Parbode

Parbode

donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Boeken&Zo

Gouden Handel

Gouden HandelRond het slavernijverleden zijn de laatste maanden tal van non-fictie boeken en naslagwerken uitgekomen, maar nauwelijks romans. Gouden Handel van Kees Uittenhout is daar een van de weinige uitzonderingen op. Het boek bevat drie verhaallijnen. Centraal in de eerste staat Lucas Geluck, die als kind met zijn ouders en zusje in Middelburg woont, dat vroeger het Hollandse zenuwcentrum van de slavenhandel was. Bij een brand verliest hij zijn familie en komt als gevolg daarvan in een weeshuis terecht. Drie jaar later mag hij als assistent van scheepschirurgijn Van Spilberghen mee naar Afrika op het slavenschip Het Pleyzier. In de tweede verhaallijn wordt Shala Bachogu gevolgd, die in Angola woont. Ashanti-strijders dringen de leefgemeenschap van zijn familie binnen en ontvoeren de ouderen, die een leven als slaaf tegemoet gaan. Kinderen worden als nutteloos beschouwd en achtergelaten. Onder hen is Shala, die na verloop van tijd wordt opgevangen in een missiepost. Tot slot wordt het verhaal gebracht van verpleegster Mijntje Hadeweyn, dochter van een rijke suikerplanter in Suriname. Zij is opgegroeid met slaven en vindt hun trieste lot vanzelfsprekend, maar beschouwt ze tegelijkertijd soms als vrienden. Lucas ontmoet Shala in de missiepost. Ze raken bevriend en gaan samen naar Suriname, waar ze ook Mijntje leren kennen. De totaal verschillende achtergonden van de drie zorgen ook voor veel spanningen, vooral tussen Shala en Lucas, die elkaar op den duur zelfs naar het leven staan. Het is geen boek om vrolijk van te worden, daarvoor is de geschetste werkelijkheid te hard. De wreedheid van de slavernij heeft Uittenhout zo weten te verwoorden, dat je als lezer de pijn die de slaven hebben ondervonden, bijna lijfelijk voelt. Hij is een begenadigd schrijver die de sfeer van die tijd treffend weet weer te geven en op een pakkende wijze de drie verhaallijnen tot één geheel heeft weten te smeden. Tot zover het goede nieuws. Elk van de 56 hoofdstukken begint met een passage uit diverse boeken. Op zich aardig bedacht, maar ook onnodig: als lezer krijg je al zoveel informatie te verwerken. Informatie over de slaven, over de plantagehouders, over de naïeve Hollanders en over de plekken waar het boek zich afspeelt (Holland, Afrika, Suriname en Curaçao). Tel daar het vaak wat te poëtische taalgebruik bij op en bovenal de schijnbaar dwangmatige neiging van de auteur om alles tot in detail te beschrijven (ook de meest onbenullige zaken). Zoveel informatie tegelijk is soms moeilijk te behappen. Bovendien slaat de schrijver een paar keer de plank mis. Zo laat hij vredesonderhandelingen van de Surinaamse Marrons met het koloniale bestuur plaatsvinden rond de afschaffing van de slavernij in 1863, terwijl de vredesovereenkomst al een eeuw eerder was getekend. En dat Mijntje als verpleegster werkt in een ‘veldhospitaal’ in het binnenland, komt ook wat onwaarschijnlijk over in die tijd. Maar ja, het is de schrijver vergeven, het boek is immers fictie en dan mag je de waarheid geweld aandoen. Misschien is wel het belangrijkste dat je van Gouden Handel kunt leren, dat er ook wat de slavernij aangaat niet slechts één waarheid bestaat. Ieder weldenkend mens van nu zal beamen dat dit schandalige stuk Hollandse geschiedenis niet vergeten mag worden en zich ook nooit meer mag herhalen. Ten tijde van de slavernij keek iedereen er echter vanuit een eigen perspectief tegenaan, perspectieven die soms met elkaar botsten. Het was maar net waar je geboren en opgegroeid was: in Afrika als kind van slaven, in Holland als blanke en onwetende dorpsjongen of als welgestelde bakra in het verre Suriname, omgeven door zwarte dwangarbeiders. Als die verschillende perspectieven in toekomstige discussies over excuses en herstelbetalingen door alle partijen in ogenschouw worden genomen, dan ontstaat er ongetwijfeld meer wederzijds begrip.

Gouden Handel, Kees Uittenhout,
2012, Uitgeverij Conserve,
ISBN13978905429332

Claudetta Toney

Claudetta ToneyJuliën Zaalman kennen we met name van zijn zes boeken over winti. Je kunt hem zonder overdrijven een van de grootste experts op dat gebied noemen. Maar wat hem heeft bezield om een biografie van Claudetta Toney te schrijven, is mij onduidelijk. Weliswaar hebben de schrijver en Toney een gezamenlijke interesse voor winti, maar dat is nog geen reden om een biografie aan haar te wijden. Dergelijke boeken zijn meestal voorbehouden aan mensen die van grote betekenis zijn (geweest) en een blijvende indruk hebben achtergelaten, bijvoorbeeld in de politiek of op sportgebied. Jagernath Lachmon en Jopie Pengel zijn daar voorbeelden van, of Ruud Gullit. Mensen die iedereen kent. Claudetta Toney zegt, met alle respect, niet zoveel Surinamers iets. Ze mag weliswaar een markante verschijning zijn met een opmerkelijke carrière en een van de rijkste vrouwen in ons land, dat wil nog niet zeggen dat het de moeite waard is om daar 293 pagina’s aan te besteden. Iemand die haar niet kent, zal niet de neiging hebben om het te lezen. Hooguit leuk voor haar familie, vrienden en bekenden. Zaalman heeft onbegrensde bewondering voor zijn onderwerp, wat de objectiviteit niet ten goede komt; kritische kanttekeningen zul je in het boek niet tegenkomen. ‘Vrouw Toney – zoals ze vaker genoemd wordt – is een bezige bij en begaafd’, zo begint hij op de eerste bladzijde met zijn lofzang. De rest van het boek is ook doordrenkt met complimenten, zowel van hem als van de vele geïnterviewden. Er valt geen onvertogen woord. Dan over Toney zelf: ze beweegt zich vooral op de achtergrond en boekt daar de nodige successen. In Nederland verdiende ze een dikbelegde boterham als eigenaresse van ‘chique massagesalons’. Daar maakt Zaalman relatief weinig woorden aan vuil. Hij heeft wel opgetekend dat het volgens Toney geen ‘ordinaire sekshuizen’ waren en dat ze niet tolereerde dat de dames daar ‘halfnaakt in bikini’ rondliepen. In 1994 keerde ze terug naar Suriname, waar ze zich met de Stichting Fiti Fu Wini stortte op de conservering en de ontwikkeling van Afro-Surinaamse verworvenheden. Daarnaast bouwde ze een goudimperium op; ze heeft zes concessies van in totaal zeventigduizend hectare weten te bemachtigen. In de september-editie van Parbode van vorig jaar stond ze als enige vrouw in de top tien van de machtigste goudbonzen in Suriname. Leuk en aardig allemaal, maar nogmaals: als buitenstaander die Toney niet of nauwelijks kent, niet echt interessant. Maar misschien vergis ik mij en blijkt over een jaar of wat dat Toney van veel grotere betekenis is geweest dan de meeste mensen zich nu realiseren. Zaalman weet de lezer daar echter niet van te overtuigen.

Claudetta Toney. Haar leven en werk,
Juliën A. Zaalman, 2013,
Stichting Tata Kwasi ku Tata Tinsensi,
ISBN 9991472119

Slavernij, een geschiedenis

Slavernij een geschiedenisAnders dan de titel doet vermoeden, is Slavernij. Een geschiedenis niet een klassiek boek over sec de slavernij zoals wij die in Suriname hebben gekend. Historicus Dirk Tang is op zoek naar het ontstaan van de slavernij en de denkbeelden daarover, vanaf de oudheid tot de afschaffing in de negentiende eeuw. Een onmogelijke opgave, zo erkent ook Tang, want ‘niemand weet wanneer de eerste mens tot slaaf is gemaakt of waar het is gebeurd. Misschien in Afrika, waar de wieg van de mens heeft gestaan. Vijftigduizend tot negentigduizend jaar geleden gingen groepen jagers en verzamelaars op zoek naar leefgebieden buiten het Afrikaanse continent. Rondtrekkende mensen zijn op zoek naar voedsel, water en een beschutte plek in een grot om te slapen. Ze stuiten op andere mensen die ook willen eten, drinken en slapen. Misschien is uit dat basale conflict over levensbenodigdheden de oorlog voortgekomen die de mensen nooit meer heeft verlaten. En naast winnaars kent een oorlog verliezers, die worden gedood of dwangarbeid moeten verrichten. Oorlog en slavernij zijn twee kanten van dezelfde medaille.’ Tang neemt de lezer mee op een reis door de tijd en langs de verschillende vormen die de slavernij aannam in de diverse culturen, bekeken vanuit verschillende invalshoeken. En komt dan uiteindelijk terecht bij de rol die Nederland heeft gespeeld bij de slavenhandel. Hij probeert een analyse te maken van hoe daar in het land van de kolonisator zelf tegenaan werd gekeken en over werd geoordeeld. Maar ook of het Nederland uiteindelijk baat heeft gebracht. ‘Hoe sussen kooplieden, huisvrouwen en dominees hun geweten tijdens de kerkdienst op zondag? Was Nederland de grootste en wreedste slavenhandelaar van het westelijk halfrond? Hebben wij onze prachtige Gouden Eeuw te danken aan de gekromde ruggen van miljoenen Afrikaanse slaven?’ Een hoofdstuk in het 240 pagina’s tellende boek is (uiteraard) gewijd aan Suriname, waar de meeste slaven door de Hollanders tewerk werden gesteld. Hierin wordt niet alleen een beeld geschetst van hoe de slaven werden behandeld, Tang besteedt ook veel aandacht aan de spanningen die bestonden tussen het koloniale bewind hier ter plekke en de kolonisator overzee. Bijvoorbeeld over de opgelegde straffen aan slaven. Slavernij. Een geschiedenis maakt duidelijk dat slavernij tot anderhalve eeuw geleden door de handelaren en kolonisator als iets gewoons en bijna vanzelfsprekends werd beschouwd, maar wekt geenszins de indruk dat het daarom anno 2013 goed te praten valt.

Slavernij. Een geschiedenis, Dirk J. Tang,
2013, Walburg Pers in samenwerking
met Bijzondere Collecties van de
Universiteit van Amsterdam, ISBN
9789057309052

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Filmschema Cinema+

Cinema

TBL heeft naast haar populaire filmaanbod een aparte programmering voor ‘kwaliteitsfilms’: CINEMA+. En dat vier dagen in de week! Prachtige films die Oscars, Gouden Beren en Zilveren Palmen wonnen en die de Surinaamse filmliefhebber een geweldige avond bezorgen, zeker op het megagrote filmdoek met DOLBY SurroundSound, iets anders dan thuis een dvd’tje afspelen. Elke maandagavond een nieuwe film, die de weken daarop steeds een dag opschuift, zodat elke film vier keer vertoond wordt.

Lore

loreLore, gebaseerd op een novelle van Rachel Seiffert, speelt zich af in Duitsland, kort na de zelfmoord van Hitler en de capitulatie in mei 1945. De wereld zoals Lore (Saskia Rosendahl) die kende, stort volledig in. Haar vader, een hooggeplaatste SS’er, wordt gearresteerd en ook haar moeder verdwijnt. Als oudste moet ze haar zusje en drie broertjes vanuit Beieren naar Hamburg brengen. Een reis van honderden kilometers, dwars door het Zwarte Woud.

 

Regie: Cate Shortland, speelduur: 109 min., land: Australië, jaar: 2012, genre: drama

Despues de Lucia

Despues de LuciaZes maanden nadat zijn vrouw bij een auto-ongeluk omgekomen is, beginnen Roberto en zijn dochter Alejandra een nieuw leven in Mexico City. Alejandra lijkt al snel haar draai gevonden te hebben, haar vrienden blijken echter over een duistere kant te beschikken. Uiteindelijk wordt ze het middelpunt van pesterijen. Hierover durft ze niet met haar vader te praten. Ze kan niets anders doen dan de pesterijen accepteren en haar schaamte dwingt haar tot zwijgen, maar dat eist zijn tol.

 

Regie: Michel Franco, speelduur: 93 min., land: Mexico / Frankrijk, jaar: 2012, genre: drama

Wadjda

WadjdaDe tienarige Wadjda woont in een buitenwijk van Riyad. Wanneer ze op een dag een mooie fiets ziet staan bij de speelgoedwinkel in het dorp, wil ze niets liever dan leren fietsen. Alhoewel dat in Saoedi-Arabië verboden is voor meisjes, verzint Wadjda een plan om haar droom uit te laten komen. Wadjda is de eerste lange speelfilm van een vrouwelijke regisseur uit Saoedi-Arabië en vertelt het verhaal van een meisje dat wil breken met de conservatieve tradities van haar land.

 

Regie: Haaifa Al-Mansour, speelduur: 98 min., land: Saoedi-Arabië, jaar: 2012, genre: drama

 

Beasts of the Southern Wild

Beasts of the Southern WildHushpuppy is een zesjarig meisje dat samen met haar alcoholistische vader Wink in een afgezonderde leefgemeenschap woont, in een moerasgebied bij Louisiana. Hoewel Wink van zijn dochter houdt, bereidt hij haar met harde hand voor op de periode waarin hij er niet meer zal zijn om haar te beschermen. Wanneer Wink een mysterieuze ziekte krijgt, raakt de natuur van slag. De ijskappen smelten, waardoor een leger van prehistorische wezens genaamd aurochs vrijkomt. Wanneer de gezondheid van Wink achteruit gaat, besluit Hushpuppy op zoek te gaan naar haar verloren moeder.

Regie: Benh Zeitlin, speelduur: 91 min., land: Verenigde Staten, jaar: 2012, genre: drama

Call Girl

Call GirlCall Girl is geïnspireerd door een controversiële zaak uit de jaren zeventig, waarbij verschillende ministers uit de regering van minister-president Olof Palme betrokken waren. Op een steenworp afstand van de overheidsgebouwen lag de verleidelijke wereld van seksclubs en discotheken. In de film is dit het terrein van de jonge Iris, die in de meedogenloze wereld is terechtgekomen waar je met macht alles kunt bereiken. Dan bericht een krant dat gevestigde namen uit de Zweedse politiek betaalde sekscontacten onderhouden. Het werd een van de grootste politieke schandalen uit de Scandinavische geschiedenis en dreigde de Zweedse regering ten val te brengen.

Regie: Mickaël Marcimain, speelduur: 140 min., land: Zweden, jaar: 2012, genre: criminaliteit

NO

noIn 1988 roept de Chileense militaire dictator Augusto Pinochet onder internationale druk op tot een referendum over zijn presidentschap. De Chilenen krijgen de keuze: met een simpel ‘SI’ of ‘NO’ mogen ze bepalen of het regime van dictator Pinochet voortgezet moet worden of niet. De oppositie haalt de jonge onbezonnen reclameman René Saavedra (Gael García Bernal) over om als speerpunt te dienen voor hun ‘NO’-campagne. Met weinig middelen en onder constante controle van bewakers, bedenken Saavedra en zijn team een gedurfd plan om de verkiezingen te winnen en hun land te redden van de onderdrukking.

Regie: Pablo Larraín, speelduur: 118 min., land:, Chili, jaar: 2012, genre: drama/geschiedenis

Programmering
Augustus 2013
(onder voorbehoud)

Week 32, 5 t/m 8 aug.
Ma: Beasts of the Southern Wild
Di: Despues de Lucia
Woe: Wadja
Do: Lore

Week 33, 12 t/m 15 aug.
Ma: Call Girl
Di: Beasts of the Southern Wild
Woe: Despues de Lucia
Do: Wadja

Week 34, 19 t/m 22 aug.
Ma: Carifesta Filmfestival
Di: Call Girl
Woe: Beasts of the Southern Wild
Do: Despues de Lucia

Week 35, 26 t/m 29 aug.
Ma: NO
Di: Carifesta Filmfestival
Woe: Call Girl
Do: Beasts of the Southern Wild

 

 

 

 

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Schouwburg van het westen

Schouwburg van het westen

Welzijnsinstituut Nickerie

Tussen de Nickeriaanse rijstvelden is een cultureel juweeltje herrezen. De plaatselijke schouwburg is echter nog te onbekend, ondergewaardeerd en schreeuwt om een lik verf. ‘De gemeenschap beseft nog niet wat dit gebouw kan betekenen.’

Even buiten het centrum van Nieuw-Nickerie staat een enorme betonnen constructie op het terrein van de stichting Welzijnsinstituut Nickerie (WiN): dit is de schouwburg die vroeger onder beheer stond van het Cultureel Centrum Nickerie (CCN). Ooit een juweeltje waar Nickerianen trots op konden zijn, maar het oogt nu een beetje als vergane glorie. De greppel langs het gebouw, het modderige looppad en de hoge ongeverfde muren geven het geheel een spookachtige uitstraling. Een oud verweerd metalen monument staat langs de oprit. Wie het heeft gemaakt, is onbekend. Onder het monument staat op een blinkend nieuw bord: ‘Nickerie uit het moeras verrezen’. Het pand werd in 1976 gebouwd door de inmiddels opgedoekte Stichting Kultuur Suriname (Stikusa) uit Nederland. Het doel was om een podium te bieden aan allerlei culturele uitingsvormingen. Tot 1985 slaagde men daarin, daarna ging het mis. Door een tekort aan financiën bij CCN ging het complex achteruit en daardoor namen ook de activiteiten af”, legt Kenneth Roy Donk uit. Hij is de huidige manager van de schouwburg en moet de boel meer leven inblazen. “Het was totaal verwaarloosd. Het gebouw heeft jarenlang in weer en wind gestaan. Het betonnen dak stortte in en in het gebouw vulde zich met meters regenwater.”

Welzijnsinstituut Nickerie 1

Kerkgemeente
Missionaris Mohamed Hamzaad van de Open Bible Church uit Trinidad en Tobago, oprichter van de Gemeente Noch City Church in Nickerie, gaf de eerste aanzet voor de redding van de schouwburg. Zijn gemeente zocht een onderkomen voor de diensten. Donk: “Er werd afgesproken dat indien de kerk het gebouw renoveert, zij er op zondagen gebruik van mogen maken. Ook werd afgesproken dat het gebouw beschikbaar moet blijven voor de Nickeriaanse gemeenschap.” De kerkleden werden opgetrommeld en er werd gezamenlijk schoongemaakt. Het water werd uit het pand gepompt en het dak werd vervangen door een frame van hout en zinkplaten.” Tegenwoordig is de schouwburg onder beheer van de WiN-groep, die wordt gevormd door de stichting Cultureel Centrum Nickerie (CCN), de stichting Vrienden van Nickerie (VVN) en de stichting WiN. Met de kerkgemeente is een leaseovereenkomst afgesloten. “We hebben een prettige samenwerking”, zegt Donk, terwijl een broeder en een zuster van de gemeente druk bezig zijn met schoonmaakwerkzaamheden. Ieder van hen beseft dat samenwerken een absolute noodzaak is voor de instandhouding en modernisering van de CCN-Schouwburg. Ondanks het feit dat het gebouw nog lang niet is wat het wezen moet, werden de deuren van de schouwburg in 2006 weer geopend voor het publiek. De indeling verschilt met die van Theater Thalia in Paramaribo. Het podium is rond en staat midden in het pand. De authentieke rode stoelen zijn nog redelijk in tact en staan in halve maantjes naast elkaar. Bezoekers kunnen ook op de eerste verdieping plaatsnemen. Het dak van hout en zinkplaten wordt binnenkort vervangen door een betonnen constructie. “Dit dak is nieuw maar functioneert niet. Wij hebben een architect de betonnen versie laten begroten, het kost ons negentigduizend srd. Via acties op de scholen hebben we reeds twintigduizend srd kunnen inzamelen, dus het restant moeten we nog binnen zien te halen. Wij hopen wat fondsen te krijgen uit Nederland. Wat de Surinaamse overheid doet? Helaas nog niks. Als het betonnen dak er eenmaal is, zal dat akoestisch gezien een meerwaarde zijn voor de schouwburg.”

Wesje
“Ik mag met trots zeggen dat sinds de renovatie duizenden bezoekers van dit gebouw gebruik hebben gemaakt. Conferenties en meetings werden hier gehouden, maar ook optredens van A Sa Go en... Wesje.” De toon in Donk’s stem verandert bij het uitspreken van de naam van wijlen Stephen ‘Wesje’ Westmaas. “Wesje kwam naar hier toen hij verongelukte. Hij trok volle zalen.” Ondank dat het gebouw lijkt te schreeuwen om een laag verf, heeft het nu reeds een bewonderingswaardige plek in Nickerie verworven. Donk heeft geloof in de toekomst: “Alleen Thalia en de CCN-schouwburg zijn geschikt voor het uitvoeren van culturele expressievormen. De Nickeriaanse gemeenschap beseft nog niet wat dit gebouw voor het district kan betekenen. Zoals we Thalia hebben kunnen behouden, moet ook dit gebouw behouden worden voor Suriname en in het bijzonder voor Nickerie.”

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Akataasie en de azema (1)

Akataasie en de azema (1)

In een schamele hut net buiten het dorp lag de oude Akataasie stil in zijn hangmat. Hij was uitgeteerd. Zijn eens priemende, felblauwe ogen waren dofgrijs geworden en puilden afschrikwekkend uit hun kassen. Bloederige korsten, waar talloze vliegen op af kwamen, bedekten zijn hele lichaam. Elke dag kwam de zuster van de poli naar hem toe en bracht wat eten mee, zacht gekookte rijst, vis of soep, want tanden had hij al lang niet meer. Voor Akataasie was de zuster een heilige, een geschenk uit de hemel, want buiten haar was er niemand die voor hem kon of wilde zorgen. Vrouw en kinderen had hij nooit gehad en zijn broers en zusters hadden zich al van hem afgekeerd toen hij nog een jongen was. Hij kon het ze niet kwalijk nemen na alles wat er gebeurd was. Ook de dorpelingen bleven bij hem weg, ze waren bang voor hem, maar deze zuster van de poli, deze Moeder Theresia zoals hij haar in gedachte altijd noemde, bleef komen, elke dag weer, en ze deed meer voor hem dan van een zuster verwacht mocht worden, veel meer. Met haar zachte, Akataasiesterke handen tilde ze hem elke dag uit de hangmat en baadde hem met een warm kruidenbad dat ze in de gaangasa, de kookhut, op een houtvuur had klaar gemaakt. Daarna smeerde ze zijn hele lichaam in met zalf, in een vergeefse poging de jeuk en pijn enigszins te verlichten. Van tijd tot tijd schoor ze zelfs zijn ingevallen wangen. Maar hij kon niet meer, hij wilde niet meer. Wie kwam hem van dit aardse bestaan bevrijden? Waar was de God tot wie hij zich een paar jaar geleden had bekeerd? Waar waren de vooroudergeesten om hem te halen voor zijn reis naar gene zijde? Was er dan geen genade voor zijn gekwelde ziel? Was er zelfs geen… hij aarzelde, hij durfde het niet te denken maar de gedachte kwam toch, sterker dan hijzelf: was er zelfs geen azema om hem uit zijn lijden te verlossen? ‘s Nachts in het donker, als de pijn en de jeuk hem teveel werden, lag hij met gebroken stem urenlang luidkeels te jammeren ‘Masa Gadu, ko tei mi, oooooo’ (Lieve Heer, kom mij alsjeblieft halen). Hij hield er de dorpelingen mee uit hun slaap en hoewel zijn weeklagen door merg en been ging, werden ze eerder boos vanwege hun verstoorde nachtrust dan dat ze medelijden hadden met de oude, zieke man. In die slapeloze nachten waaraan geen eind leek te komen, dwaalden Akataasies gedachten steeds weer terug naar de lang vervlogen dagen dat hij nog een jongen was en naar het grote geheim dat hij, sinds die ene nacht waarin zijn leven voorgoed veranderde, altijd met zich mee had moeten torsen, zwaarder dan de zwaarste steen en donkerder dan de donkerste nacht. Nooit had hij zijn geheim tegen iemand kunnen vertellen. Ze zouden hem doodgeslagen hebben of misschien wel hebben verdronken als een rat in een val of levend verbrand, of erger. Nu betreurde hij zijn miserabele leven en had spijt het nooit aan iemand verteld te hebben. Hadden ze hem maar doodgeslagen, toen! Hij was nooit een lieverdje geweest. Hoe vaak had zijn moeder hem niet gezweept of gedreigd hem naar de paterschool in de stad te sturen als hij weer eens kattenkwaad had uitgehaald? Kattenkwaad, dacht hij schamper, toen was het nog kattenkwaad geweest, het viel in het niet bij wat daarna gebeurd was. Hoe vaak had de meester hem niet geslagen met de liniaal? Zelfs de pater wilde hem de biecht niet meer afnemen omdat hij nooit enig berouw toonde. “Die jongen”, had de eerwaarde op een dag tegen zijn moeder verzucht, “daar vallen nog geen tien rozenhoedjes tegenop te bidden.” Akataasie dreef iedereen tot wanhoop, niet in het minst de uitlopende mannen en vrouwen die hij ’s nachts aan de waterkant ging bespieden om ze later een paar dollars afhandig te kunnen maken om sigaretten en bier te kopen, of de jagers uit wiens vallen hij de gestrikte dieren stal om ze ergens in het bos op een houtvuur te roosteren en op te eten, of de vrouwen als hij weer eens meloenen had vernield op hun kostgrondjes en de ananassen had gepikt, of de meisjes als hij eieren uit de kippenhokken jatte en ze kapot gooide tegen hun huizen omdat ze hem altijd afwezen. Aanvankelijk ging hij nog naar school, maar na die nachtelijke escapades viel hij steeds in de klas in slaap, hij kruiste simpelweg zijn armen op de lessenaar en legde zijn hoofd erop. Hij was te moe om iets te leren, het interesseerde hem ook niet. En de juffrouwen waren moe van hem, het interesseerde hen evenmin, zolang hij de lessen maar niet verstoorde met gesnurk. Toen hij drie keer in de eerste klas was blijven zitten en daarna drie keer in de tweede klas en nog steeds geen letter kon lezen of schrijven, zelfs de tafel van twee nog niet kon opzeggen, had het schoolhoofd hem afgeschreven. Zijn moeder had nog geprobeerd hem naar zijn vader te sturen, maar die had geweigerd het kind te nemen. Hij had nooit willen geloven dat ‘dat duivelskind’, zoals hij zei, dat zó anders was dan al zijn andere kinderen, door zijn zaad was verwekt. De moeder probeerde het met huilen en bidden en smeken, maar de vader bleef onvermurwbaar en had de moeder boos van zich afgestoten. Haar zusters in de stad weigerden eveneens om de jonge Akataasie in huis te nemen, om dezelfde reden, ze waren bang voor hem, voor die duistere blik in die vreemdblauwe ogen. Zo groeide Akataasie dus op, niet alleen afgeschreven door de schoolmeester maar ook door zijn eigen moeder. Afgeschreven én afgewezen, want iedereen in het dorp, zijn moeder incluis, was bang voor hem. Eigenlijk was er maar één persoon die van Akataasie hield en dat was zijn achterlijke broertje Awoomakuku, die te onnozel was om bang voor hem te zijn. Awoomakuku liep de hele dag als een jong hondje achter Akataasie aan. Wonderlijk genoeg was Akataasie ook dol op zijn broertje en verdroeg hij al Awoomakuku’s eigenaardige gewoontes en gebabbel en verdedigde hij hem, indien nodig, door dik en dun. Het was een eigenaardig span die twee, de grote, gespierde Akataasie, een man bijna, en de kleine, tengere Awoomakuku. Het was tijdens een van hun gezamenlijke nachtelijke omzwervingen dat het gebeurde. Akataasie had de leeftijd van veertien jaar bereikt en het was een heldere nacht. De maan, niet meer dan een smalle sikkel, stond laag boven de horizon. Gewoontegetrouw was Akataasie naar de rivier gegaan en had zich verscholen onder het dekzeil in een van de aangemeerde korjalen. Na een uur of wat had hij teleurgesteld geconstateerd dat er deze avond geen geheime afspraakjes waren gemaakt. Het ging hem allang niet meer om de afpersing. Het stiekeme kijken naar de vrijende stelletjes wond hem op. Onvoldaan stak hij een sigaret op, zoog zijn longen vol en blies kringeltjes rook in de richting van de maan. Lusteloos keek hij toe hoe ze uitwaaierden over de rivier. “Aka, is mooi”, klonk een vrolijk stemmetje achter hem. Akataasie hoefde niet om te kijken om te weten Akataasie 1dat het Awoomakuku was. De laatste tijd gebeurde het steeds vaker dat zijn broertje hem ook ’s nachts achterna kwam lopen. “Ga naar huis Awoo”, zei hij niet onvriendelijk, “mama gaat je zwepen als ze merkt dat je weer achter me aan bent komen lopen”, maar Awoomakuku bleef als altijd onverstoorbaar staan en wees naar de brandende sigaret in Akataasies hand. “Aka, ik ook siegret, geef.” Akataasie zuchtte maar viste toch het pakje uit zijn broekzak en stak een sigaret voor zijn broertje aan. Stil, Awoomakuku helemaal tegen Akataasie aangekropen, zaten ze naast elkaar te roken en staarden over de rivier tot ineens al Akataasies spieren zich spanden. Geschokt gooide hij zijn sigaret in het water en veerde als door de bliksem getroffen overeind. “Awoo”, fluisterde hij, “ren naar huis, NU! Vraag me niks. Ren naar huis en kijk niet om. GA! Nu, nu, nu!” Hij duwde zijn broertje hardhandig de boot uit. “Aka, wat...”, probeerde zijn broertje geschrokken en half huilend te vragen. “Gewoon luisteren, niks vragen, maak dat je wegkomt. Wegwezen. Het is een azema.” Hij was onnozel, Awoomakuku, maar niet gek en hij wist precies wat een azema was, iets engs dat je bloed kwam zuigen en waar iedereen heel bang voor was, dus zette hij het op een lopen alsof zijn leven ervan afhing. Ontzet keek Akataasie weer uit over de rivier en zag hoe met grote snelheid een helderwitte lichtbol, zwevend boven het water, zijn kant uitkwam. Er was geen geluid, geen korjaal, helemaal niks, alleen maar dat licht en al had Akataasie nog nooit eerder een azema gezien, hij wist honderd procent zeker dat dit er een was. Zonder het ‘ding’ een seconde uit het oog te verliezen, sloop hij voorzichtig achterstevoren uit de korjaal en wierp snel een blik over zijn schouder, Awoomakuku achterna, om te zien of hij al weg was. Hij hoopte dat de azema zijn broertje niet zou opmerken maar hoe die daar met zijn wapperende handen en klepperende slippers naar huis rende, deed hem het ergste vrezen. Citrus, dacht hij koortsachtig, azema’s houden niet van citrus, ik moet lemmetjes vinden, daar, vlakbij, bij juf Marianella, daar zijn limoenen, vlug, vlug. En zand, zand moet ik hebben. Ik moet hem afleiden, met zand gooien, zorgen dat die azema achter mij aankomt, richting het schoolpad, daar is zand. En rijst, rijst moest hij vinden! Azema’s gaan rijstkorrels tellen toch? Akataasie voelde wanhopig in zijn zakken. Natuurlijk had hij geen rijst daarin. Ondertussen spiedde hij weer naar de rivier. De azema was nu de oever genaderd en hield zich schuil onder het overhangende gebladerte. Akataasie zette het op een lopen naar het huis van de juf en schudde als een gek aan de lemmetjesboom. Hij pakte een van de emmers die naast het huis stonden en verzamelde daarin zo snel als hij kon alle citrusblaadjes en lemmetjes die op de grond waren gevallen. Gewend als hij was om door het dorp te sluipen, haastte hij zich onhoorbaar, ‘bewapend’ met emmer en inhoud terug naar de rivier. Zijn hart bonkte in zijn keel. Nog nooit was Akataasie zó bang geweest, maar hij moest zijn broertje redden. Van de azema was geen spoor te bekennen maar Akataasie voelde aan de kou die langs zijn armen omhoog kroop en zijn keel dichtsnoerde dat hij daar nog steeds onder de bomen moest zijn. Weer wierp hij een blik over zijn schouder. Awoomakuku was niet meer te zien. Toen zette hij het op een gillen en schreeuwen en begon met de lemmetjes en de blaadjes te gooien. Hij voelde hoe de azema woedend werd en hoe zijn licht weer toenam. Akataasie zette het op een lopen maar de azema kwam hem achterna. ‘Zand, zand’, dacht hij koortsachtig en graaide in doodsangst over het pad, voelde niet dat zijn nagels scheurden en zijn vingertoppen begonnen te bloeden, hij wist maar een ding: gooien, blijven gooien. En rennen, blijven rennen. Zijn zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Hij zag aan zijn eigen vooruitgeworpen schaduw dat het licht van de azema langzaam begon te verzwakken en dat de afstand tussen hem en de azema groter werd maar hij bleef rennen en rennen en rennen tot hij bijna flauwviel van de ademnood Eindelijk, pas toen hij helemaal geen lichtschijnsel meer zag, stopte hij met rennen. Buiten adem bleef hij staan, voorovergebogen, zijn handen op zijn knieën, hijgend. Voorzichtig keek hij om, bang om toch ineens in het verblindende licht gevangen te worden maar er was geen spoor van de azema te zien. Had hij hem verjaagd of verstopte hij zich ergens? Nog steeds bang hurkte Akataasie neer en keek schichtig speurend in het rond. Hij zag niets, echt helemaal niets en hij voelde ook geen kou meer. Hij begon werkelijk te geloven dat hij de azema verslagen had. Een triomfantelijk gevoel nam bezit van hem. Hij richtte zich langzaam op. Zijn hart en ademhaling hernamen geleidelijk weer hun normale ritme. Wat rustiger keek hij nu om zich heen en merkte dat hij onbewust het pad naar de kostgrondjes had genomen, de azema weglokkend van het dorp. Maar hij durfde nog niet naar het dorp terug te gaan, nog niet, niet nu in het donker. Hij zou wachten tot het licht werd. Nu zou hij doorlopen, verder weg van het dorp, tot bij het kostgrondje van zijn moeder. Daar was een hut en water en een hangmat. Daar zou hij gaan liggen tot de dageraad aanbrak en dan zou hij naar het dorp teruggaan en nooit meer zou hij... Verward luisterde Akataasie naar die stem in zijn hoofd. Wat zou hij nooit meer? Geen streken meer uithalen? Hij geloofde zijn eigen oren niet. Wie sprak er in zijn hoofd? Was hij dat zelf? Hij keek om zich heen of misschien toch die azema rare dingen met hem aan het uithalen was, maar er was geen spoor van hem te bekennen. En toen besefte Akataasie dat de paniek die hij had gevoeld dat er iets met de kleine Awoomakuku zou gebeuren hem tot in het diepst van zijn ziel had geraakt. Niet alleen had hij deze avond de azema overwonnen maar ook zichzelf, zijn slechte ik. Met een gelukzalige glimlach legde hij zich in de hangmat te ruste, onwetend van wat hem boven het hoofd hing. Want de sluwe azema was helemaal niet verslagen en ook niet verdwenen. De azema had heel andere plannen met Akataasie, de azema rook bloed, wilde bloed, moest bloed. Hij speelde een vuil spelletje met de jongen door net te doen of hij verdwenen was, maar terwijl Akataasie zonder omkijken voortrende was hij in het bos gaan schuilen. Toen Akataasie tenslotte in een diepe slaap was weggezonken, kwam de azema naar de hut en zoog het bloed uit het lichaam van de jongen, net zolang tot hij helemaal verzadigd was en Akataasie meer dood dan levend in de hangmat achterbleef. Ook de oude Akataasie was uiteindelijk in een onrustige slaap weggezonken maar hij werd zoals elke nacht sinds die nacht waarin hij meende de azema verslagen te hebben, geplaagd door dezelfde verschrikkelijke nachtmerrie. Steeds weer opnieuw droomde hij dat hij jankend en schreeuwend door het dorp rende met het slappe lichaam van de kleine Awoomakuku in zijn armen, zijn mond druipend van het bloed.
Wordt vervolgd

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Zoveel weegt geluk

Zoveel weegt geluk is een roman, die in afleveringen
verschijnt en wordt geschreven door Henry Does

Zoveel weegt geluk

Rio is zestien jaar oud als hij met zijn moeder Celia zijn geboorteland verlaat, een dag nadat
zijn vader, Rolando Leano, een van de slachtoffers werd van een politieke massamoord.
Veertien jaar later keert Rio voor het eerst weer terug. Ditmaal voor zijn huwelijksfeest. Zijn
verloofde is Aria, dochter en enig kind van de gevreesde President Dano, die de massamoord
op zijn geweten heeft. President Dano laat de camera’s van de staatstelevisie op de
huwelijksceremonie aanrukken om ‘de ultieme nationale verzoening’ te etaleren. Dan is de
geest uit de fles...

Aflevering 9

Zoveel weegt gelukAria keek met nieuwsgierige verbazing naar de tientallen exclusieve auto’s en terreinwagens op de door een hoge, keurig bijgehouden groene haag omringde parkeerplaats. Onder het bordje ‘Pres’ zag ze de witte Bentley staan. ‘Hij is er’, zei ze hoorbaar. Ze ademde een paar keer diep in en uit. Hoe zou hij reageren als hij haar hier zag? Na aan het eind van de reeks auto’s geparkeerd te hebben, opende ze even haar ruit om wat frisse lucht op te snuiven. In de verte hoorde ze het geluid van snel stromend water. Heerlijk vond ze het, die frisse, vochtige boslucht van het binnenland. Ze had geen tijd daar lang bij stil te staan. Aan de rechterkant van haar auto – zij zat aan de linkerzijde – hoorde zij gestommel. Ze boog zijwaarts en keek nieuwsgierig door het zijraam, recht in de zwarte SUV die naast haar geparkeerd stond. Ze schrok bij het zien van de verschrikte gezichten van twee halfnaakte mensen, een man en een vrouw. De neergeklapte stoelleuningen en de nabijheid van hun lijven overtuigden haar ervan, dat zij getuige was van een amoureuze scène. Zij had een gevoel van herkenning, maar door de schrik en ongewone locatie kostte het haar meer moeite zich te herinneren waar ze beide mensen van kende. Zij herkende het eerst de vrouw, de typische middenscheiding in haar roodbruine haar liet er geen twijfel over bestaan, zij was de anchor van het achtuurtelevisiejournaal van de Nationale Staatstelevisie. Maar waar kende ze de man van? Voordat ze erachter was, nam hij, bekomen van de schrik, het initiatief en stapte met een stoer, hoekig gebaar uit de auto. Hoewel hij een royale buik had, vertelden zijn brede schouders en gespierde armen een geschiedenis van krachttraining. Hij liet Aria merken dat hij haar had herkend. Op licht geïrriteerde toon vroeg hij: ‘Weet uw vader dat u hier komt?! Ik heb er niets over gehoord.’ Zijn laatste zin deed een lampje branden bij Aria. Want wie anders zou pretenderen te weten wie bij de president op bezoek komt? Wie anders had deze forse plooien van intimiderende ernst tussen de ogen, en kaken, zo imposant als die van een hyena! Dit was de gevreesde Marco Parmo, de commandant van de Presidentiële Garde, die waakte over de persoonlijke veiligheid van de president en zijn directe entourage. Het gerucht ging dat hij machtiger was dan commandant Zero, de chef van Generale Staf van het Revolutionair Leger. Aria had hem eenmaal op het Presidentieel Paleis ontmoet en aan zijn handdruk, die hard aanvoelde en in haar beleving te lang duurde, een onveilig gevoel overgehouden. Toen zij dat aan haar vader vertelde en hij een wegwuivend gebaar maakte, had zij zich miskend gevoeld en er verder over gezwegen. ‘Ja, mijn vader weet ervan’, blufte Aria, na zich herpakt te hebben. Een leugentje om bestwil dacht ze, omdat ze anders weer rechtsomkeer kon maken. Zij deed de ruiten weer omhoog, borg haar pistool onder haar stoel op, pakte haar witte, met blauwe edelstenen versierde tasje, bekeek even haar gezicht in de achteruitspiegel en stapte uit. Terwijl ze parmantig wegliep, deed ze nonchalant met de afstandsbediening haar auto op slot. ‘Tot ziens’, riep ze de Commandant, die not amused was, na. Zij deed alsof ze vertrouwd was op deze plek, maar wist niet anders dan te lopen in de richting die met een goudkleurige pijl was aangegeven op de bordjes, waarop Hoofdingang geverfd was. Na eerst over een bruggetje, over de donkere kreek waar kennelijk het geluid van snel stromend water vandaan kwam, te zijn gelopen, kwam zij op een fraai met hout betimmerd, breed looppad. Maar als uit het niets, sprong plots een jonge man met een rode baret uit het bos. Vlak voor haar hield hij halt. Hij had losjes een machinepistool in de handen. Hij keek haar recht in de ogen en sprak op strenge, wat plagerige toon. ‘Waar gaat de reis naartoe, mooie jongedame?’ Aria voelde zich geïntimideerd, maar was vastbesloten haar vader te spreken. ‘Ik heb een afspraak met de president, ik ben zijn dochter.’ De gardist leek verrast, stapte opzij en vergat via zijn mobiel te controleren of het ook klopte wat Aria zei. ‘U hebt geluk, de president is net wat aan het chillen in de lobby.’ Een lobby? Vader sprak in huiselijk kring vaak over ‘mijn hutje’, als hij over zijn binnenlands buitenverblijf sprak. Wat moest een lobby in een hutje? Aan het eind van het looppad zag Aria een grote poort van bamboestammen, die schuin oplopend waren afgesneden, als was het een Inheemse fluit. Ze hield halt voor de poort. Onderzoekend keek ze naar het mysterieuze gevaarte. Hoe ging dat open? Omhoog kijkend zag ze de rode lichtjes van twee heel kleine camera’s. Omdat ze het raadsel niet kon oplossen, zwaaide ze met een vriendelijke glimlach naar de camera’s. Een zoemend geluid klonk, als een antwoord op haar zwaaien. Langzaam kwam de poort in beweging. Tot haar verbazing gleden de bamboestammen langzaam loodrecht de grond in. Op het moment dat zij over de indalende poort heen kon kijken, kwam zij oog in oog te staan met haar nors kijkende vader. Twee atletisch uitziende mannen, met zonnebrillen op, stonden naast hem. Zij droegen een spijkerbroek en een wit T-shirt zonder mouwen. Om hun schouders hingen machinepistolen. Door de rode baretten met de doodskop erop wist Aria dat het om leden van de Presidentiële Garde ging. Zij vond het raar dat zij zo informeel, als hangjongeren, gekleed gingen. President Dano had slechts een Bahama-short aan. Zijn welgevormde bovenlijf was naakt. In zijn borstharen hing de gouden kogel aan een stevige, gouden ketting. Hij geloofde heilig dat deze, door zijn staatsbisschop gezegende kogel, hem tegen zijn vele tegenstanders beschermde. Nadat de poort bijna volledig in de grond was verdwenen, stapte Aria eroverheen en liep kordaat naar hem toe. Zij plaatste haar handen op zijn brede schouders en wilde hem, zoals gebruikelijk, met een kus groeten. Maar hij liet dat niet toe. Hij pakte haar stevig bij de schouders vast en keek haar bestraffend aan: ‘Hoe durf je hiernaartoe te komen, terwijl ik je dat heb verboden?’ Een rilling ging door Aria heen. In een flits herinnerde ze zich de uitspraak van haar moeder, nadat die door haar woeste echtgenoot was geklapt: ‘Deze man heeft twee gezichten!’ In een poging zijn boosheid te omzeilen, zei Aria op rustige toon: ‘Ik ben overvallen’. President Dano leek verrast en liet zijn handen vertraagd van Aria’s schouders glijden. ‘Hoezo overvallen?! Wat is er gebeurd?’, zei hij op een toon die haar wat geruststelde. Hij luisterde aandachtig naar het relaas van zijn dochter. Bij het vertellen over het succesvol gebruiken van haar pistool, klapte President Dano tevreden op zijn dij, terwijl hij een krachtig ‘Yes!’ uitriep. ‘En van wie kreeg je dat pistool cadeau?’ ‘Van mijn vader’, zei Aria met zachte, complimenterende stem. ‘Kom naar de lobby!’, zei de zichtbaar trotse President Dano, en hij sloeg zijn arm om haar schouders. ‘Ik wil dit verhaal vertellen aan de aanwezige kameraden.’ Het met tropisch rondhout betimmerde looppad dat voerde naar de lobby, was over de volle lengte aan beide kanten geflankeerd met zware, goudkleurige kettingen. In de tuin waren kleine palmbomen en veelkleurige bloemstruiken. In een hoge volière maakten ara’s en andere beschermde vogelsoorten flink lawaai. Het aanzwellende geluid van druk pratende mensen deed Aria vermoeden dat de lobby vlakbij was. Wie zou zij daar ontmoeten?

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Zicht op Fort Elmina

Zicht op Fort Elmina

Zicht op Fort Elmina

Het schilderij Zicht op Fort Elmina door Willem Troost hing een tijd bij mij thuis in Paramaribo. Het had de Transatlantische driehoek bereisd. Cornelis J.M. Nagtglas, de laatste gouverneur van het vroegere wingewest aan de Goudkust, het huidige Ghana, had het bij zijn afscheid in 1871 van de Nederlandse regering cadeau gekregen. De historica Silvia de Groot verwierf het bijna een eeuw later door bemiddeling van vrienden. Zij kenden de kleindochter van Nagtglas, die het schilderij op zolder had staan en het graag afstond aan iemand die meer van Elmina wist. In 1970 begeleidde De Groot vier ‘Bosnegergranmans’ naar hun gebied van herkomst, de Westkust van Afrika. Ze publiceerde een reisverslag van dit legendarische bezoek met de grootopperhoofden uit het binnenland van Suriname aan Ghana, Togo, Benin en Nigeria. Daar werden van de zeventiende tot de negentiende eeuw de voorouders van de marronstammen die door deze Granmans werden bestuurd in slavernij weggevoerd. Over de hele Goudkust had de West- Indische Compagnie in de periode van haar bestaan een tiental forten in handen, uitgestrekt over een kuststreek van zestig mijl. Elmina, in 1637 door Johan Maurits op de Portugezen veroverd en tot 1872 in Nederlandse handen, was ruim tweehonderd jaar de belangrijkste Nederlandse vestiging op de West- Afrikaanse kust. In de kelders van het fort wachtten de slaven, ontmenselijkt, op afvoer. Surinaamse Granmans in Afrika, groot in zijn eenvoud, werd dadelijk na lezing mijn lesmateriaal. Op de Nederlandse landkaart kon ik feilloos reizen van Appelscha naar Zierikzee, dat had ik vroeger in Paramaribo als kind al bij aardrijkskunde geleerd, Elmina lag niet op de route. Laat staan Kumasi, Abomey, of Kano, plaatsen die toen volgens het Europees beeld van ‘Het zwarte continent’ een onderontwikkelde periferie van de beschaafde wereld waren. De zorgvuldigheid waarmee De Groot met gegevens in het boek omspringt, haar inlevingsvermogen in een haar vreemde cultuur en de betrokkenheid bij de Granmans en hun gevolg is voorbeeldig. Het verwijt van de Granmans dat hun voorouders destijds met medewerking van de ‘eigen broeders’ tot de vermaledijde slavernij werden veroordeeld en aan de blanken verkocht, maakt de collaboratie van Afrikanen in de Transatlantische mensenhandel in een paar zinnen een schrijnend feit. Dat Afrikanen handelspartners van de West-Indische Compagnie waren, wordt in Suriname doorgaans geloochend, alsof het een uitgebreide incestueuze familie van ‘brothers en ‘sisters’ betreft. Het verbaast me telkens weer dat clubjes die zich sterk maken voor herstelbetaling aan nazaten van slaven het handelsaandeel van de Afrikanen onbesproken laten en zich liever wentelen in sentiment. Zoals op Blaka man dei, de Dag der zwarte beschaving. Die wordt uitbundig gevierd, men paradeert door de straten van Paramaribo in Afrikaanse gewaden die in Accra, Lomé of Cotonou al tot de mottenballen zijn veroordeeld, want wie het zich kan veroorloven wordt daar het liefst in Armani, en anders in H&M gezien. Ook stadscreolen laten zich verkleed op Blaka man dei bewonderen. Een groot deel van hen kroop tot vlak voor de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 liever in de huid van blanke of joodse voorouders om door de lichtkleurige elite te worden binnengehaald. Zwart was toentertijd negatief: Nelson Mandela werd in Zuid-Afrika gecriminaliseerd, Niggers with an attitude in de VS tot het getto veroordeeld, Martin Luther Kings droom was nog niet verwerkelijkt en de koninklijke Beyoncé nog niet verwekt. Silvia de Groot overleed op 26 mei 2009. Ik wist dat ze zou sterven, maar werd er toch door overvallen. Een week voor haar dood belde ze, zoals ze na mijn noodgedwongen vertrek naar Suriname bijna wekelijks deed. Ik hoorde haar anders beheerste, diepe stem fragmenteren, nam het eerstvolgende vliegtuig naar Amsterdam en was op tijd. ‘Hoe gaat het toch?’ vroeg ze, de ogen gesloten, met ononderbroken belangstelling. Twee dagen na haar crematie moest ik alweer terug naar Suriname, vergezeld van een drang over haar dood te schrijven, bij herhaling over haar te vertellen en haar zo levend te houden. Ze had mijn belangstelling voor de geschiedenis van West-Afrika gewekt en gevoed, was er voor me geweest en op een dag verdween ze voorgoed. Ze liet me het unieke schilderij na, schonk het liever niet aan een museum, bang dat er in een depot vergetelheid wachtte; de geschiedenis van de West werd doorgaans weggemoffeld, vond ze. De aandacht die het nieuwe Rijksmuseum aan de koloniale periode schenkt, zou haar hebben opgebeurd. Wat zo’n schilderij al niet losmaakt en aanhaalt. Ik probeerde het tegen de tropen te beschermen; de hygrometer hield de vochtigheidsgraad bij, de luchtmelker produceerde dagelijks een paar liter water, de airco onderdrukte de hitte binnenskamers. Angst dat de kleurvaste poep van kamrawenke’s het schilderij zou belagen, was gegrond. Waar in Paramaribo zou Zicht op fort Elmina, dit negentiendeeeuws erfgoed, onder de juiste klimatologische omstandigheden kunnen worden bewaard en getoond? De plaatselijke museumdirecteur had eens te kennen gegeven niet van schilderijen te houden. Nog een zorg: bij de onafhankelijkheid in 1975 werd Suriname door Nederland een kunstwerk van Jacob van Ruysdael geschonken. Het lag een tijd lang in het Paleis aan het Onafhankelijkheidsplein in een hoekje op de grond. Bij wie en onder welke omstandigheden het zich nu bevindt valt niet te achterhalen. 150 jaar geleden, 1 juli 1863, keti koti, werd de slavernij in Suriname afgeschaft. Ik heb het doek door Willem Troost naar Amsterdam meegebracht en laten restaureren om gezien te worden. Zicht op Fort Elmina, een schaarse herinnering aan de Atlantische driehoeksverhouding, is tot 22 september te zien op Slavernij verbeeld, de tentoonstelling van Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd in De Groene Amsterdammer (13 juni 2013)

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Waterkant

Kunsthistoricus Bart Krieger
bespreekt elke maand een kunstwerk

Waterkant

diorama

Kunstwerken zijn op verschillende manieren te ‘lezen’. Met het oog, het hart en
het hoofd. Het oog levert een objectieve beschrijving op, het hart een emotionele
subjectieve en het hoofd kan het geheel in context plaatsen en hier betekenis aan
geven. Deze maand het diorama ‘Waterkant’ (1820) door Gerrit Schouten, dat
staat in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Wat zien we?
Een diorama of kijkkast met een zevental huisjes gelegen aan het water, omlijst door een helblauwe lucht. De kade is gestoffeerd met mensen van diverse pluimage gedompeld in de dagelijkse beslommeringen. Nagenoeg alle in die tijd bekende watervoertuigen ‘pronken’ in het water: van links naar rechts: de driemaster, een met pinabladeren overdekte pondo, een door zwarte roeiers aangedreven tentboot en een kleine zeilboot.

Wat voelen we?
We doen voelbaar een stap terug in de tijd. De georganiseerde wanorde aan en op het water is gemoedelijk en doet denken aan (kerst)taferelen van Anton Pieck.

diorama 1

Wat denken we?
De tentboot voert de Nederlandse driekleur en het gaat gezien de populatie om een kolonie. De titel verklapt de rest. Dit diorama is een kundige, uit papier-maché en beschilderd papier gecreëerde afbeelding met diepte en reliëf van de Waterkant in Paramaribo. Het is, ook voor de kenner, moeilijk te herkennen waar het precies is, omdat slechts een amandelboom de kade siert en omdat dit deel van een van de oudste straten van Paramaribo in vlammen is opgegaan bij de grote brand van 1821. De kunstenaar Gerrit Schouten toont hier groot vakmanschap door het perspectief in de kijkkast adequaat door te voeren en uit te blinken in nauwgezette detaillering.

Betekenis?
De opdrachtgever was de Engelse koopman William Leckie. Hij vertrok in het eerste kwart van de negentiende eeuw naar Paramaribo met een getrouwde vrouw, waarschijnlijk om een schandaal in Engeland te voorkomen. Hij is, volgens een Engelse veilingcatalogus, rechts op de voorgrond afgebeeld in gesprek met een andere heer. In feite is dit diorama een ‘foto’ avant la lettre van Leckie in Paramaribo waar hij, zoals zoveel voortvluchtige avonturiers en goudzoekers, een nieuw leven was begonnen. Dergelijke diorama’s bezaten een grote sociaal-maatschappelijke waarde. Net als de KLM-huisjes in onze tijd waren de diorama’s in eerste instantie bedoeld als statussymbool en spielerei van de hoogste klasse van de samenleving. Het waren de musthaves en conversation pieces van de negentiende eeuw. In tegenstelling tot een ‘kinderlijke’ gesloten kijkdoos, waar je pas de voorstelling ziet als je door het gat kijkt, geeft een diorama zijn schatten direct prijs, en dat is nu juist de bedoeling. Diorama’s werden gemaakt voor de nouveau riche, de nieuwe elite van Paramaribo en die liepen maar wat graag te koop met hun pas verworven rijkdom: dat mocht gezien worden!

diorama 2

Gerrit Schouten
(1779-1839)

Gerrit Schouten was de zoon van de Nederlander Hendrik Schouten en de Surinaamse Suzanna Hanssen. Als kunstenaar was hij autodidact, want er bestond toen geen kunstopleiding in Suriname. Hij maakte portretten, waterverftekeningen en studies van planten en dieren, maar werd beroemd met kijkkasten over indianenkampen, slavendansen, stads- en plantagegezichten. De precisie waarmee Schouten dieren en planten tekende, kwam goed van pas bij het maken van diorama’s. Die natuurgetrouwheid was vereist, omdat de tekeningen ook voor de wetenschap bedoeld waren; de fotografie werd pas uitgevonden in uitgerekend Schouten’s sterfjaar.

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

René Artist

René Artist

 

Het oordeel van René Artist, voorzitter van de Amazone Partij Suriname, is hard. Ondanks de vele verkiezingsbeloften is na drie jaar regering- Bouterse nog steeds niets veranderd aan de achtergestelde positie van de inheemsen in ons land. Tijd om het heft helemaal in eigen handen te nemen, vindt hij. “In alle dorpen waar ik kom, zijn de mensen ontevreden.”

De naam zal misschien niet meteen een belletje doen rinkelen, nieuw aan ons uitgebreide – en etnisch versplinterde – politieke firmament is de Amazone Partij Suriname (APS) absoluut niet. Al in 2000 en 2005 nam de vereniging, opgericht door Nardo Aloema, voormalig voorzitter van de organisatie van Inheemsen, deel aan de parlementsverkiezingen. Tot veel succes leidde dat niet: geen enkele keer werd een parlementszetel behaald. Na de verkiezingen van 2005 verzandde de partij in interne ruzies en een diepe winterslaap, waardoor de laatste verkiezingen zelfs werden overgeslagen. De partij leek helemaal dood. Tot nu. Vier maanden geleden kreeg René Artist (54), na een traditionele ceremonie in het dorp Wit Santi, de voorzittershamer van de APS in handen. En hoewel hij in de stad woont, heeft hij een duidelijk doel voor ogen: de Inheemsen in het binnenland moeten eindelijk hun stempel kunnen drukken op de vele besluiten die in de republiek worden genomen. Artist: “Na al die jaren waarin boven onze hoofden heen is geregeerd, is het overduidelijk. We zullen zélf in het machtscentrum moeten komen indien we willen dat er eens echt iets voor ons wordt verwezenlijkt. Dat kan maar op één manier, door de krachten te bundelen en deel te nemen aan verkiezingen. Nu zijn amper een districtscommissaris (Armand Jurel werd op 1 juni beëdigd als districtscommissaris voor het ressort Kabalebo, Sipaliwini, red.) en twee volksvertegenwoordigers van Inheemse komaf. Die twee parlementariërs maken dan nog deel uit van een grote politieke partij (de Nationale Democratische Partij, red.) waarbinnen ze blijkbaar heel weinig invloed kunnen uitoefenen. Ze zitten wel in het parlement, maar we horen hen bijna nooit wat zeggen.” Het zag er voor de Inheemse gemeenschap nochtans veelbelovend uit toen Desi Bouterse medio 2010 de verkiezingen won. Iedereen zal zich nog herinneren hoe de voormalige legerleider in de Nationale Assemblee in tranen uitbarstte en stamelde hoe bijzonder het was dat ‘een kleine indiaan uit Kaswinika’ was gekozen om het hoogste ambt van het land te bekleden. Veel heeft president Bouterse de oorspronkelijke inwoners van ons land echter nog niet gebracht, klaagt Artist.

Spiegeltjes en kraaltjes
“Het is nu al iets beter dan onder vorige regeringen, maar goed kan je het zeker niet noemen. Ook de huidige regering doet zeker niet voldoende voor de binnenlandbewoners. Dat terwijl de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname (Vids) in de aanloop naar de vorige verkiezingen zelfs een stemadvies op de NDP heeft uitgebracht. Ze hadden ons – zoals gebruikelijk – een heleboel bestuursfuncties beloofd. Er zou een Inheemse minister komen, we zouden hoge posities krijgen binnen staatsbedrijven en worden benoemd op ambassadeposten. Van al dat is drie jaar later amper wat terecht gekomen. Kortom, er zijn ons weer heel wat spiegeltjes en kraaltjes voorgehouden, maar echt structurele veranderingen hebben we niet gezien. We hebben zeker niet het gevoel dat naar onze noden wordt geluisterd, laat staan dat die worden begrepen. De NDP is een enorm grote partij, waarbinnen heel wat belangengroepen opereren. De belangen van de Inheemsen hebben blijkbaar moeten zwichten voor die van grotere groepen. Persoonlijk denk ik dat president Bouterse ons wel gunstig gezind is, maar dat hij tegengas krijgt van mensen om hem heen die andere prioriteiten hebben.” Volgens Artist zorgden al die factoren ervoor dat de Inheemse roep om politieke bundeling de voorbije maanden steeds luider werd. “Zodra ik ergens in een dorp kwam, werd ik aangesproken door mensen die me zeiden dat we weer een eigen partij moesten oprichten. Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Daarom is ervoor gekozen om niet van nul af aan te beginnen, maar om de Amazone Partij nieuw leven in te blazen. Er is contact gemaakt met de vorige voorzitter en die reageerde heel enthousiast. De hele groep heeft me daarna voorgedragen als nieuwe leider. Ik ben geen raspoliticus en niet opgevoed in een politiek milieu, maar wel altijd actief geweest binnen heel wat Inheemse organisaties. Een partij leiden is ondankbaar werk waar heel wat bij komt kijken, maar ik ben heel gemotiveerd, heb doorzettingsvermogen en ken het binnenland ontzettend goed.”

Duurzaamheid
De vraag blijft waar de Amazone Partij zich concreet voor wil inzetten. En zit Suriname wel te wachten op nóg een politiek partijtje? Aan de verkiezingen van 2010 namen al maar liefst vijfentwintig partijen deel, veelal versnipperd langs etnische scheidslijnen. Artist haast zich te benadrukken dat zijn partij géén etnische partij is, hoezeer de naam dat ook zou doen vermoeden. Sterker nog: hij wil dat in principe elke Surinamer zich kan terugvinden in de belangrijkste streefdoelen. “De erkenning van de grondrechten is absoluut een van onze belangrijkste programmapunten. Veel mensen in de stad denken dat we daarmee willen dat de binnenlandbewoners alle grondstoffen in hun bezit krijgen. Daar gaat het ons echter helemaal niet om. We willen alleen maar zeker weten dat ook de komende generaties kunnen blijven leven in hun traditionele woongebieden en daar kunnen overleven op dezelfde wijze als hun voorouders dat al eeuwen doen. Het gaat ons geenszins om het massaal exploiteren van de daar aanwezige grondstoffen.” “Daaraan gekoppeld verzetten we ons tegen de illegale houtkap en goudwinning. De mijnbouw is verantwoordelijk voor een heleboel milieuvervuiling en -vernietiging. Natuurbehoud is dus ook een van onze speerpunten. Dat betekent niet dat we gekant zijn tegen de ontwikkeling van onze natuurlijke hulpbronnen, aangezien die ook ten gunste is van de binnenlandse gemeenschappen. Dat moet wel op een duurzame manier gebeuren, zodat de generaties die na ons komen er geen last van hebben. Ten slotte willen we ons sterk maken voor goede gezondheidszorg en onderwijs in het hele land, tot in de diepe binnenlanden. Elke Surinamer heeft volgens de wet gelijke rechten. Iedereen heeft dus ook het recht op scholen en ziekenhuizen waar dezelfde kwaliteitsnormen gelden.”

Belangrijke rol
Artist klinkt vastberaden. Indien de Amazone Partij ooit in de Nationale Assemblee terechtkomt, dan zullen de verkozenen wél met de vuisten op tafel slaan. “Wij willen onze stem laten horen. Men moet eindelijk eens weten dat wij er ook zijn in dit land. Zoals het er nu uitziet, zullen de grondrechten ook na de verkiezingen van 2015 nog steeds niet erkend zijn. Je kan er dus donder op zeggen dat het een van de eerste zaken zal zijn die we ter sprake brengen.” Maar hoe realistisch is dat? De cijfers van de meest recente volkstelling waren bij het ter perse gaan van deze Parbode nog niet gepubliceerd, maar in 2004 leefden er net iets meer dan achttienduizend Inheemsen in ons land, nog geen vier procent van de totale bevolking. Artist: “We zijn inderdaad een kleine partij, hoe je het ook draait of keert. Bovendien gaan we er ook niet van uit dat alle Inheemsen in 2015 massaal op ons zullen stemmen, dat is niet realistisch. Ik denk echter wel dat onze partij een belangrijke rol kan spelen in enkele kerndistricten. Para is daarvan het allerbelangrijkste. De Inheemse stem is daar genoeg voor een parlementszetel. Ook in districten als Marowijne, Saramacca en Sipaliwini kunnen de stemmen van Inheemsen van belang zijn. Vergeet bovendien niet dat ook in Paramaribo aardig wat Inheemsen wonen. Niet genoeg om een volledige zetel binnen te halen, maar de Inheemse stem kan er toch bepalen wie uiteindelijk een parlementszetel binnensleept – of wie niet. Zeker als we in combinatieverband de verkiezingen ingaan, wat niet uitgesloten is. Zolang die samenwerking maar niet in strijd is met onze doelstellingen. Er zijn hier en daar al informele en aftastende gesprekken geweest met potentiële partners, maar erg concreet zijn die nog niet. De afgelopen verkiezingen is wel gebleken dat de partijprogramma’s van de NDP en A Combinatie het dichtst bij ons staan.”

René Artist 1

Nationaal belang
De grote droom van de nieuwbakken politicus is om de Amazone Partij ooit succesvol uit te bouwen tot een nationale partij, eentje die alle bevolkingsgroepen aanspreekt. “Omdat we opkomen voor de meest benadeelden in deze maatschappij en problemen als milieuverontreiniging willen aanpakken, spreek je al snel over de belangen van tribale volkeren. Toch zijn we een bredere partij dan dat. We zien onszelf graag als de groene partij van Suriname. Natuuractivisten en de mensen die willen inzetten op een duurzame economie kunnen zich net zo goed door ons aangesproken voelen. Het is zeker niet zo dat we alleen Inheemsen toelaten binnen onze structuren of later op onze kieslijsten zullen plaatsen. In de aanloop naar de verkiezingen van 2015 zullen we niet genoeg kunnen benadrukken dat we een nationale partij zijn. Ik begrijp het wel wanneer de traditionele achterban roept dat we het Inheems belang dienen. Dat moeten we echter zeker niet té vaak doen. Bovendien: het Inheems belang ís ook het landsbelang! Wanneer het goed gaat met ons regenwoud en de mensen die erin wonen, dan is dat toch goed voor het hele land?” “Ik ben er zelfs van overtuigd dat wij het verschil kunnen uitmaken binnen de hedendaagse politieke blokvorming en de kiezers een écht alternatief aanbieden. Zo kan ik je verzekeren dat ook bij ons wel degelijk mensen rondlopen die op hoog niveau kunnen meedraaien. Het is echter een selffulfilling prophecy. Hoe meer wordt herhaald dat de mensen uit het bos geen eigen kwaliteit in huis hebben en alleen maar uit zijn op het plaatsen van mensen op hoge functies, hoe meer men dat gelooft. Goed voor het zelfvertrouwen en het bewustzijn van de Inheemse jongeren is dat niet. Al vanaf onze jeugd moeten wij opboksen tegen allerlei stigma’s die te pas en te onpas worden bovengehaald. Daarom willen we binnenkort ook trainingen verzorgen voor onze jongeren, zodat ze weer trots worden op wie ze zijn.” “Ik wil mezelf zeker niet voor de gek houden. Als kleine partij zal het ons op korte termijn niet lukken om meteen fundamentele veranderingen door te voeren. Dat zullen we ook niemand beloven, want het zijn net die beloftes die achteraf leiden tot ontevredenheid. Het gaat om de lange termijn. De kiezers moeten ons voor lange tijd blijven ondersteunen, zodat we in staat zijn wel fundamentele veranderingen te brengen. De Amazone Partij mag zeker niet nog eens ten onder gaan. Voortaan zijn we hier om te blijven.”

Wie is René Artist?
René Artist werd geboren in Nickerie, groeide op in Nederland en kwam als tiener terug naar Suriname. Hij studeerde mijnbouwkunde aan de universiteit van Suriname en haalde daarna in de Verenigde Staten nog een masterdiploma in de economie. Zijn vader, Reinier Artist, komt uit het karaïbendorp Bigi Poika, in het district Para. “Ik heb een heel hechte band met Bigi Poika, ook al heb ik er nooit zelf gewoond. Mijn vader, een antropoloog, was de eerste doctorandus van Inheemse afkomst in Suriname. Hij heeft me van kleins af aan bijgebracht dat ik trots moet zijn op mijn roots. Dat ik niet in het binnenland woon, maar in Paramaribo, heeft me eigenlijk nog nooit kritiek opgeleverd. Misschien zal in aanloop naar de verkiezingen wel eens op een podium worden geroepen dat ik geen volbloed indiaan ben, maar tot nu toe is dat nooit gebeurd.” Parlementslid Lesley Artist (NDP) is een achterneef. “Ik heb een heel goede band met hem. Voor hij politiek actief werd, zaten we vaak samen te brainstormen over wat we konden doen voor het binnenland. Ik wilde hem eigenlijk in de richting stuwen van onze Amazone Partij, maar hij heeft gekozen voor de NDP. Verschillende partijen hebben hem benaderd, maar hij koos uiteindelijk voor de partij die hem het meest heeft beloofd.”

Amazone Partij uit de winterslaap
De Amazone Partij zag officieel het levenslicht in maart 2000. De oprichter was Nardo Aloema. Twee maanden later nam de partij al deel aan de verkiezingen, maar dat was allesbehalve een succes. Landelijk werden 611 stemmen gehaald, nog geen kwart procent. In het jaar 2003 smeedde stichter Aloema een samenwerkingsverband met Paul Abena van de Marronpartij Seeka. Het oorspronkelijke plan om in 2005 samen de verkiezingsstrijd aan te gaan, mislukte ternauwernood. Seeka sloot zich aan bij A Combinatie van Ronnie Brunswijk, de Amazone Partij viel buiten de boot. Binnen de partij was vlak voor de verkiezingen tegelijk een interne strijd gaande tussen oprichter Aloema en Kenneth van Genderen, die intussen voorzitter was geworden. Een maand voor de verkiezingen verliet Aloema de partij, nadat bekend werd dat hij geen lijsttrekker mocht worden in het district Marowijne. Mede daardoor liepen ook de verkiezingen van mei 2005 uit op een fiasco. De Amazone Partij sloot zich nog wel aan bij de combinatie ‘Alternatief-I’, maar haalde opnieuw geen enkele zetel. Daarna belandde de partij in een lange winterslaap, die tot enkele maanden geleden duurde.

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Doksenclub van eigenwijze bakra

Doksenclub

 

Gerard van den Bergh (53) besloot enige tijd geleden om Nederland te verlaten en naar het geboorteland van zijn vrouw te trekken, Suriname. In 2010 was hun huis in Lelydorp gebouwd en verhuisden ze. Gerard wilde eigenlijk ‘lekker gaan niksen’ en genieten van zijn pensioen. De verveling sloeg echter snel toe. Als hobby besloot hij doksen, muskuseenden in het Nederlands, te gaan kweken. Nu, drie jaar later, heeft hij een sterk groeiend en stabiel bedrijf.

De Doksenclub ligt aan het eind van de Libanonweg, in een uithoek van Lelydorp. De taxi wringt zich als een slang langs de vele bulten en diepe plassen in het wegdek, die een gemakkelijke doorgang onmogelijk maken. Net als je denkt dat je diep in het binnenland bent terechtgekomen, zie je de oprit van het landgoed Van den Bergh, oprichter van de Doksenclub. “Toen we besloten hadden om naar Suriname te verhuizen, wisten we al dat we niet in de stad wilden wonen”, vertelt Gerard. “Dat was ons te druk. Ik wilde een stuk land van minstens vijfduizend vierkante meter. Toen we bij dit perceel aankwamen, zijn we onmiddellijk weer vertrokken, zonder een kijkje te nemen. Het was 23 hectare groot, had geen water en geen stroom en de weg ernaartoe was barslecht. Dat zag ik niet zitten, maar na enkele maanden hadden we nog steeds niets gevonden, dus heb ik een bod gedaan. We hebben een bron laten boren en elektriciteit laten aanleggen, want dat liep slechts tot aan de brug. Daarna hebben we ons huis laten bouwen en in 2010 zijn mijn vrouw en ik officieel uit Nederland vertrokken.”

De aanhouder wint
Gerard was in Nederland directeur onroerend goed bij olieproducent Gulf. Eenmaal gesetteld in Lelydorp sloeg de verveling al snel toe. Hij begon met het kweken van doksen. Iets wat door velen afgeraden werd. Gerard: “Ik wist niet wat een doks was en ik wist ook niets van pluimvee af. Ik begon te researchen en ondervond al snel dat een doks niet zo gemakkelijk te verkrijgen was in Suriname. Er was namelijk helemaal geen continuïteit. Soms waren ze te krijgen, soms niet en bovendien waren de doksen hier vaak taai. Dertig doksen bestellen voor een trouwerij bijvoorbeeld was onmogelijk. Restaurant Roopram importeerde zelfs vanuit het buitenland. Dat was voor mij reden om zelf te gaan kweken. “We startten eerst met natuurlijke kweek van doksen. Je koopt een doksie (vrouwelijke doks) en een doksa (mannelijke doks) en laat ze paren. Ook daarbij was geen sprake van continuïteit. Soms had je veertig eieren, dan tien en de week erop weer tachtig. Die continuïteit is net belangrijk als je een degelijk bedrijf wilt opstarten. Het tweede probleem was het uitbroeden van de doksaeieren. Dat is het moeilijkste wat er is. Er zijn hier ondernemers geweest die me letterlijk en figuurlijk uitlachten en zeiden: ‘Eigenwijze Bakra, een doksaei kan je niet uitbroeden.’ “Ik heb anderhalf jaar van alles geprobeerd. Zelfs eieren wassen met vaatwastabletten. Ook mijn vrouw zei na een tijd dat ik er beter mee kon stoppen. Maar ik wilde niet opgeven. Men kan met een raket naar de maan vliegen, maar een eitje uitbroeden zou niet gaan? Ik bleef volhouden. Uiteindelijk lukte het met behulp van broedmachines, dan gaat de bal aan het rollen en verbeter je het resultaat elke keer. Op den duur heb je een bedrijf en dan gaat het hard.”

Gerard van den Bergh

Doksie, doksa
Doksen worden voornamelijk gegeten door Hindostanen. Je zal ze dus vooral vinden in de vele rotishops in Suriname. Maar Gerard wil in zo veel mogelijk restaurants en winkels zijn doksen zien liggen. “Toen ik mijn businessplan schreef, dacht ik dat de horeca van essentieel belang zou zijn en de supermarkten van ondergeschikt belang”, zegt Gerard, “en daar zat ik blijkbaar fout, want het is juist andersom. Het aantal doksen dat je verkoopt aan restaurants valt in het niets in vergelijking met de aantallen die je verkoopt in een supermarkt. Het probleem dat we hadden in het begin was dat velen het verschil tussen een doks en een kwa kwa niet kennen. Als ik mijn doks in de Chinese supermarkten ging aanbieden, dan zeiden ze me dat ze die al hadden liggen. Toen ik ging kijken bleek het kwa kwa te zijn. We waren genoodzaakt om een brochure te maken in het Chinees die de verschillen tussen beide uitlegt. Dit heeft ons enorm vooruit geholpen en we krijgen er steeds meer en meer winkels bij.” Gerard laat zijn dokseieren overkomen uit Frankrijk van het internationaal gekende bedrijf Grimaud Frères Sélection, want met de Surinaamse eieren zijn er problemen. “De doksen van Suriname zijn verbasterd door de inteelt”, getuigt Gerard, “dat noemen ze hier krua krua. Door de jaren heen zijn de doksen en de kwa kwa steeds kleiner en kleiner geworden en gaat de kwaliteit meer en meer achteruit. “Een lokale doksa heeft 22 tot 26 weken nodig eer hij volgroeid is en dan weegt hij slechts drie kilogram, die kan je dan voor zeventig of tachtig srd verkopen. Zo verdien je geen geld. Bij ons zijn ze vijf kilogram na amper twaalf weken. Dat wil zeggen dat we ze half zo veel voer moeten geven en dat bespaart veel kosten. De oude Surinaamse kwekers zijn nog heel traditioneel op dat vlak. Grootvader en vader deden het op een bepaalde manier, dus zij doen het ook zo. In hun ogen is het onmogelijk om een doks van vijf kilogram te hebben op slechts twaalf weken, want zoiets hebben ze nog nooit gezien in de twintig jaren dat ze in de business zitten. Men kan het vergelijken met vijftig of zestig jaar geleden toen er nog geen slachtkippen waren in Suriname. In het begin werd het ook onmogelijk geacht dat een kip zo groot kon worden en was men ervan overtuigd dat ze hormonen ingespoten kregen. Vandaag is de slachtkip niet meer weg te denken en in enkele jaren zal dat ook voor de doks gelden.”

Broodje aap
Gerard had het als blanke buitenlander niet altijd even gemakkelijk om zijn plannen te realiseren. Er kwam nogal eens wat kritiek zijn richting uit. “Er deed al snel een verhaal de ronde dat we hormonen zouden gebruiken om onze doksen zo dik te maken”, getuigt Gerard. “Plots stond STVS voor de deur met draaiende camera’s met de vraag of we hormonen gebruiken en of ze mochten komen filmen. Ik heb ze onmiddellijk binnen gevraagd. We hebben niets te verbergen, mensen mogen altijd langs komen en foto’s nemen. We doen alles zoals het hoort. We zijn een schoon bedrijf en zijn gecertificeerd. We kopen normaal voer, zonder hormonen of andere afval erin. Dat was dus een broodjeaapverhaal, maar dat onverwachte bezoek van STVS is omgeslagen in heel goede reclame.” Gerard denkt nog niet aan stoppen en pensioen, maar opvolging is al verzekerd. “Het werd steeds drukker op de farm en we hadden meer personeel nodig”, zegt hij. “We hadden het liefst familie binnen het bedrijf, dus sinds een maand of zes is mijn dochter met haar man en zoon ook verhuist naar Suriname. Dat geeft ons ook de gelegendheid om eens op reis te gaan, want vroeger, toen het enkel ik en mijn vrouw was, kon dat niet of we waren 150 doksen kwijt. Nu is er altijd iemand aanwezig op de farm en kunnen er geen doksen gaan vliegen. “Maar dit is een heel mooi bedrijf en ik ben nog niet snel van plan om ermee op te houden. Integendeel, ik hoop zelfs dat het een heel groot bedrijf zal worden, want het is leuk om het te zien groeien. Grond hebben we toch genoeg. Momenteel zijn we aan het uitbreiden door een tweede broedmachine aan te kopen. We hadden al veel groter kunnen zijn, had ik steun gekregen van een bank, maar op een lening hier in Suriname kan je niet rekenen. Je moet al een onderpand van één miljoen euro kunnen aanbieden om slechts tweehonderdduizend euro te lenen. Ik heb dus heel veel geld zelf moeten investeren in dit bedrijf. Zoiets doe je niet als het ondernemen niet in je bloed zit.”

 

Doksenweetjes
• Er worden jaarlijks gemiddeld 60.000 doksen verkocht
• De doksie (vrouwlijke doks) wordt na 77 dagen geslacht en drinkt in die tijd 22 liter water, de doksa (mannelijke doks) na 91 dagen en drinkt 45 liter water
• Een doks eet 2,75 maal zijn eigen gewicht aan voer op. Een doks van vijf kilogram eet dus 13,75 kg in zijn leven

Verschil tussen doks en kwa kwa
Er zijn enkele essentiële verschillen tussen een doks (of muskuseend) en een kwa kwa (of pekingeend). Om te beginnen komen ze uit verschillende delen van de wereld. De doks komt uit Midden- en Zuid-Amerika en werd vanaf de zestiende eeuw naar Europa geëxporteerd. De naam van de pekingeend verklapt waar de eend vandaan komt, namelijk uit de Chinese hoofdstad Peking (Beijing). Sinds de dertiende eeuw wordt de eend er smakelijk opgepeuzeld. In Suriname wordt de doks voornamelijk gegeten door Hindostanen en verkocht in hun rotishops. De kwa kwa kan je vooral kopen in de Chinese winkels en restaurants. Ook in het groeiproces zijn er verschillen. De doks heeft een broedtijd van 35 dagen en een kweektijd van 77 tot 91 dagen. Bij de kwa kwa is dat respectievelijk 28 dagen voor de broedtijd en 42 tot 56 dagen kweektijd. Dit zorgt ervoor dat een kwa kwa een kilo lichter is dan een doks. De verschillen zijn ook te proeven. Een kwa kwa smaakt veel zoeter dan een muskuseend.

Van het ei tot op het bord
• De eieren worden geïmporteerd uit Frankrijk. Ze vliegen vanuit het hoofdkantoor van Grimaud Frères Sélection in Roussay, via Amsterdam, naar Suriname. Grimaud is een wereldwijde pluimveekwekerij met een uitstekende reputatie.
• Eenmaal aangekomen bij de Doksenclub in Lelydorp gaan de eieren de broedmachine in voor 35 dagen. De broedmachine heeft een slaagpercentage van 89,9 procent.
• Als de vijfduizend kuikens eenmaal uitgekomen zijn, gaan ze enkele weken het Kuikenhok in, waar het continu dertig graden Celsius is, zodat ze niet sterven aan onderkoeling.
• Hierna verhuizen ze naar het Doksenhok. In dit droge hok (uitwerpselen vallen door roosters naar beneden) ligt de temperatuur lager en hier blijven de doksen tot ze slachtklaar zijn.
• Alle doksen worden op de boerderij geslacht en gaan onmiddellijk de vriezer in.
• Hierna worden de doksen gedistribueerd en verkocht aan supermarkten en restaurants over het hele land.

 

 

Comments ()
donderdag, 01 augustus 2013 00:00

Het WK blijft een droom

De klad zit nog steeds in het voetbal

Het WK blijft een droom

WK

Voetbal is nog altijd de meest beoefende sport in Suriname. En sinds mensenheugenis is het de droom van velen om onze nationale selectie te zien schitteren op een wereldkampioenschap. We leken er vroeger dichterbij. Maar klopt dat wel?

Het Surinaamse voetbal heeft in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw spraakmakende pieken gekend. Althans, zo lijkt het. Een terugblik in de geschiedenis, gesprekken met oudtopvoetballers en de voetbalstatistieken vertellen over deze spraakmakende periode echter een iets ander verhaal. Ook toen rommelde het al op veel fronten, zowel binnen als buiten de lijnen. Maar het voetbal leefde wel. Suriname heeft op landenniveau slechts twee hoogtepunten gekend: in 1977 drong ‘Natio’ door tot de laatste groepsronde voor deelname aan het wereldkampioenschap (WK). En in 1978 werd Suriname de eerste Caribbean Football Union-kampioen. Maar een eindronde van het WK wist ons land nooit te bereiken. Terwijl op clubniveau Suriname keer op keer prijzen in de wacht wist te slepen. Een voorbeeld is de Concacaf Champions League, waarvan Transvaal in 1973 voor het eerst kampioen werd. De club wist dit te herhalen in 1981. In 1975 en 1986 werd Transi semi-kampioen. Robinhood werd in 1976, 1977, 1982 en 1983 semi-kampioen. Naast deze prestaties zijn er tal van mooie wedstrijden gespeeld tegen Braziliaanse teams zoals Paisandu en Santos. Ook tegen Nederlandse clubs als Ajax en Feyenoord kwamen wisten onze jongens flink tegenstand te bieden.

Kaliber
Waar lag het aan, dat Suriname het destijds goed deed op clubniveau? Errol ‘Emau’ Emanuelson, oud-speler van Robin Hood en vader van de befaamde ex-Ajacied en huidig AC Milan-speler Urby Emanuelson, was onlangs voor vakantie in Suriname. Een mooie gelegenheid om met hem terug te blikken op die succesvolle Surinaamse voetbaljaren. Hij begon bij SV Tuna, maar na vier jaar stapte hij over naar Robin Hood. “Bij Tuna kon je niet naar het buitenland, want die club werd geen kampioen.” In het buitenland spelen, was volgens hem een enorme beloning. “Bij Robin Hood had je bijvoorbeeld Entingh, George, Leeflang, Garden, Rustenberg, Barron en Burleson. Dat waren spelers van kaliber.” Robin Hood en Transvaal waren de vlaggenschepen van die tijd, zij behaalden de meeste landstitels. “Het was een vete als die twee het tegen elkaar op moesten nemen. De spelers van Transi en Binhood waren gewoon vrienden, maar niet tijdens de negentig minuten die ze moesten spelen. Bundel en George bijvoorbeeld, die in het dagelijkse leven haast elke dag samen waren, stonden als aartsvijanden in het veld. Ze hielden geen rekening met elkaar, ondanks dat ze vrienden waren.” Het succes van de topvoetballerij was destijds niet alleen te danken aan talent. Zoals menigeen zich vast nog kan herinneren, is de sfeer in de stadions en de discipline van de spelers van toen niet te vergelijken met nu. “Er was sprake van humor en plezier”, zegt Emanuelson. “En als je het stadion binnenkwam, zag je de tribune helemaal propvol. Dat legde wel een enorme druk op ons. Niet alleen de persoonlijke inzet droeg bij aan de prestaties van de spelers, ook de houding van het clubbestuur speelde een belangrijke rol. Dat was erg betrokken bij het welzijn van de spelers. Het resultaat hiervan was loyaliteit en clubliefde van de spelers.”

Keerzijde
Bij de nationale selectie daarentegen was het een ander verhaal. “Je zag bepaalde bestuursleden van de Surinaamse Voetbal Bond (SVB) alleen bij de training langs de lijnen zitten wanneer wij naar het buitenland moesten. Ik heb nooit een bestuurder gezien die kwam vragen ‘wat moet ik voor je doen of wat heb je nodig?’ Nooit! Als spelers hielden we niet van bestuurders die meegingen naar het buitenland. Dat soort mannen hadden we niet nodig en dan klikte het dus niet met de selectie.” Ook de organisatie voor buitenlandse wedstrijden was slecht. Spelers kregen een schrale beloning van 7,50 Surinaamse gulden als ze met de selectie weggingen. Emanuelson haalt het voorbeeld aan van de eindronde van de WK-kwalificatie in 1977 in Mexico. “We waren met zijn negenen van Robin Hood, de rest was van Transvaal. Dat trainer Ro Kolf van Robin Hood meeging, wekte wrevel bij de Transvalers. Vanaf het begin van deze reis ging het mis: er was geen geld, geen trainingsveld, geen ploeg om tegen te oefenen. Ze hadden een piki piki-ploeg bijeen getrommeld om tegen ons te komen spelen, in een stadion met slechte verlichting. Tot overmaat van ramp werden Siegfried ‘Gusto’ Rustenberg en Roy Belfor tijdens een tussenstop in Medellín, Colombia neergeschoten. We moesten de reis verder voortzetten met twee gewonden, die ook nog eens werden getreiterd door overige teamgenoten. Dat kan toch niet leuk zijn? Daardoor werd er ook in het veld niet goed gepresteerd.”

WK 1

Afleidingen
Wensley Bundel, oud-international en ex-trainer van de nationale selectie, heeft prettigere herinneringen aan de tijden van toen. “We waren altijd gemotiveerd om te spelen voor Suriname. Er was destijds niet veel anders om je mee bezig te houden. De vele hedendaagse afleidingen zoals internet en de BlackBerry waren er niet. Vroeger focusten we ons alleen op voetbal, voetbal, voetbal.” Tegenwoordig is de motivatie niet altijd optimaal. “Op dinsdag en donderdag kwamen de spelers bijeen om te trainen, drie uren per dag. Ook al was de interlandwedstrijd pas over vijf maanden, we trainden constant door. Vandaag de dag gaat men een maand voor de interland beginnen met de training van de selectie. Dus je ziet hoe de verandering is. Niet alleen aan de leiding schort het, ook aan de jongens. Want als je een extra dag wil inlassen om te trainen, dan hoor je ‘Trena a san o hebi.’ Het is zwaar trainer... Ze hebben altijd andere dingen te doen.” “Het Surinaamse voetbal is niet achteruitgegaan, het ontbreekt echter aan grote persoonlijkheden in het veld”, stelt Ro Kolf. Hij kan het weten, want al decennialang heeft hij topclubs als Robinhood en Transvaal getraind. “De clubs van vroeger hadden persoonlijkheden, maar de wijze waarop werd gevoetbald als team, was minder. Wij weten nu veel meer over teamfuncties en -regels. Als we deze kennis toen hadden, was Suriname gekwalificeerd voor het WK. De voetbalpersoonlijkheden van toen waren de SVB en de coaches ver vooruit.” Kolf is toch positief over de ontwikkelingen in de laatste jaren. “In de breedte is het voetbal sterk gedecentraliseerd. Wij zijn op dat stuk vooruit gegaan. Veel meer mensen nemen deel aan voetbal en veel meer mensen leven mee met de sport. Vroeger was voetbal geconcentreerd op Paramaribo, waardoor het stadion steeds vol was. Maar nu wordt er op verschillende plekken gevoetbald.”

Afdwingen
In april van dit jaar werden bestuursverkiezingen gehouden bij de SVB. De nieuwbakken voorzitter John Krisnadath mag de scepter zwaaien en moet proberen een frisse wind te laten waaien in de voetballerij. Al tientallen jaren wordt gesproken over hoe het Surinaamse voetbal mee kan doen met de wereldtop, resultaten blijven echter uit. “Sport kost geld”, benadrukt Emanuelson. “Men zal het Surinaamse voetbal moeten ombuigen en bij de onderbouw, bij de kleintjes, moeten beginnen. Spelers moeten worden opgeleid op het vlak van mentaliteit, voetbalvaardigheden, structuur en discipline. Zelf kunnen jonge spelers niets, de organisatie zal een voortrekkersrol moeten vervullen.” Daar ligt dus een schone taak voor de SVB. Maar helaas was John Krisnadath niet bereid om tekst en uitleg te geven over de strategie van zijn bestuur. Hij had “geen tijd” om te praten over de richting die het Surinaamse voetbal op moet gaan om in de toekomst succes af te dwingen. Daardoor kunnen we alleen maar gissen of de SVB de zaken serieus aan gaat pakken om de eeuwigdurende droom ‘Suriname op weg naar het WK’ eindelijk te verwezenlijken. Nu moeten we het nog even doen met de herinneringen aan de mooie clubsuccessen uit het grijze verleden.

Comments ()