Stacey Djojopawiro

Stacey Djojopawiro

maandag, 22 augustus 2016 10:10

Nonsens

‘Tarweproducten gevaar voor gezondheid’

Tegenwoordig circuleren over tarweproducten, met name over brood, allerlei onheilstijdingen. Brood zou een dikmaker zijn, te veel mensen zouden allergisch of intolerant zijn voor tarweeiwitten (gluten) en tarwe zou de bron zijn van vele aandoeningen. Tarweproducten in het algemeen en brood in het bijzonder hebben echter terecht een plaats in een evenwichtige voeding. Er zijn geen wetenschappelijke gronden om tarweproducten uit onze voeding te elimineren. Ze geven juist een gezonde portie energie met essentiële voedingsstoffen zoals eiwitten, vitaminen en mineralen. (Volkoren)brood is een goede bron van voedingsvezels, en tarweproducten op zich zijn niet de oorzaak van diabetes, kanker, autisme, ADHD of Alzheimer. Consumptie van aanbevolen hoeveelheden brood is niet de oorzaak van overgewicht en obesitas, het verslavende karakter van tarwe is niet wetenschappelijk vastgesteld en het volgen van een glutenvrij dieet zonder medische reden is omwille van onder meer het risico op voedingstekorten af te raden.

Bron: www.gezondheid.be; www. brood.net; www.knack.be

Henk Menke is gepensioneerd dermatoloog en tegenwoordig medisch historicus. Hij heeft diverse artikelen over de Surinaamse leprageschiedenis gepubliceerd en werkt nu aan een boek over het patiëntenperspectief op deze ziekte. Menke gaat voor Parbode dieper in op de materie.

Wat is lepra eigenlijk?
“Lepra heeft in Suriname vele namen, zoals boasi, kokobe en takru siki. Het wordt veroorzaakt door een bacterie die op verschillende manieren wordt verspreid, namelijk door hoesten en niezen, door de lucht dus, maar ook door huid-op-huidcontact en mogelijk ook via de grond. Vanwege aangeboren of verworven weerstand, krijgt overigens lang niet iedereen die besmet wordt ook werkelijk lepra. Tijdens de koloniale tijd kreeg meer dan 1 op de 100 mensen per jaar de ziekte, nu is het aantal nieuwe patiënten gedaald naar minder dan 1 op de 10.000 inwoners. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie WHO, worden ieder jaar wereldwijd ongeveer 250.000 nieuwe gevallen van lepra vastgesteld. De drie grootste ’leveranciers’ van nieuwe leprapatiënten zijn India, Brazilië en Indonesië. Merendeels zijn het de armen die de ziekte krijgen, zij wonen in een onhygiënische omgeving, eten niet gezond en hebben geen toegang tot goede medische zorg. “Door de leprabacterie worden huid en zenuwen aangetast. Kenmerken van de ziekte zijn gevoelloze witte vlekken, verdikkingen en knobbels op de huid. Vingers en tenen kunnen door gevoelloosheid ongemerkt beschadigen, afsterven en verworden tot stompen. Door verlamde oogleden sluiten ogen soms niet meer goed, wat tot blindheid kan leiden.”

Verder lezen? Koop dan nu de Parbode. Nog tot eind deze maand in de winkel en daarna verkrijgbaar via de redactie.

Comments ()

Het ministerie van Sport- en Jeugdzaken moest er van president Desi Bouterse voor zorgen dat onze jongeren van de overheid eindelijk de aandacht kregen die ze verdienden. Zes jaar later komt echter de ene affaire na het andere schandaal aan de oppervlakte. Parbode helpt mee het deksel van de beerput te lichten.

Het is 31 december 2014, owruyari, enkele uren te gaan voor en met nog amper nieuwjaar viert het hele land feest. Hoewel, het hele land? Terwijl de pagara’s al duchtig knallen en tienduizenden feestende mensen de binnenstad van Paramaribo op zijn kop zetten, wordt die dag koortsachtig doorgewerkt op het in 2010 door president Desi Bouterse ingestelde ministerie van Sport- en Jeugdzaken.

Ambtenaren die overuren maken op een feestdag, dat klinkt als een goede zaak. Ware het niet dat minister Ismanto Adna – een weinig charismatische bedrijfseconoom en lid van de KTPI – die dag zijn handtekening plaatst onder de beslissing acht islamitische verenigingen in het district Nickerie voor maar liefst 128.000 Surinaamse dollar te subsidiëren. Een deal die rammelt aan alle kanten, zo blijkt uit door ambtenaren gelekte documenten en onderzoek door Parbode en nieuwssite Starnieuws.

Verder lezen? Koop dan nu de Parbode. Nog tot eind deze maand in de winkel en daarna verkrijgbaar via de redactie.

Comments ()
donderdag, 28 januari 2016 17:58

Boeroe, boer

‘Boeroe’, de aanduiding voor de nazaten van die groep Gelderse boeren die in 1845 hierheen geloodst werden door een dominee, die ook zijn riante woning liet overkomen (de latere dc-woning). De overlevenden van dit verschrikkelijk mislukte kolonisatie-experiment in Saramacca werden uiteindelijk op gronden buiten de hoofdstad Paramaribo gevestigd, alwaar zij groenten en melk in de stad verkochten, in hun coöperatie-verkoopstalletje genaamd ‘ons Belang’, een landelijk bekend geworden begrip.

toen de stad zich uitbreidde, deden vele Boeroes goede zaken met het verkavelen. Welke Surinamer kent niet de namen tammenga, Van Dijk, Van Brussel, Veldhuizen, Mones, Gummels, Van Ravenswaay, Rijsdijk en Loor? hindostaanse blijvers kochten vaak bij deze Boeroes hun gronden aan de Kwatta, en leerden van hen kleinlandbouw en veeteelt. En misschien omdat ze concurrenten werden, klikte het soms niet zo goed tussen mannen uit beide groepen.

In een VWo-onderbouwklas merkte ik dat tijdens de taalles. toen kinderen tweelettergrepige woorden met de oe-klank erin moesten noemen, riep een hindostaanse jongen keihard ‘boeroe’ en lachte smalend naar betrokkene. toen die aan de beurt was, brulde hij ‘koelie’, waarna ze elkaar bijna in de haren vlogen. In het Sarnami is ‘boer’ nog erbij de aanduiding van het vrouwelijk geslachtsdeel en met de toevoeging ‘jouw moeders….’ (tor mai ke…) vormt het de ergste Sarnami-vloek. opvallend dat dit net zo is bij de Creolen (yu ma… plus geslachtsdeel) nooit is het: ‘tor baab ke…’ (je vaders…) of ‘yu pa…fluitje’. Maar ook de Angelsaksen (mother f…) en andere internationalen gebruiken ‘moeder’ in hun ergste vloeken; wat scheelt ons?

De nazaten van de Boeroes zijn intussen zo Surinaams als Surinaams kan zijn, en zijn volledig in onze samenleving verweven. Maak de fout dus niet om een Boeroe ‘bakra’ te noemen.

tekenend is de volgende true story: De meester ergens op een nickeriaanse polderschool had zijn kindertjes leren zingen: ‘…zo maait de boer zijn koren…’ Chandrikaperkash, zeven jaar oud, zingt dit leuke liedje luidkeels de hele dag thuis. Zijn vader hoort deze klanken, wordt verschrikkelijk boos, geeft Chandrika een origineel pak rammel en gaat de volgende dag mee naar school om z’n beklag te doen, want ‘meester leert zijn zoon vieze liedjes’. niet: ‘Janus, Janus pak me nog een keer’ of ‘Laat doorgaan, van achteren en van voooren’, maar ‘zo maait de boer…’. Dat klonk hem in de oren als ‘tor mai ke b….’.

Ga dát nu met je schooltaal-nederlands bij die boze pa rechtzetten!

Comments ()
dinsdag, 26 januari 2016 10:42

Zenobia

Vlak voor het jaar waarin de grande dame van de Surinaamse literatuur tachtig hoopt te worden, publiceerde Cynthia Mc Leod haar zesde historische roman. De schrijfster is natuurlijk vooral bekend van Hoe duur was de suiker?. De uitgever noemt Zenobia Mc Leods ‘magnum opus’ (grote werk, of hoofdwerk), maar dat is te veel eer. Hoewel het haar eerdere werk zeker niet overtreft, is Zenobia een verdienstelijk boek geworden. Als slavin in het Suriname van de achttiende eeuw, is Zenobia getuige van de bestuurlijke wanorde in de kolonie. Ze is in dienst bij de latere weduwe Audra en maakt van dichtbij mee hoe een groep rijke planters, de ‘Cabale’ genoemd, zich verzet tegen het gouvernement. Mc Leod schrijft in de heldere, vrij beknopte en concrete stijl die we van haar gewend zijn. Ze geeft veel beschrijvingen, zodat de lezer de comfortabele plantershuizen, de chaotische stad en de ontwikkeling van de jonge plantage Berg en Dal levendig voor zich kan zien. De compacte schrijfstijl maakt het boek geschikt voor minder ervaren lezers, waardoor het vast vaak op leeslijsten van middelbare scholen zal belanden. De schrijfster begeeft zich op bekend terrein; de slavernij is haar belangrijkste thema en soms komen er zelfs personages uit eerdere boeken langs (De vrije negerin Elisabeth). Voor dit boek heeft Mc Leod veel onderzoek gedaan en ze legt er de nadruk op dat het verhaal waargebeurd is. Die nadruk blijkt bijvoorbeeld uit een bijlage ‘Bronnen en literatuur’. Wetenschappelijke pretentie zal die lijst niet hebben, daarvoor is deze te willekeurig en te vaag (het is niet duidelijk wat Mc Leod waar gevonden heeft), maar de schrijfster zal ermee willen laten zien dat ze het verhaal niet verzonnen heeft. Collega-auteur Gerard Reve zei al: ‘Waargebeurd is geen excuus’. De realiteit is vaak complex, saai en onwaarschijnlijk. Mc Leod had er daarom beter aan gedaan wat meer in te grijpen, zo had ze ons bijvoorbeeld die hele stoet saaie gouverneurs en dominees kunnen besparen. In Zenobia spreken de slaven onderling Sranantongo, ook daarmee lijkt Mc Leod de authenticiteit te willen benadrukken. Dat is jammer; het maakt het boek niet alleen lastig leesbaar voor iedereen die deze taal niet machtig is (per bladzijde staan er soms wel negen voetnoten die verwijzen naar de vertaling, dat houdt behoorlijk op), het is ook raar, omdat ze de blanken 21e-eeuws Nederlands laat praten, terwijl het ‘neger-engels’ van de achttiende eeuw vast ook afweek van het Sranan van nu. Het boek kent zeker minpunten, maar Cynthia Mc Leod is er weer in geslaagd om een belangrijk stuk Surinaamse (en Nederlandse) geschiedenis te ontsluiten voor een groot publiek. Dat valt te prijzen.

Zenobia – Slavin op het paleis, Cynthia Mc Leod, 2015, Uitgeverij Conserve, ISBN 978 90542 9 399 6

Comments ()
maandag, 20 april 2015 21:33

Schitteren in klantonvriendelijkheid

Je loopt er in Suriname meer dan regelmatig tegenaan: de klantonvriendelijkheid in winkels, bij overheidsinstanties en bedrijven. Iedereen ergert zich er dood aan maar accepteert het vaak gelaten. Doe je je mond toch open, dan word je getrakteerd op verongelijkte blikken. Klantvriendelijkheid zit Surinamers kennelijk niet in de genen.

Als vader van een vrolijke dreumes mag ik iedere week bij de apotheek van de RGDpoli te Geyersvlijt twee blikken Nutrilon halen. Ik zou een dief van mijn eigen portemonnee zijn als ik dat niet zou doen; de babyvoeding wordt royaal gesubsidieerd door lanti. In de winkel zou ik er een veelvoud voor moeten betalen. Maar ondanks het financiële voordeeltje, stap ik iedere week met een beetje meer tegenzin de apotheek binnen. Met dank aan het onvoorstelbaar chagrijnige en vaak onbeschofte personeel.

Allereerst is het volstrekt zinloos om al om zeven uur ’s morgens binnen te stappen bij de apotheek, hoewel dat de officiële openingstijd is volgens het opschrift op het bordje buiten. Als je geluk hebt, komt de eerste medewerkster tegen half acht aansloffen. Tegenzin straalt van haar gezicht af, waarschijnlijk door het vooruitzicht dat ze weer de hele dag klanten moet helpen. Ze moet trouwens dikwijls ‘nee’ verkopen aan ouders die Nutrilon komen halen, want de bevoorrading laat vaak te wensen over. En daar worden de klanten weer niet vrolijk van.

Ik denk dat ik inmiddels zo’n vijftig keer de ‘melkpoederbalie’ in de apotheek heb bezocht. De medewerkster heeft welgeteld één keer een woord tegen mij gesproken: ‘Ja’. Ik heb dat opgewonden bij thuiskomst verteld, zo bijzonder vond ik het. Ze is in staat om alles zwijgend te doen: registratiekaart in ontvangst nemen, afrekenen en de blikken Nutrilon afgeven. En als die er niet is, dan wijst ze nonchalant met haar vinger naar het kartonnetje op de balie waarop staat dat er geen Nutrilon is. Het gemak dient de mens…

Er zijn klanten die deze zwijgzaamheid helemaal niet op prijs stellen. Zo maakte ik onlangs mee dat een vader bij binnenkomst vrolijk groette, maar van geen van de medewerksters respons kreeg. Hij ontstak in woede en vroeg of ze geen manieren hadden geleerd. Dat had hij beter niet kunnen doen; het trio achter de balie bleek opeens goed gebekt en schold hem de huid vol.

Helaas is dit voorbeeld geen uitzondering als het om de dienstverlening in ons land gaat. Het is zelfs eerder regel. Zelfs de aardigste mensen veranderen soms in onvriendelijke lomperiken zodra ze een uniform aantrekken, achter een kassa gaan zitten, achter een toonbank gaan staan of op een terrasje klanten moeten bedienen. En dan zwijg ik maar over de botheid waar je tegenaan kunt lopen als je een overheidsinstantie als het CBB bezoekt.

Nu gaat het natuurlijk veel te ver om iedereen over een kam te scheren. Waarschijnlijk is de klantvriendelijke groep werknemers veel grotere dan de groep onvriendelijke. Maar de aardige mensen blijven je vaak niet bij, de botteriken wel. Vooral in de toeristensector is het funest om chagrijnig personeel te hebben, dat kan op den duur zelfs economische gevolgen
hebben. Verwende buitenlandse bezoekers kunnen het hier nog zo naar hun zin hebben, een paar minder prettige ervaringen in het hotel, een restaurant of met een gids zullen ze als eerste vertellen als ze weer terug zijn in eigen land.

Een bevriende docent aan één van de toeristenopleidingen zegt dat zijn studenten van alles te leren valt en daar ook slim genoeg voor zijn, maar dat het vrijwel onmogelijk is om ze klantvriendelijkheid bij te brengen. Ook hij kan er na jaren van lesgeven geen verklaring voor geven waarom die karaktertrek bij menigeen ontbreekt. “Ligt en aan de opvoeding, het onderwijs? Ik weet het echt niet en zal er waarschijnlijk nooit een vinger achter kunnen krijgen”, zo zegt hij bijna gelaten. Ik begrijp hem en zal ook nooit te weten komen waarom de \ babyvoedingsdame van de RGD chronisch humeurig is. Ik kan alleen maar hopen dat ooit de zon voor haar gaat schijnen.

donderdag, 15 januari 2015 00:00

De brug over de rivier Oyapock

Een betonnen mythe

Een brug die Brazilië met Frankrijk verbindt, dat moet een grap of hallucinatie zijn. Ware het niet dat het hier gaat om een brug over een rivier in Zuid-Amerika, die Brazilië scheidt van Frans - Guyana, een overzees departement van Frankrijk. De Oyapock is niet eens zo’n brede rivier, dus zo vreemd was het plan voor de aanleg van een brug nu ook weer niet. Toch is de brug al drie jaar een spookbrug: hij ligt er wel, maar je kunt er niet overheen.

Het gebied waar de brug tussen Frankrijk en Brazilië is gebouwd, wordt door de bewoners ‘de vallei van Oyapock’ genoemd. Op de ene oever ligt Saint - Georges, een kleine gemeenschap van vierduizend inwoners. Op de andere oever ligt Oyapock, een dorp met zo’n 24.000 inwoners. Iedere ochtend bij zonsopgang varen er tientallen pirogues, kleine bootjes, van de ene naar de andere oever. Braziliaanse kinderen gaan naar school aan de Franse kant, zonder paspoort, zonder politiecontrole. Het is als het oversteken van een straat. De bewoners van de vallei spreken Creools, Frans, Portugees. Velen gaan ongemerkt over van de ene op de andere taal. De voorbije eeuwen hebben een unieke gemeenschap voortgebracht: mensen van het water en het bos.

Het idee om Frankrijk en Brazilië op deze afgelegen plek met elkaar te verbinden, ontstond in 1997, na een ontmoeting tussen de Franse president Jacques Chirac en zijn Braziliaanse collega Fernando Henrique Cardoso. Het moest een nieuwe fase inluiden in de Frans - Braziliaanse betrekkingen. Probleem was destijds wel dat er aan beide zijden van de geplande brug geen noemenswaardige wegen waren. Naar de hoofdstad Cayenne, aan de kust van Frans-Guyana, lag alleen een onverharde weg. En in Brazilië voerde een eveneens onverharde weg over honderden kilometers naar Macapá, de hoofdstad van het district Amapá. Deze ‘BR-156’ is nog steeds voor een groot deel niet geasfalteerd.

Verder lezen? Koop dan nu de Parbode. Nog tot eind deze maand in de winkel en daarna verkrijgbaar via de redactie.

Comments ()
donderdag, 19 februari 2015 21:30

Eiland verdeeld over dure duurzame energie

Aruba wordt beetjebij beetje ‘groen’

Investeren in duurzame energie lijkt, gezien het huidige elektriciteitstekort, noodzakelijker dan ooit. Op 26 en 27 november is dit een van de gespreksonderwerpen tijdens het handelscongres ‘Duurzaam zaken doen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname’ dat in Royal Torarica wordt gehouden. Suriname kan veel leren van vooral de Caribische delen van het koninkrijk. Zo stapt Aruba steeds meer over op groene energie. Nog niet zoveel als gewenst en gehoopt, maar toch…

Aruba is een paar jaar geleden door de bouw van tien grote windmolens in één klap een stuk duurzamer geworden. Volgens officiële bronnen zou daarmee achttien procent van de energiebehoefte van het eiland gedekt zijn. Dit percentage is in werkelijkheid waarschijnlijk lager, omdat er vaak molens stuk zijn. Maar hoe dan ook: het is van niets naar iets, want behalve deze windmolens is er op het gebied van duurzaamheid weinig positiefs te melden.

Een paar uitzonderingen daargelaten, zijn nergens zonneboilers te bekennen. De Arubaan baadt koud, of zal een elektrische boiler gebruiken. Er zijn verder nauwelijks zonnepanelen voor de opwekking van elektriciteit te vinden. Als je over het eiland vliegt, zie je de geelbruine rookpluim van het Water- en Energie Bedrijf (WEB), waar met stookolie drinkwater uit zeewater wordt gemaakt, een energieverslindende bezigheid. Je zou toch denken dat de eilanders regenwater opvangen, maar niets daarvan. Er zijn nergens dakgoten of regentonnen, men besproeit de tuin en wast de auto met prijzig drinkwater. Er zijn meer voor de hand liggende oplossingen die niet worden gebruikt, zoals bij het dorre en rotsachtige landschap dat zoveel groener zou kunnen zijn. Want de neerslaghoeveelheid van gemiddeld zeshonderd millimeter is weliswaar veel lager dan Suriname, maar slechts een klein beetje lager dan die in Nederland. De zware buien krijgen echter niet de tijd in de rotsachtige bodem te trekken, maar spoelen rechtstreeks de zee in. Ook daar is op eenvoudige wijze iets aan te doen: Google op ‘Sahel’ en ‘waterbeheersing’.

Verder lezen? Koop dan nu de Parbode. Nog tot eind deze maand in de winkel en daarna verkrijgbaar via de redactie.

Comments ()