want na een jaar zonder Kwakoe – door een politieke strijd in het stadsdeelbestuur van de Bijlmer werd in 2011 het Kwakoefestival afgeblazen – beleeft het festival dit jaar zijn wederopstanding. Op het oog is het Bijlmerpark gevuld met niets meer dan een kakofonie aan luidruchtige gezelligheid en vrolijkheid, maar niemand kan dan nog bevroeden dat onder de oppervlakte een crisis broeit die uiteindelijk zal uitmonden in de zoveelste en misschien wel meest schimmige Kwakoe-crisis in de bijna vier decennia dat het festival bestaat en waarin het uitgroeide van een voetbaltoernooi tussen de Bijlmerflats tot het grootste multiculturele festival van Nederland. Hoogtepunt van de crisis is het moment dat vanuit Suriname het nieuws overwaait dat president Desi Bouterse met een gift van vijftigduizend euro het noodlijdende festival van een vervroegd einde wil redden. Want hoewel de festivalvergunning in april 2012 met champagne en stralende gezichten in ontvangst is genomen, is het in de vier weekenden dat het festival zou duren binnen de organisatie van Kwakoe tot een bittere clash gekomen. Die organisatie is in handen van stichting Kofoe van Ricardo Verweij en de Nederlandse organisatie Witte Tenten. Het tentenverhuurbedrijf zou tenten, water en elektriciteit leveren en in ruil voor een stevige greep op de financiële huishouding borg willen staan voor eventuele tekorten na afloop van het festival – een eis van het stadsdeel om een vergunning te verlenen.

Kwakoe 1

Onbetaalde rekeningen
De werkelijkheid is een stuk weerbarstiger, merkt Evelien Arler van Witte Tenten al snel. Op het festivalterrein ontstaat buiten haar medeweten een wirwar van onduidelijke contante geldstromen tussen kraamhouders en stichting Kofoe en om beveiliging en verkeersregelaars voor het festival te betalen worden door de stichting grote sommen geld overgemaakt naar het stadsdeel. Inzage in de boekhouding – voor zover aanwezig – krijgt Witte Tenten niet, de toegang tot de betaalrekening wordt het bedrijf ontzegd. Arler is de greep op de financiën en stichting Kofoe volledig kwijt. Al met al vreest zij voor enkele tonnen aan euro’s het schip in te gaan en daarom dreigt zij, terwijl het festival in volle gang is, de tenten van het terrein te verwijderen. Om de interne strubbelingen vlot te trekken, komt oud-president Jules Wijdenbosch als een soort mediator over vanuit Paramaribo om in het chique Okura Hotel in Amsterdam urenlang met Arler over de situatie te praten. Ook vertelt hij dat Winston Kout, oud-organisator van Kwakoe en bevriend met Bouterse, twee keer vijfentwintigduizend euro cash aan Verweij zal overhandigen. Dit om onbetaalde rekeningen te betalen en de voortgang van het festival te waarborgen. Het festival gaat door, maar wat de rol van Bouterse in deze betaling is geweest, blijft onduidelijk. Eén ding is helder: Kwakoe is rommeliger dan ooit. De eindevaluatie van het stadsdeel is dan ook vernietigend. Naast een enorme organisatorische en financiële wanorde, zijn er door stadsdeel, politie, brandweer, Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nog talloze zaken op te noemen die niet in orde waren. Kraamhouders hielden zich niet aan gemaakte afspraken waardoor er brandgevaarlijke situaties ontstonden, de verkeersregelaars waren corrupt, handhavers werden agressief benaderd, de voedselveiligheid was in het geding en de medische organisatie was onvoldoende geregeld. Voor het stadsdeel Zuidoost was het duidelijk dat een Kwakoe als in 2012 nooit meer mocht plaatsvinden. Bij een bijeenkomst op 14 november 2012 deelde de nieuwe stadsdeelvoorzitter van de Bijlmer, Tjeerd Herrema, de aspirant-organisatoren voor de editie van 2013 mee dat er uit een ander vaatje getapt moet worden, wil men in aanmerking komen voor een vergunning. Herrema zei die avond: “Het stadsdeel wil een organisatie die het festival professioneel kan organiseren. Je moet het niet alleen willen, maar ook kunnen.” Noem het een cultuuromslag die die avond uit de doeken werd gedaan. Voortaan was het geen harde eis meer dat een organisator banden met de Bijlmer had en er mocht entree gevraagd worden. Herrema wilde een professionele organisatie voor Kwakoe die bewezen ervaring heeft met het organiseren van grootschalige festivals en met een goed onderbouwde begroting een plan van aanpak voor Kwakoe 2013 kon overleggen. Dat zijn waarschuwing geen loos dreigement was, blijkt uit het feit dat in januari 2013 bekend wordt gemaakt dat De Vries Productions van de Nederlander Frans de Vries (organisatorische ervaring met onder andere de Uitmarkt en Keti Koti in het Amsterdamse Oosterpark) samen met 529 Media Producties van Ivette Forster en Vincent Soekra de vergunning krijgt om Kwakoe deze zomer te mogen organiseren. De vrees van een fanatiek gedeelte van de Afro-Surinaamse gemeenschap in de Bijlmer werd daarmee bewaarheid: Kwakoe is deels in blanke handen terechtgekomen. George Olymph van stichting Kwaku Family schrijft al op 31 december 2012 aan het stadsdeelbestuur: ‘Het Kwakoefestival is een zwart belang. Kwakoe was een slaaf en had een zwarte huidskleur. En het zwarte belang, het belang van de Surinaamse doelgroep in Amsterdam en de rest van Nederland wordt op zeer onfatsoenlijke wijze ondermijnd’.

Redi musu
Twee dagen later belandt een brief van Kwakoe-veteraan Emile Esajas op de deurmat van het stadsdeelkantoor op het Anton de Komplein. Hij schrijft: ‘Er dreigt een situatie te ontstaan waar men op zoek gaat naar grote festivalorganisatoren (lees: vooral blanke organisaties) die een in wezen aan zwarten gelieerd festival moeten organiseren. De zwarten krijgen een brevet van onvermogen aangesmeerd.’ Verderop in de brief schrijft Esajas: ‘Surinamers hebben een hekel aan personen die bekend staan als een ‘redi musu’. Dat zijn mensen die geen oog hebben voor hun identiteit of roots en zelfs deze verkopen voor eigen gewin.’ Esajas licht toe: “De hele procedure was afgestemd op De Vries Productions. Wij als zwarte organisatie hebben nooit een eerlijke kans gekregen om Kwakoe te mogen organiseren. Toevallig vindt De Vries twee zwarte mensen die hij voor zijn karretje kan spannen, maar het is een blanke die Kwakoe organiseert. Dat kan toch niet? Kwakoe is een zwart ding, het is ons erfgoed en dat wil ik zo houden. Die witte mensen gaan toch ook geen Duitsers halen om de dodenherdenking te organiseren?” Dat Ivette Forster en Vincent Soekra beiden van Surinaamse komaf zijn, doet volgens hem geen afbreuk aan het feit dat een blanke organisatie de touwtjes in handen heeft. “Ik vraag me weleens af: wanneer houden de redi musu’s op? Er zijn nog altijd mensen die zich door witte mensen laten gebruiken. In dit geval zijn Forster en Soekra dat.” Ook op lokale radiostations in Amsterdam worden Soekra en Foster stelselmatig uitgemaakt voor verraders, voor mensen die witte mensen in het zadel helpen en het Surinaamse erfgoed verkwanselen.

Explosief
Pijnlijk, zegt Ivette Forster. En vooral: bespottelijk. “Wij hebben veel felicitaties gekregen. Een groot deel van de gemeenschap vindt het geweldig dat wij Kwakoe organiseren, ook vanwege de ervaringen die zij hebben met Keti Koti in Amsterdam. Maar er is ook een deel dat minder tevreden is over onze vergunning. Mensen die persoonlijke belangen hebben om het niet door ons te laten organiseren. Die hebben in de media geroepen dat het Afro- Surinaamse erfgoed in het geding zou zijn, wat een bespottelijke uitspraak is. Helemaal als je weet wie wij zijn. Die mensen bespelen op een gevaarlijke manier een onderbuikgevoel.” Ze weet dat het Kwakoefestival explosief materiaal is dat elk jaar voor opschudding zorgt, maar toch had ze deze hetze tegen haar en Soekra niet verwacht: “Als je weet wat Soekra en ik doen voor de Surinaamse gemeenschap, dan weet je dat het een bespottelijke aantijging is. We zijn op allerlei manieren al jaren bezig om het Afro-Surinaams erfgoed te bewaren, te archiveren en toonbaar te maken via festivals en bijvoorbeeld tv-programma’s. En om te roepen dat De Vries ons voor zijn karretje zou spannen, duidt op een groot minderwaardigheidscomplex.” Kwakoe is bij haar in goede handen, zegt Forster. Ze belooft: aan de kernwaarden van het festival wordt niet getornd. Het epicentrum is het voetbaltoernooi en daarnaast zullen tientallen eet- en drinkgelegenheden hun waar uit allerlei windstreken aanbieden. Ook zal er, anders dan in voorgaande jaren, flink geïnvesteerd worden in een cultureel programma dat vanaf drie uur ’s middags tot negen uur ’s avonds plaatsvindt. Elke dag wordt afgesloten door een bekende artiest. Bekend is dat in elk geval Edgar Burgos met Trafassi en Kenny B komen optreden. Daarnaast zal het festivalterrein worden opgedeeld in thema-eilanden: er komt bijvoorbeeld een tent met Caribische literatuur, een salsatent, een groot jongereneiland, een cultuurtent met traditionele muziek, een welnesstent en een hoofdpodium voor artiesten van naam en faam.

Strakke programmering
Forster: “Vroeger vond er af en toe iets plaats op Kwakoe, maar nu hebben we elke dag een strakke programmering. Tot drie uur geven we jongeren uit Zuidoost een podium en vanaf drie uur hebben we een zware line-up”. Om alles te financieren wordt voor het eerst sinds de oprichting van Kwakoe entreegeld gevraagd. Bezoekers dienen twee euro vijftig te betalen, kinderen kunnen gratis naar binnen. Een stijlbreuk met het verleden, maar volgens Forster kon het niet anders. “Het festival is alleen te bekostigen als je toegang vraagt. Als je financiële problemen wil voorkomen, kan je niet anders. Al die voorgaande jaren werd Kwakoe afgesloten met gigantische schulden, leveranciers werden niet betaald en het stadsdeel moest er altijd geld op toeleggen. Door alle negatieve verhalen van vroeger zijn sponsoren ook niet happig om in te stappen.” En nogmaals, de aantijging dat zij een redi musu is, vindt Forster bespottelijk. “Ik zie niet in waarom Frans de Vries een bedreiging zou zijn voor het Surinaams erfgoed. Soekra en ik waarborgen de inhoud van het festival en De Vries Productions regelt de logistiek. Een betere combinatie kun je volgens mij niet hebben.” Toch kijkt ze uit naar het festival. “Ik kom al sinds de jaren tachtig op het Kwakoefestival en het feest heeft een enorme potentie. Daarom is het zo jammer dat het altijd zo’n negatief beeld oproept. Er zijn juist zoveel mogelijkheden om het te laten uitgroeien tot een volwaardig festival. Met iets meer organisatie, zoals we gewend zijn bij Keti Koti, moet het dit jaar een fantastisch evenement worden.”

Comments ()
maandag, 01 juli 2013 00:00

Haïtianen: blij in Suriname

Wij Haïtianen

Als broeders en zussen

Haïtianen in Suriname

Ze vallen niet op in het straatbeeld en laten zelden van zich horen. De Haïtianen in Suriname werken liever hard aan een betere toekomst. “Ze houden hun mond, omdat ze dat in hun land ook moesten.”

Een bijzondere dag voor de Haïtianen in Suriname: op 23 maart bezocht voor het eerst een Haïtiaanse president het land. Hij bracht hoop op betere levensomstandigheden voor zijn landgenoten. En plotseling gaven ook de media een kort moment aandacht aan de bevolkingsgroep waarover ze zo zelden berichten. ‘Er is maar weinig bekend over Haïtianen in Suriname’, stelde de Ware Tijd eerlijk vast. Hoog tijd dat de Haïtianen uit de schaduw stappen. Hoezeer ze geïntegreerd zijn in de samenleving, dat verschilt van persoon tot persoon. Marie Carline Exantus komt bijvoorbeeld verrassend uit de hoek als ze in vlekkeloos Nederlands vertelt dat ze een Haïtiaanse is. Ze is hier geboren, heeft Public Administration aan de Anton de Kom Universiteit gestudeerd en werkt nu als office manager. Haar afstudeerscriptie schreef ze over de Haïtiaanse diaspora in Suriname. Ze onderzocht daarmee als eerste de levens- en werksituatie van Haïtianen in ons land. “Ik heb dit onderwerp gekozen, omdat ik zelf Haïtiaanse ben en er nog niemand over geschreven had. Ik was afhankelijk van interviews.” Marie Ange Monel heeft meer moeite met het Nederlands. Op de landbouwmarkt bij Kwatta heeft ze een stand, bananen en schijfjes pompoen liggen voor haar op tafel. “Goedendag, mevrouw”, begroet ze een klant. Eenvoudige Nederlandse woorden beheerst ze wel, maar daarna schakelt ze snel over naar het Frans. Ze woont al twaalf jaar in Suriname. Haar ouders wilden toen uit Haïti emigreren vanwege de slechte economische situatie daar. “Daar was het moeilijk om werk te vinden.” Ze is ervan overtuigd, dat het haar in Suriname beter gaat dan in Haïti. “Ik voel me hier thuis.” Exantus, de academicus, en Monel, de marktvrouw, maken deel uit van een grote Haïtiaanse diaspora. In haar werkstuk van 2011 stelde Exantus vast, dat acht miljoen Haïtianen in Haïti zelf leven, anderhalf miljoen in het buitenland. Dat is bijna zestien procent van de totale bevolking. Suriname telt volgens haar onderzoek officieel vierduizend Haïtianen, tegenwoordig zal het aantal nog hoger zijn. De redenen dat deze mensen hun land, hun thuis achterlaten, heeft de jonge vrouw eveneens onderzocht: “Ze zien er gewoon geen toekomst voor zichzelf vanwege de economische en politieke instabiliteit. De bevolkingsdichtheid maakt het moeilijk daar werk te vinden.” Dat bevestigt ook Michael Vervuurt, honorair consul voor Haïti in Paramaribo: “Haïti is een klein stukje grond voor bijna tien miloen mensen, dat steeds opnieuw door natuurrampen getroffen wordt en bovendien onvruchtbaar is. Als gevolg daarvan is het moeilijk een stabiele economie op te bouwen. ”Het ontbreekt aan gezondheidszorg, opleidingen en andere officiële instituties. De mensen hebben geen zicht op een betere toekomst.” Naast economische en ecologische problemen is ook de criminaliteit in Haïti berucht: bendes, drugshandel, gewapende overvallen en ontvoeringen maken het leven moeilijk. En dan het politieke verleden: regeringen hebben vaak politie en leger ingezet om het volk te onderdrukken. Vooral tijdens de dertigjarige dictatuur van de Duvalier-clan, die tot 1986 voortduurde, dertigduizend slachtoffers eiste en duizenden mensen in ballingschap joeg. “Volgens mij emigreren de mensen nu alleen nog maar vanwege economische redenen. En niet alleen naar Suriname, maar ook naar de Franse Antillen, Frans-Guyana, Curaçao enzovoorts”, zegt Vervuurt. Hij vindt het belangrijk om Haïti, ondanks alle moeilijkheden, niet alleen als een rampplaats te beschouwen: “Je denkt bij Haïti altijd aan een onderontwikkeld land, aan mensen die in tenten wonen. Maar de Haïtiaanse maatschappij zelf is heel goed ontwikkeld. “Wie weet bijvoorbeeld dat Haïti in 1804 na de enige succesvolle slavenopstand het eerste onafhankelijke land in Latijns-Amerika werd?” Tegenwoordig geldt Haïti volgens de Human Delopment Index van de Verenigde Naties als het minst ontwikkelde land in de westerse wereld. In Suriname en andere landen zijn de Haïtianen daarom op zoek naar een betere toekomst, voor zichzelf en hun kinderen. “Ze vertrekken als gezin, of soms gaat eerst de man alleen, om zijn familieleden later naar zich toe te halen. De Haïtiaan zet alles op alles om zijn familie uit de misère te halen”, legt Exantus uit. Bovendien verwijst ze in haar scriptie naar de rol die Suriname speelt als tussenstation: “Sommige mensen kozen bewust voor Suriname als nieuw vaderland, maar het is zeker ook een brug om naar andere landen te gaan. Een deel gaat bijvoorbeeld illegaal naar Frans-Guyana, via Albina.” Hier hebben ze de voordelen dat Frans gesproken wordt, er een vermeend stabiele euro gebruikt wordt en er vaak al familieleden wonen. “De kinderen kunnen makkelijk naar school vanwege taal, en hebben een goede basis om later misschien in Frankrijk te studeren.” In de kleine woonkamer van Marie- Ange en haar echtgenoot Jean Louis staat de tv op een Surinaams programma. Jean Louis Monel spreekt Nederlands, hij is Haïtiaans maar al naar Suriname gekomen toen hij acht was. “Ook vanwege mijn ouders. Ze zijn al in 1982 geëmigreerd, in 1990 hebben ze me over laten komen.” Waarom hebben zijn ouders hun moederland verlaten? “De situatie in Haïti was toen best chaotisch. Meestal moest je een baan in de stad gaan zoeken, maar vooral daar was en is het nog steeds onveilig, er bestaat veel criminaliteit. In Suriname konden mijn ouders zonder vrees leven, dus kwamen ze hiernaartoe.” Makkelijk was het begin niet. In het verleden werden Haïtianen niet altijd met open armen ontvangen. Uit Exantus’ onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat na de staatsgreep van 1980 de mensenrechten van de Haïtianen werden geschonden: ze moesten onder dwang werken in het bedrijf Surland (tegenwoordig SBBS) te Jarikaba. Hun geld werd door militairen afgepakt en sommigen werden mishandeld. “De Haïtianen verstopten hun geld meestal in tomatenpuree, boter of zeep. Wanneer de militairen het geld vonden, werden de Haïtianen gedwongen de munten op te eten”, weet Exantus uit een interview met Pastor Jean, voorzitter van de Association Culturelle Haïtienne Suriname. Ook haar moeder werd door een militair beroofd, herinnert ze zich. In juli 1990 werden verder 28 Haïtianen gearresteerd en uitgezet door de militaire politie. Een opdracht van de officier van justitie ontbrak. Toen twee jaar later – na de val van de Haïtiaanse president Aristide - vluchtelingen naar Suriname kwamen, waren ook zij gauw teleurgesteld: de belofte van een beter leven die de Surinaamse regering hen had voorgehouden, werd niet waargemaakt. De vluchtelingen belandden in de armste onderlaag van Suriname, zonder huizen, werk of onderwijs voor de kinderen. De groep begon een staking, de helft ging uiteindelijk terug naar Haïti. Monel vindt de huidige situatie veel makkelijker voor Haïtianen. Op de vraag hoe hun werksituatie eruit ziet, zegt hij: “Er is overal werk te vinden.” Tenminste, in ambachtelijke beroepen. Daar zijn de Haïtianen meestal werkzaam, weet ook Exantus: in de landbouw zoals bij de Stichting Behoud Bananen Sector, in de bouwsector, in het huishouden of op de markt, waar ze hun waren vaak voor lagere prijzen aanbieden. Een betere baan krijgen blijft vanwege de taalbarrière moeilijk, ook voor academici. In plaats daarvan zijn ze daar werkzaam, waar Surinamers niet willen werken. Toch is er ook een tendens van welvaart bij de Haïtianen: “Ze investeren in onderdak, beter vervoer en een eigen stukje grond om later op te bouwen. Veel Haïtianen rijden nu dure auto’s en bouwen middenstandshuizen.”

Haïtianen in Suriname 1Eigen bedrijf
De Haïtianen die hun land hebben verlaten zijn dus gemotiveerd om iets op te bouwen. Het echtpaar Monel heeft bij voorbeeld een eigen bedrijf opgezet. Samen met de ouders van Jean Louis verbouwen ze groenten en fruit op hun eigen stukje grond van drieduizend vierkante meter, dat zij van de eigenaar kregen: als cadeau. Al het andere hebben ze zelf gefinancierd, dus “alles wat wij daaruit halen, blijft voor ons.” De oogst verkopen ze op markten, zoals op de landbouwmarkt in Kwatta. Veel verdienen ze niet, maar het is genoeg om te overleven. “Als je een eenvoudige baan hebt onder een baas, verdien je tegenwoordig veel minder.” Een eigen bedrijf oprichten vereist motivatie, uithoudingsvermogen en hard werken. De Monels hebben het gered. Volgens Jean Louis zijn zijn landgenoten in het algemeen goede werkers. Hij gaat ervan uit dat meer dan 95 procent van de Haïtianen die in Suriname wonen, een baan heeft. “Het zal moeilijk zijn een werkloze Haïtiaan te vinden”, benadrukt hij. Vervuurt vertelt dat hij soms zelfs gebeld wordt door bedrijven die op zoek zijn naar Haïtiaanse werknemers. Haïtianen dragen bij aan de Staat door productie en belastingen. Maar vooral investeren ze in hun land van herkomst, in Haïti. Exantus concludeert in haar scriptie dat Haïtianen voor hun achtergebleven familieleden en de lokale ontwikkeling een essentiële rol spelen: “Ze financieren de bouw van huizen, die ze verhuren aan woningzoekenden, en investeren in de landbouw. Ze kopen bussen voor het openbaar vervoer en bevorderen het onderwijs van hun kinderen.”

Gesloten
De Monels voelen zich thuis in Suriname. Hun vriendengroep bestaat zowel uit Haïtianen als uit Surinamers. “Ik heb nooit vooroordelen of discriminatie ervaren, ik was steeds van harte welkom”, benadrukt Jean Louis. In hun buurt wonen vele Hindostanen en Javanen, ze praten en discussiëren vaak met elkaar. Dat het echtpaar zich in Suriname op zijn gemak voelt, heeft ook met het positieve imago van Haïtianen in de politiek te maken: “NDP, Nieuw Front, allemaal praten ze goed over ons, er is niemand die zegt: de Haïtianen moeten weg. En als de politici van een land goed over je praten, dan voel jij dat je thuis bent.” Desondanks worden de Haïtianen vaak als gesloten gemeenschap beschouwd. Exantus bevestigt deze aanname: “Jongeren trouwen met landgenoten en meestal zijn de Haïtianen niet aangesloten bij andere organisaties buiten de Haïtiaanse organisaties in Suriname.” Toch zou ze de groep niet als totaal gesloten kenmerken. “Ze integreren wel.” Bijvoorbeeld door hun hulpvaardigheid: zo geven ze groenten van hun grond aan de mensen in de buurt of aan de armen die naar de markt komen, stelt Exantus. En bij sociale projecten helpen ze graag mee, bijvoorbeeld na de grote overstroming in het binnenland van 2006. Hun sociale gedrag heeft zeker te maken met hun religiositeit. “Het zijn heel gelovige mensen”, weet Vervuurt. “Ze gaan regelmatig naar de kerk en zorgen voor elkaar, bijvoorbeeld als het om de opvoeding gaat.” Als je als nieuwe immigrant uit Haïti naar Suriname komt, kan je altijd terecht in een groep. Je hoeft alleen maar naar de kerk te gaan, waar je automatisch in contact komt met de Haïtiaanse gemeenschap. Maar toch zijn er nog steeds hindernissen die het aarden moeilijk maken, weet Exantus: ten eerste de taalbarrière. De meesten spreken slechts Frans, vaak ook SrananTongo. “Dat is makkelijker te leren dan Nederlands, omdat je daar geen grammatica voor nodig hebt”, legt honorair consul Vervuurt uit. Nederlands is echter essentieel om een adequate baan te krijgen. Daarnaast noemt Exantus het huisvestingsprobleem: “Enkele Haïtianen wonen onder erbarmelijke omstandigheden. Zeker de mensen die na 2000 migreerden, omdat zij nog niet in staat zijn een eigen huis op te zetten of een redelijk huis te huren.”

Illegaal
Bij zijn bezoek in maart beloofde de Haïtiaanse president Michael Martelly, dat er een Haïtiaans consulaat in Paramaribo opgericht zal worden, evenals een Surinaams consulaat in Haïti. Voor de Haïtianen een grote hoop. Omdat er geen volwaardig consulaat of ambassade van Haïti in Suriname bestaat, moeten ze hun officiële documenten naar Frans-Guyana of Curaçao sturen en daar laten verlengen. Dat duurt maanden. Honorair consul Vervuurt heeft al vaak op dit probleem gewezen, nu schijnt zijn verzoek gehoord te worden. Vanwege de moeilijke procedure leven op dit moment vele Haïtianen illegaal in Suriname. Ook zij vinden bij de Haïtiaanse kerken opvang. Bijvoorbeeld bij de Kerk van de Nazarener in de Sophia’slustweg, waar sommige van hun na een zondagsmis bereid zijn, over hun situatie te praten. Drie jonge mannen vertellen met zachte stem, dat ze sinds 2010 in Suriname wonen. “Vanwege de aardbevingen! Wij hebben zo veel verloren, ook onze huizen.” Hier vonden ze werk bij de SBBS. Hun vrouwen en kinderen zijn nog in Haïti, maar “het plan is, dat zij later ook naar Suriname komen.” Ze voelen de beperkingen die het illegaal-zijn met zich brengt. “Wij kunnen bijvoorbeeld niet naar de universiteit om onze studie af te maken. Of een andere baan krijgen.” In Haïti waren ze bezig met een studie machinebouw. Hier doen ze werk dat daarmee niets te maken heeft. Maar zelf als je een verblijfsvergunning hebt, zijn je mogelijkheden en je rechtspositie beperkt. “Als je geen Surinaams staatsburger bent, mag je bijvoorbeeld niet stemmen of een bedrijf opzetten”, legt Exantus uit. “Maar vele Haïtianen leven al vijftien jaar of langer hier en wachten nog steeds op hun naturalisatie. Ze leveren dezelfde bijdrage aan de Surinaamse economie, maar hebben minder rechten. Dat moet veranderen.”

Haïtianen in Suriname 2

Zwijgen
Misschien zou dat een taak voor een politieke vertegenwoordiger zijn. Maar politiek gezien blijven de Haïtianen liever op de achtergrond. Vechten voor hun rechten en belangen? Die Haïtianen zwijgen liever – en gaan werken. Vervuurt vermoedt, dat hun bescheidenheid met slechte ervaringen in Haïti te maken heeft: “Ze klagen niet, om hun werk te behouden. Ze houden hun mond omdat ze dat in hun eigen land ook moesten. Ze willen niet politiek actief zijn, omdat dat in Haïti ook niet gelukt is.” Exantus heeft een andere visie: “De mensen zijn nog niet klaar voor politieke werkzaamheden. Hun kinderen hebben echter de mogelijkheid een goede opleiding te volgen, de taal te leren. En dan zullen ze ook hun belangen vertegenwoordigen.” Wel bestaan er drie Haïtiaanse organisaties in Suriname: de Organisatie van Haïtianen in Suriname, de Association Culturel Haïtien Suriname en het comité Lavalas. Actief zijn ze echter zelden. Te zelden, vindt Monel. Zelfs in hun eigen groep zijn ze niet bekend. “Als ik een probleem zou hebben, zou ik eerlijk gezegd niet weten waar ik terecht kan.” Hij is klaar om actief te worden, “maar als wij samen iets willen bereiken, moeten wij ons bundelen tot één organisatie.” Zwijgen en werken was op de 23 maart echter misplaatst. Een terugblik op deze grote dag: Michael Martelly ontmoet zijn landgenoten op het terrein van de SBBS. Hier werken de meesten van hen, hier zijn ze belangrijk voor de Surinaamse samenleving. Vandaag spelen niet de bananen de hoofdrol, maar die Surinaamse en Haïtiaanse vlag, de nieuwe hechte band tussen de twee landen. Mensen zingen uit volle borst Haïtiaanse liederen, jongeren dansen. Ze dragen T-shirts met hun president en Bouterse erop, arm in arm. “Vandaag ben ik trots op mijn land”, roept een jongen. Op de vraag of hij zich thuis voelt in Suriname, zegt hij: “Ja, omdat ze ons als broeders en zussen benaderen.” In de tent begint intussen het eigenlijke feest. Martelly zingt zijn grote hits, het publiek jubelt. Zingen, dansen en een popster als staatshoofd – ook dat is Haïti.

Comments ()
maandag, 01 juli 2013 00:00

De vrouwen van Abenaston

De vrouwen van Abenaston

Gezellig en sterk

 

Vrouwen van Abenaston

Op zondag 12 mei vierden de dorpsvrouwen van Abenaston Mama daka, Moederdag. Maar langs de Boven-Suriname is het even bezongen geworden, om daarna weer keihard aan de slag te gaan. “Kom, we gaan naar mijn kostgrondje.”

Vrouwen van Abenaston 1 Vrouwen van Abenaston 2

Terwijl de kerkklokken luiden, komen de kinderen binnen met een boeketje of een zelfgemaakt moederdagcadeau in de hand. Ze nemen plaats op de eerste rijen vooraan in de kerk. De iets oudere tieners gaan in het midden zitten, waarna de ouderen volgen. Sierlijk gebreide schouderdoeken hangen waardig over de schouders van de jongemannen. Ook aan de haardracht en de kleding van de meisjes is ruim aandacht besteedt. De EBG-kerk in Abenaston verschilt qua bouw niet veel van de EBG-kerken in de stad. Alleen is deze kerk van binnen niet aangekleed. Op de witgeverfde banken, een podium en een algemene kerktekst verwerkt op een pangi na, is er verder niets bijzonders aan decor. Op de achtergrond spelen de tonen van ‘Mama dey nanga neti mi e kre. Mama faf yu tide?’ uit de boxen. De speciale moederdagliederen zetten de toon. De kerk bevindt zich ongeveer honderd meter van de rivier. De afgekalfde grond rondom het gebouw vormt een wildwaterbaan als het regent. Nu de zon prachtig vanachter de bossen omhoog komt, vertoont de grond een dorre aanblik. De dienst wordt geopend en de voorgangster spreekt de kinderen en de moeders toe. “Tide na mama daka.” Vandaag is het Moederdag. Ze vraagt de kinderen lief met hun mama om te gaan. “Als je gewend bent je moeder uit te schelden, doe het vandaag niet. Doe het in feite nooit. We zullen God om vergiffenis vragen opdat we het niet langer doen.” De moeders krijgen woorden van dank voor hun geduld, de voeding die ze klaarmaken en hun rol in het leven van de kinderen. Er wordt luidkeels gezongen uit de kerkboekjes, waar eigenlijk niemand in kijkt. In dit EBG-dorp zijn de kerkliederen met de paplepel ingegoten. De leerkrachten hebben duidelijk tijd gestopt in de zang en een gedichtpresentatie door de kinderen. De aanwezige vrouwen genieten zichtbaar. Aan het eind van de dienst geven alle kerkgangers elkaar een hand en wensen ze elkaar een fijne Moederdag toe. Nieuwsgierigheid naar de Saramaccaans sprekende vrouwen uit dit dorp kriebelt. Wie zijn ze en wat doen ze?

Vrouwen van Abenaston 3

Kostgrond
Met een zelfverzekerde blik rondt Helga Jonah met haar jongste zoon op de arm de werkzaamheden rond haar huisje af. “Kon un gwe na gron”, beveelt ze. Het is tijd om naar de kostgrond te gaan, ongeveer een kilometer verder. De rondingen rond haar borst, heupen en billen bewegen gepassioneerd mee terwijl ze zich verplaatst. Haar opvallende haar is zacht, kroes en lang. Het is moeilijk te schatten hoe oud ze is. We komen langs het huis van buurvouw Lygia Huur. “Kunnen we langs jouw kostgrond?”, vraagt Helga in het Saramaccaans en wijst naar mij. “Zij schrijft over wat wij vrouwen van Abenaston doen aan werkzaamheden.” Lygia stemt toe en vraagt haar man op haar zoon te letten. Het is een goed moment voor de twee om gezellig even bij te kletsen. Op behendige wijze kapt Huur het onkruid uit de weg. We komen aan op een plek midden in het bos, waar gevelde, aangebrande bomen liggen. Tussen de stammen en het gras door liggen de napi, sopropo en pompoen. Huur baant zich een weg naar de tayerblad. Ze plukt een bosje dat vandaag als groenten bij de hoofdmaaltijd zal prijken. “Yu sabi disi?”, vraagt ze giechelend wanneer ze terugloopt. “Dit is maka maka om mee te baden.” Lachend laat ze een andere plant zien. “Dit is a nango switi. ‘Het gaat lekker’ betekent dat. Als je een man hebt, moet je met deze bladeren baden.” Als het kwartje gevallen is, gieren we het uit.

Vrouwen van Abenaston 4

Traditionele draagzak
Weer bij Lygia thuis, zingt ze voor haar zoon die in de deuropening staat te huilen om haar afwezigheid: “Wit man oooh. Mi do”: wit mannetje, ik ben aangekomen. Zijn koosnaam heeft hij waarschijnlijk te danken aan zijn asblonde haren en lichte uiterlijk die doen denken aan albinisme. We nemen afscheid en lopen verder naar Helga’s kostgrondje, dat vijftien minuten lopen is. Ze buigt zich voorover. Legt haar zoon op haar rug, schudt de pangi uit die ze vervolgens om hem heen legt en vastbindt om haar borst en buik. De traditionele draagzak voor de kinderen. Comfortabel laat hij zich door het ritme van haar bewegingen binnen de kortste keren in slaap sussen. De zoektocht naar sopropo’s kan beginnen. Ze hangen of laag over de grond of hoog in een palm. Door de voorbereidingen van de Moederdag-viering, kon Helga enkele dagen niet naar haar kostgrond gaan, waardoor de meeste sopropo’s overrijp zijn geworden. Samen oogsten we vier sopropo’s, een bosje gogomango en een bos tayerblad. “Mijn oudste dochter heeft ook een kostgrond hier verderop. Zij woont al samen. Twee van mijn kinderen wonen in de stad, daar gaan ze naar school.” Steeds na een paar zinnen vraagt ze ‘yu e ferstan?’ – versta je me? De vijf andere kinderen wonen bij haar en gaan in dit dorp naar school. Door de intrede van de naschoolse opvang ziet ze die pas na vijf uur weer. “De naschoolse opvang is goed, omdat ze zo meer leren. Maar het is ook zwaar voor mij om zonder hulp van de kinderen het huishouden in orde te krijgen.” Met de oogst in handen lopen we terug naar haar huis. Ze zet de groenten in de buitenkeuken en laat een stapel gedroogde maripa’s zien. “Deze verzamelt mijn man in het bos en ik maak er maripavet van.” Het witte gestolde vet heeft ze in een pot zitten. Het heeft bijna geen geur. Het vet heeft dezelfde functie als spijsolie die bij de bereiding van vlees en groenten wordt gebruikt.

Vrouwen van Abenaston 5

Gezelligheid
“So, da we go na lio.” Zo, nu naar de rivier, zegt ze terwijl er een teil met vuile kleren op haar hoofd gaat. Met het kind nog altijd op de rug, loopt ze richting het water. De tocht van en naar de kostgrond was uitputtend. Maar Helga geeft geen teken van vermoeidheid, dus dan doe je sterk en loop je braaf nog een kilometer naar de rivier. We komen langs verschillende hutten waar vrouwen in een gezellig onderonsje pinda aan het doppen of rijst aan het stampen zijn. Voor sommige hutten liggen padi, kleine visjes en geraspte kokos te drogen in de zon. De nieuwsgierigheid is wederzijds. Allemaal willen ze weten wat wij hier aan het doen zijn. Ook ditmaal wordt mijn Saramaccaans op de proef gesteld. ‘Ie de noh?’, wordt regelmatig geroepen om te vragen hoe het gaat. ‘Mi de woooooh’, is de juiste zangerige manier om te antwoorden dat alles goed gaat. Na alle tussenstopjes komen we aan bij de rivier, op de rots waar alle vrouwen hun kleren en vaat komen wassen. Dit is het moment waar elke vrouw dagelijks naartoe leeft. De gezelligheid langs de rivier begint zo gauw de spullen neergezet zijn. De onderwerpen zijn uiteenlopend, maar al gauw komen we op de verschillende badkruiden die gebruikt worden en de effecten hiervan. Wonnie, een vrouw met een gezet postuur, is de gezelligste uit de groep. Met de nodige mimiek en intonatie beschrijft Wonnie op een hilarische manier over de strakheid die de bladeren bij vrouw teweegbrengen. “If a man bing gwenti e go floep floep, ding wiri e mik’ ai firi lik na tifi yu abi drape.” Is je man floep floep gewend, nu gaat hij alsof je daar tanden hebt zitten.

Inkerven van de huid
Praten over seks brengt ons op de kamda, het inkerven van de huid met een scherp mesje of scheerblad. Gezegd wordt dat deze inkervingen een sensuele werking hebben op de man. Hoewel het een oude traditie is die niet zo zeer wordt toegepast door de jongere generaties, zou het huidreliëf, indien een jonge vrouw dat zou willen, wel geplaatst kunnen worden. “De vrouw bepaalt dat zelf”, zegt Wonnie. Een oudere vrouw die de inkervingen op verschillende plekken op haar lichaam heeft, laat haar rug zien. “De ribbels geven de man een kick”, legt ze uit. Een eeuwenoud opmerkelijk schoonheidsteken. De rivier dient niet alleen voor de gezellige onderlinge tori’s, maar is multifunctioneel. Simultaan worden potten geboend, kleren geschrobd en vissen gevangen. De gewassen aluminium potten blinken in de zon. De zeep waarmee de vaat wordt gedaan is een blok harde crème, rechthoekig en ongeveer vijftig centimeter lang, waar de vrouwen steeds een stuk vanaf snijden. De vettige substantie zorgt voor het extra blinken van het aluminium kookgerei. De kleren worden met normale poederzeep gewassen, geschrobd en uitgewrongen in de rivier. Met zo’n onbeperkte toevoer van water hoef je je absoluut nooit zorgen te maken over het opraken of verspillen ervan. Op een andere rots wordt meteen voor eten gezorgd. Sommige vrouwen staan met een hengel te vissen terwijl anderen kwana’s vangen met een koffiefles en korrels rijst als aas. Deze laten ze zinken tussen de rotsen. Ieder minuut komt er minstens één vis in het potje vast te zitten. De vrouwen haasten zich dan de fles uit het water te halen en de vissen in een bak te verzamelen. Die worden ter plekke schoongemaakt om later op de dag gebakken te worden.

Schooljuf
De basisschool is luttele meters verwijderd van waar de vrouwen hun dagtaken voltooien. Op de Obed en Alexanderschool geven acht leerkrachten, onder wie een man, onderwijs aan de kinderen. De leiding ligt in handen van Nelly Pengel, die zelf de zesde klas lesgeeft. Enkele leerkrachten zijn niet al te lang geleden afgestudeerd en zitten hier hun verplichte dienst uit voor een periode van drie jaren. “Nee, het is niet erg om niet in de stad te zijn. Wel was het wennen in het begin. Vooral toen er gedurende twee weken geen stroom was in het dorp”, vertelt een van de juffen. Voor Saditia Adipi is hier lesgeven thuis zijn. Ze komt uit Abenaston en woont daarom ook niet in het leerkrachtencomplex maar gewoon in het dorp. Zij geeft les in de vierde klas en straalt een natuurlijke rust uit. De kleuter-B-juf, Dorothe Vinisie, komt net haar klas binnenwandelen met de kleuters. Ze waren kort daarvoor buiten gaan spelen. “Ik vind in het binnenland wonen en werken een goede manier om te bezuinigen. Hier kun je niet makkelijk zeggen dat je een ijsje lust en dan snel naar een fastfoodzaak gaan”, vertelt ze wijzend naar de natuur om haar heen. Op deze manier kan ze sparen en haar huis bouwen in de stad. Zij woont met haar dochter en zoon in het complex. Wanneer de school rond vijf uur uit is, hebben de juffen tijd voor hun eigen huishouden. Dit vindt ook plaats langs het water. “Je wordt gewoon deel van de gemeenschap en neemt hun doen en laten, maar zeker ook hun taal over”, legt schoolhoofd Pengel uit. Zij is al langer dan zeventien jaar werkzaam in het binnenland. Haar loopbaan begon op Djumu. “Ik heb een maand lang elke avond moeten huilen. ‘San mi kon du dya?’, vroeg ik mezelf steeds af. Ik ben daarna even naar de stad terug gegaan, maar ik baalde al gauw en ben teruggekomen. Sindsdien wil ik in het binnenland blijven. In de stad heb ik een vakantieadres. Hier is mijn thuis.” Pengel put haar motivatie uit de prestaties die de kinderen neerzetten, dat geeft haar een bevredigend gevoel. “Ik had in het dorp Djumu een jongen in de vijfde klas die graag dokter wilde worden. Toen ik hem de eerste keer na jaren terugzag, zat hij op het IMEAO en de tweede keer op de medische faculteit. Daar ben ik trots op.” In de jaren heeft Pengel zowel het Aukaans als het Saramaccaans leren spreken. Ze heeft les gegeven, maar tegelijkertijd ook les gehad van de kinderen die haar de talen leerden. Di Abena muye tya switi ma den taanga tu...: of dit de juiste Samaaka-manier is om te zeggen dat ‘de vrouwen van Abenaston echt gezellig maar ook erg sterk zijn’, weet ik niet. Maar dat ze sterk en gezellig zijn, staat vast.

 

Comments ()