Back U bevindt zich hier: Home Cultuur Kort verhaal Kort Verhaal: Geen seatbelt
dinsdag, 21 februari 2017

Kort Verhaal: Geen seatbelt

Geschreven door  Cobi Pengel

Mijn anatomie is helaas niet helemaal zoals ik die had willen hebben. Over het algemeen ben ik er niet ontevreden mee, maar er zijn toch momenten dat ik bijvoorbeeld een spraakapparaat mis. Het ontbreekt mij daardoor aan menselijke  spreekvaardigheid, wat mij steeds opnieuw confronteert met het gemis aan communicatie met de mensen vanwie ik houd. Het beperkt mij tot het voortbrengen van geblaf, in hoogte en sterkte afhankelijk van  mijn gemoedstoestand. Als die zich in een negatief gebied bevindt, produceer ik een laag grommen, terwijl mijn lippen daar weer op inspelen door zich op te trekken zodat mijn vlijmscherpe tandjes te zien zijn.

Om mezelf wat groter te laten lijken –ik ben aan de kleine kant- geven mijn hersenen een seintje aan mijn haren om recht overeind te gaan staan. Omdat mijn kop klein is, is de inhoud gering, maar men moet zich daarin niet vergissen: kwaliteit wint het in mijn geval ruimschoots van kwantiteit. Ik ben wat je gerust mag noemen een slim teefje dat niet met zich laat sollen. San… mi…, no mek’ grap nanga mi yere! So wan kaksi lala Sranandagu lek’ mi! Want behalve dat ik van naturelief en aanhankelijk ben, kan ik ook zeer wraakzuchtig zijn.

Zo  was er enige tijd geleden het geval van de politiebeambte. Ik kon ook toen helaas alleen maar grommen, mijn tanden laten zien en mijn haren overeind zetten. Die kerel heeft het gedurfd om mij uit te lachen! Toen kwamen mijn wraakgevoelens naar boven en die zouden niet eerder rusten alvorens bevredigd te zijn. Mijn baas neemt mij vaak mee uit rijden in de auto. Er zijn nooit woorden nodig geweest om hem duidelijk te maken dat ik dat superleuk vind. Het raam halfopen, de wind en de vele geurtjes –aangename en onaangename- die mijn gevoelige reukorgaan strelen… ik ben er gek op. Als een prinses zit ik naast mijn geliefde baas. Zo ook op de dag dat mijn wraakgevoelens tot leven werden gewekt. Mijn baas moest stoppen voor een reguliere verkeerscontrole. Ik merkte meteen op dat de politiebeambte niet goed rook…, geen goed geurtje…, dus ik kneep mijn ogen tot spleetjes, gromde en liet hem mijn tandjes zien. De vent lachte zich krom: ‘Uw…hahaha….papieren…hahaha… meneer… hahaha…’. Hij controleerde de papieren van mijn baas en bevond die in orde. ‘In orde meneer’, lachte de ellendeling dan ook. ‘Maar… hahaha…’, vervolgde hij, nog steeds hikkend van het lachen, ‘ik moet u helaas toch een bekeuring geven, want uw passagier…hahaha…draagt geen….. hahaha….draagt  geen seatbelt.’ O, wat miste ik op dat moment dat voornaamste gebrek aan mijn anatomie. Wat zou ik die kerel graag hebben uitgescholden. Alle vieze woorden die ik in de loop der tijd heb opgevangen, had ik al op een rijtje in mijn kwalitatief goed geordende brein. Maar helaas: een hoog, nerveus, geagiteerd blafje was het enige waartoe ik in staat was. Omdat mijn baas, de huichelaar, ook meelachte, heb ik hem voor de rest van die dag straal genegeerd. A no kan, toch? En dan meende die vent het niet eens. Mijn baas mocht doorrijden zonder bekeuring. Maar intussen was ik wel het mikpunt van hun laffe pret geweest. Konden ze wel? Twee grote kerels tegen een klein hondje?

Vanaf dat moment begon mijn slimme brein een strategie uit te stippelen om wraak te nemen. In elk geval had ik zijn geur in mijn geheugen opgeslagen en dat bleek later goed van pas te komen. Aan de kant van het erf die aan de straat grenst, wist ik een steen die een beetje los zat en die ik er met wat inspanning best helemaal uit zou kunnen duwen. De opening zou net groot genoeg zijn om mijn slanke lijf door te laten, zij het dat ik er misschien wat schrammen aan over zou houden. Maar daartegen had ik geen bezwaar. Omdat ik meestal in het huis ben –ik ben de oso dagu van de familie- , zou ik moeten toeslaan op een moment dat ik even op het erf gelaten zou worden om mijn behoefte te doen. Om tijd te winnen, zou ik de losse steen bij een eerdere gelegenheid al uit de muur duwen en dan bij de volgende gelegenheid snel toeslaan.

Aldus geschiedde. Het ging allemaal zelfs gemakkelijker dan ik gedacht had. Achteraf hoorde ik zelfs dat ze me na een uur pas gemist hadden. Maar toen was ik allang de hoek van de Kernkampweg  om en halverwege de Kwattaweg. Mijn ongeëvenaarde reukorgaan had de onsmakelijke geur van de politiebeambte al snel tussen alle andere geuren gevonden en die bleek me naar  Weg naar Zee te leiden. Ik ging hem het lachen afleren, reken maar van yes. Met bevredigde wraakgevoelens zou ik daarna voldaan huiswaarts keren. Op een gegeven moment hield het geurspoor op. Ik stond voor een huis dat donker was, op een zwak peertje na, dat hing aan het plafond van het balkon. Het erf was niet omrasterd, wat de geplande operatie vergemakkelijkte. Er waren wel een paar blaffende honden, maar die had ik met wat dreigend gegromsnel het zwijgen opgelegd. Mijn wraakgevoelens werden aangewakkerd door een paar slippers die uitdagend op het balkon voor de deur stonden. De geur was  ondraaglijk. Ik stortte me dan ookmet al mijn opgekropte woede grommend en bijtend op de teenslippers, waarvan in no time slechts een rommelig bergje onherkenbare rubberkruimels over was. Nog hijgend keek ik om me heen wat er meer te vernielen was. Ahaaa…. de waslijn! Daaraan hingen hemden die, ondanks dat ze schoon waren,toch nog de gehate geur hadden. Tevreden keek ik even later naar de flarden en vodden die even daarvoor nog hemden waren. Tot besluit keerde ik me om en trapte met mijn achterpoten met de nodige minachting een lading zand op de vodden. Ik had me gewroken. Tijdens mijn actie hadden de andere honden, nog steeds zwijgend, toegekeken . Die zullen niet veel van mijn – wie weet ontzag inboezemend-  gedrag begrepen hebben.      

Ik voelde me als ondergedompeld in een warm bad van opluchting en bevrediging. Ik kon huiswaarts gaan om uit te rusten in mijn veilige mandje of op mijn zachte matrasje, waarvan het hoeslakentje elke week verschoond wordt. Ikzelf word trouwens ook wekelijks gebaad met warm water…Baya…, je bent een oso-dagu of je bent het niet.

Toen ik al vrij dicht bij huis was, hoorde ik in de stilte van de nacht een bekende stem die heel hard, bijna wanhopig, mijn naam riep, vele malen achter elkaar. Het kon niet missen: dat was mijn baas! ‘Lemmy!!! Lemmy!!! Lemmy!!!’ Ik realiseerde me toen pas dat ze me gemist zouden hebben en ongerust zouden zijn. Mijn wraakgevoelens hadden alle andere gevoelens verdrongen. Haastig wrong ik me door het gat in de muur, de losse steen zou ik de volgende dag wel op zijn plaats duwen.

Ik werd geknuffeld en kreeg veel lieve woordjes te horen, maar… ook enkele boze woorden. Ik voelde me toen opeens heel erg moe…en, met mijn kop gebogen blafte ik,nauwelijks hoorbaar enberouwvol, ‘dat ik het nóóóóit meer zou doen’. Maar helaas…, ik zei het al: mijn anatomie is nu eenmaal niet helemaal zoals ik die graag had willen hebben. Ze zullen zich dan ook tot in lengte van dagen blijven afvragen wat ik al die uren die ik weg was geweest, had uitgespookt.

Meer in deze categorie: « Krishje