Back U bevindt zich hier: Home Cultuur Boeken & zo Sprintkoninginnen
maandag, 22 augustus 2016

Sprintkoninginnen

Geschreven door  Annick van Kerkum

Jamaica en de Verenigde Staten staan aan de top wat betreft Olympische sprintmedailles van de afgelopen decennia. Maar ook het kleine Nederland heeft succesvolle sprinters gehad. Van ‘mejuffrouw’ Tollien Schuurman tot ‘de vliegende huisvrouw’ Fanny Blankers-Koen, en van ‘vaatje buskruit’ Nelli Cooman tot het Nederlandse springfenomeen van nu: Dafne Schippers. De Europese Kampioenschappen Atletiek in Amsterdam (6-10 juli) en de Olympische Spelen in Brazilië (5- 21 augustus) zijn voor journalist en schrijver Kees Kooman het startpunt van een boek dat alle facetten van de sprintwereld laat zien. Ondanks de overvloed aan informatie, houdt Kooman je steeds opnieuw bij de les met zijn eigenzinnige taalgebruik (‘een boerinnetje op spikes’, ‘een oude vrouw in de kou’, ‘de diva die een slechterik wil spelen’) en zijn kijk op de sport. Ook de vele prachtige anekdotes, met hier en daar een sappige uitspraak, zijn een waar genot om te lezen.

De schrijver gaat in dit boek op zoek naar het antwoord op de vraag hoe het kan dat Nederland zulke goede sprinters heeft voortgebracht. Het begon allemaal in de zomer van het Olympische jaar 1932, toen de Friese Tollien Schuurman de 100 meter sprint voor het eerst binnen de twaalf seconden liep. Fanny Blankers-Koen nam in 1948 vier gouden medailles mee van de Olympische Spelen in Londen, er was ‘de wonderestafette van 1968’, de vele successen van de uit Suriname afkomstige Nelli Cooman en de wereldtitel van Dafne Schippers op de 200 meter. De conclusie van Kooman is dat de Nederlandse sprintkoninginnen met een combinatie van expertise, snelle benen en boerenverstand hun successen waarmaken.

Vooral het hoofdstuk over Nelli Cooman is interessant; het beschrijft de komst van een meisje ‘met een eigen willetje’, niet al te veel turven hoog, dat uit Suriname naar de Nederlandse blanke wereld van de sprint kwam. Vanaf de Europese jeugdkampioenschappen voelde Cooman zich al meteen afgewezen. Volgens Cooman bestond er racisme bij de Nederlandse atletiekbond: ‘Hoe je dat merkte? Nou, bijvoorbeeld door de opmerking in nabijheid van Henk, die bondstrainer was, van een collega op mijn verjaardag. Die zei: dan moeten we zeker moorkoppen kopen? Dan weet je genoeg.’ Sprintster Els Vader spreekt echter van een soort omgekeerde discriminatie, ‘waarbij je eigenlijk nooit goed kan doen. Ieder kritiekje wordt in verband gebracht met de huidskleur.’ Discriminatie of niet, trots was Nederland wel op ‘onze Nel’. Zo zong Gerard Cox: ‘Kijk ’r gaan, langs de baan. Zij kan iedereen aan. En zo fel, en zo snel. Ja, dat is onze Nel.

Kees Kooman, Sprintkoninginnen: Van Fanny tot Dafne, 2016, De Kring, ISBN 9789462970243