Back U bevindt zich hier: Home Cultuur Kort verhaal Dagwe
donderdag, 20 oktober 2016

Dagwe

Geschreven door  Cobi Pengel

Een goede jeugdvriend had in Suriname een huis voor hen gezocht en gevonden. Een leuk klein huis op een groot erf aan de Kwatta, destijds (jaren vijftig) nog boiti. Hij, jonge Surinamer, vol goede moed om er het beste van te gaan maken, zij, Hollands meisje, nieuwsgierig om alles te leren over haar nieuwe land; beiden verheugden zich op het buiten wonen.

De vriend had wel gewaarschuwd: er wonen wat eenvoudige mensen van wie je geen last zult hebben op de achtererven, nog vóór de zwamp gelegen, maar ik heb helaas je naaste buren niet voor je kunnen uitzoeken, je bent gewaarschuwd.

Het bleek allemaal te kloppen. Het vriendelijke Javaanse vrouwtje dat met haar gezinnetje vlak achter hun huisje woonde, kwam reeds de dag na hun aankomst kennismaken. Het Hindostaanse gezin dat verder naar achteren woonde, verbleef in de enige ruimte die het krot telde. De vader, de moeder en een aantal kinderen (waar elk jaar eentje bijkwam, zoals ze later merkten): ze zag dat allen op de grond sliepen toen ze het vrouwtje ging opzoeken na haar laatste bevalling. Dan was er daarnaast nog een krot waarin een altijd slonzig geklede Hindostaanse van onbestemde leeftijd woonde met drie vrij jonge meisjes. Of het een relatie moederdochters betrof of grootmoeder-kleindochters was moeilijk uit te maken. Op gezette tijden kwam er een oude man aansjokken, waarna de meisjes alle drie de straat op werden gestuurd en de deur op slot werd gedaan. De meisjes, altijd blootsvoets, loshangende haren die nooit gekamd werden en slordige kleren, maakten er geen geheim van waarom ze niet naar binnen mochten: ‘Mai doet vieze dinges’, verklaarden ze zonder enige gêne.

De eerste tropenervaringen van het nieuwsgierige Hollandse vrouwtje waren de vele voor haar zo vreemde tropengeluiden die haar de eerste nachten wakker hielden. ‘Hoe kan een mens in godsnaam slapen bij zulk een kakofonie aan geluiden?’ vroeg ze zich meerdere malen vertwijfeld af. Krekels en kikkers in alle soorten en maten. Later zouden de kikkers ‘todo’s’ worden, zoals muggen al gauw muskieten werden. Aan de muskieten wende ze nooit, maar van de krekel- en kikkergeluiden ging ze al gauw houden. Na korte tijd reeds herkende ze in die geluiden zelfs klanken die haar als muziek in de oren klonken. Ze had plezier in de siksiyuru’s, de slimme boomkrekels die elke dag opnieuw wisten wanneer het zes uur, iets daarvoor of iets daarna was en die dat, alsof het afgesproken was, allemaal tegelijk uitbundig ‘vierden’. Later, tijdens korte familiebezoeken in Nederland, miste ze de muzikale tropengeluiden en lag ze ‘s avonds en ‘s nachts met een gevoel van heimwee naar de koude stilte te luisteren.

In de zwamp achter de huisjes bruiste het vooral in de nachten van leven. Er was ooit zelfs een kleine kaaiman gesignaleerd. Haar man had haar verteld over ‘bakru’s’, wezens die half vlees, half hout waren, een groot waterhoofd hadden en waarbij je vooral niet in de buurt moest komen. Je viel dan van pure angst en schrik flauw, soms schoot je er het leven bij in en soms verdween je zomaar. Er huisden misschien wel een paar in de zwamp, maar de meeste leefden in kokers en in de buurt van sluizen. Eenmaal per maand, bij volle maan, kwamen ze echter allemaal bijeen in de zwamp en dan was het een orgie met veel lawaai. Wat ze dan precies deden wist hij ook niet. Niemand was ooit gaan kijken. Zij trok meteen de nuchtere conclusie dat het onzichtbare demonen moesten zijn. Ze accepteerde het vreemde verhaal. Ze was nu eenmaal in een vreemd land en die vreemde dingen, daar moest ze maar gewoon aan wennen. En dan die vreselijke kleefkikkers die juist als het tijd was om te baden, de badkamer bevolkten… Dat waren zichtbare demonen, vermomd als afgrijselijke kikkers. Ze bewogen zich over de wanden alsof ze van elastiek waren, de bolle ogen loerend op de muskieten. Ze stond er altijd op dat hij ze eerst ging vangen en naar buiten smijten voordat ze durfde te douchen. Ook moest hij wachten tot ze klaar was, voor het geval er intussen toch nog eentje stiekem naar binnen kwam ‘slijmen’. Al min of meer gewend aan al dat vreemde-geluiden-gedoe, schrok ze toch nog een keer met een schok wakker in de heel vroege ochtend, van een geluid dat ze nog niet kende. Ze schudde hem wakker: ‘Heb je dat geluid gehoord?’ Hij, nuchter: ‘Heb je niet eerder een ezel horen balken?’ Dat waren de boeren die van ‘bovenop’ kwamen om met hun ezelkarren hun groenten naar de markt in de stad te brengen.

Intussen had de ‘kennismaking’ (een knikje op afstand) met de naaste buurvrouw ook al plaatsgevonden. De huisjes stonden vrij dicht bij elkaar, zodat ze al gauw wisten dat zij Corry (beter bekend als ‘Cor’) heette en hij Gerard (beter bekend als ‘Geer’). Dan waren er nog een hond die Bonzo heette, maar meestal ‘Bonsje’ genoemd werd en een papegaai Lorre, ook wel Lorretje genoemd. Als ze terugkwamen van weggeweest dan riep Cor vanaf het hek al: ‘Bonsje…, het vrouwtje is er weer! Het vrouwtje heeft lekkere bami voor Bonsje meegebracht!’

Ze hadden vernomen (ook van de vriend die het huis gevonden had) dat ‘Cor en Geer’ een zoon hadden die ze bijtijds naar Nederland hadden teruggestuurd, voor het geval hij zijn oog zou laten vallen op een mooi gekleurd meisje, een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Nederland was in de jaren vijftig nog vrij ‘kleurloos’, dus daar was die kans miniem en was zoonlief ‘veilig’… Het leven van buurvrouw Cor draaide om Geer, om Bami-Bonsje, om Lorretje en een enkel ander Nederlands echtpaar dat er dezelfde witte principes op nahield als Cor en Geer.

De afstand bleef, maar ze was er allerminst rouwig om. Reeds in Nederland had men haar gewaarschuwd voor ‘witterikken’ als Cor en Geer. Ze had dus voor haar vertrek al besloten dit soort links te laten liggen. Met deze mensen zou ze immers ook in Nederland nooit zijn omgegaan.

Afgezien van het negeren, kwamen er pesterijtjes. Eerst kleintjes. Zoals wanneer de was werd opgehangen: ‘Gottegot, alweer gewassen, ze hebben zeker niet veel!’ En als hij naar de kapper was geweest: ‘O gottegot, wat-is-tie-nou-mooi!’ Ze trokken er zich niets van aan. Reageerden nooit.

tot het ontaardde in een poging om hen uit hun leuke huisje weg te krijgen. De beide huisjes waren van dezelfde eigenares: een beschaafde, wat oudere, alleenstaande Joods-Creoolse dame. Daar ging Cor echter de fout in! Het feit dat Cor probeerde het jonge echtpaar bij de eigenares in een kwaad daglicht te stellen, was al erg genoeg, maar het ARGUMENt dat ze daarvoor meende te moeten gebruiken… Zoals het jonge paar het verhaal later van de huiseigenares te horen kreeg, lag er zelfs, wie weet, aan dat argument enige jaloezie ten grondslag. Of leed Cor aan wishful thinking...?

‘Die vent heeft, staande op zijn balkon, mij zijn SCHAAMDEEL gewezen!’ Dat was haar argument geweest in haar poging haar buurtjes weg te krijgen. Nou ja, met het woord schaamdeel had ze dan toch wel het verkeerde woord gekozen voor een lichaamsdeel dat toch een keus aan benamingen biedt… Want het schaamdeel van haar bruine buurman was nou niet bepaald iets waarvoor hij zich hoefde te SCHAMEN. Integendeel: mooi egaal en glanzend bruin van kleur, maar ook nog groter dan Cor in haar hele leven gezien zal hebben. Cor kwam bedrogen uit, want de ‘schaamdeel-shower’ kwam ervan af met een waarschuwing van de huiseigenares: ‘Niet meer doen hoor, want een volgende keer zou ze weleens zo opgewonden kunnen raken dat ze over het hek springt!’ Waarna ze met z’n drieën hartelijk hebben gelachen om deze mislukte leugen van Cor om hen uit hun leuke Kwatta-home te verdrijven.

Na een wat rustiger periode liep het met onze Cor uiteindelijk slecht af. tja, want wie voor een ander een kuil probeert te graven, zou daar zomaar eens zelf in kunnen vallen… Had de vrouw van het jonge paar zich al snel aangepast aan haar drastisch veranderde leven (demonen in de gedaante van ‘orgiënde bakru’s’ bij volle maan in de zwamp, demonen in de gedaante van grote kleefkikkers in de badkamer, luid balkende ezels onderweg naar de markt), dat was bij Cor na ettelijke tropenjaren nog steeds niet het geval. Zo geloofde Cor ook niet dat je nooit een tapijtslang mag doden, omdat er anders iets verschrikkelijks met je gebeurt. Iets wat de man ook al aan zijn vrouw verteld had. ‘Onthoud het maar goed!’ had hij nadrukkelijk gezegd.

Een prachtig gekleurde tapijtslang lag lekker onder een struik te slapen op een middag waarop de tuinman van Cor aan het werk was. Cor, die de tuinman op de voet volgde om te controleren of hij alles wel deed wat ze hem had opgedragen, ontdekte hem het eerst. ‘Narain, een grote slang, doodkappen, nu meteen!’ ‘Na wan dagwe, mevrouw, mag niet doodmaken, ik ga ongeluk krijgen of doodgaan, heb vrouw en acht kinderen mevrouw, ik verzoek mevrouw…’ Ik zeg: ‘Doodkappen Narain, ik geloof niet in die bijgelovige onzin. En als jij het wel gelooft: ik neem dat ongeluk van je over, jou zal niks overkomen en je vrouw en je acht kinderen ook niet. En mij ook niet’, voegde ze er vals lachend aan toe. Ik zeg je dus voor de laatste keer: ‘Doodkappen’! De buren, die buiten op hun balkonnetje zaten, hadden de luid gesproken woorden gehoord en waren opgestaan, nieuwsgierig hoe het zou aflopen. tot hun afschuw zagen ze hoe Narain met een ongelukkig gezicht zijn houwer pakte. Ze waren vervolgens getuigen van de haast rituele moord en vreesden voor de gevolgen die vast niet zouden uitblijven.

De vrouw van het jonge paar heeft enkele weken na dit voorval een vreemde, heldere droom zoals ze die wel vaker heeft. Ze ziet dat er opnieuw een dagwe op het erf van Cor en Geer is. Het is nacht, dus Narain is er niet om hem dood te kappen. Dan ziet ze Cor zelf, gewapend met een houwer en, vreemd genoeg, bloot, naakt en heel erg wit, naar buiten komen. De slang, klaarwakker en alert in de maanverlichte nacht - het is volle maan - is sneller dan zijn aanvalster. Als ze dicht genoeg bij hem is, grijpt hij haar stevig vast en begint langzaam maar zeker zijn lenige lichaam om het blote, naakte, akelig witte lijf van Cor te draaien. Met elke draai perst hij er wat lucht uit. Cor roept natuurlijk om hulp, die echter niet komt. Ze roept enkele malen wanhopig om Geer. Bij de laatste keer komt de ‘G’ er nog vrij normaal uit, de twee ‘e’s’ wat moeizamer, de ‘r’ klinkt als een zwak gerochel. Omdat het volle maan is, overstemt het helse lawaai van de bakru’s in de zwamp Cors wanhopige hulpgeroep.

Dan is de droom voorbij. Kletsnat van het zweet ontwaakt ze. Cors laatste gerochel is plotseling overgegaan in de sirene van een ambulance of een brandweerwagen. Het zou ook politie kunnen zijn. Als ze slaapdronken opstaat om naar buiten te kijken, ziet ze een ambulance op het buurerf. Er wordt een brancard naar buiten gedragen. Geer loopt er in pyjama naast. Het is dus Cor die op de brancard ligt. Nog half in de droom denkt ze: is de slang er niet in geslaagd om haar te doden? Is er toch tijdig hulp gekomen?

Maar van een slang was er geen sprake geweest, zo hoorde ze later. Er was inderdaad hulp voor Cor gekomen, maar helaas te laat voor haar geperforeerde blindedarm.